Deze website maakt gebruik van cookies. Klik hier voor meer informatie.      Sluiten
 

Artikelen van Redactie - Kroniek van Enkhuizen

Artikelen van: Redactie - Kroniek van Enkhuizen
Laatst geplaatste artikel: woensdag 16 juni 2010
Totaal aantal artikelen: 36
Resultaten:1 - 10 van 36
\.
Theo(links) en Joop (rechts)
In 1935 is hij hier in Enkhuizen geboren, en hij wil hier nooit meer weg. Joop Fijma bracht zijn jeugd door op de Karnemelksluis en heeft hier zowel verdrietige als spannende herinneringen aan overgehouden.

Theo
“Dit verhaal gaat over mijn broertje, het was echt een ramp.
Toen ik een jaar of zeven was, werd mijn kleine broertje Theo geboren, dat was op 16 februari in 1940. Ik had al twee zussen, dus vanaf zijn geboorte waren we met zijn zessen thuis.”

“Theo was stapelgek op mij en wilde altijd samen spelen, ik was dan ook zijn enige broer. Het was echt een lief jochie. We woonden op de Karnemelksluis, daar was beneden een bedstee en boven was een slaapkamer met twee bedden. In het ene bed sliepen mijn zusjes samen, in het andere bed Theo en ik.
Op 21 november 1944 wordt Theo midden in de nacht wakker en zegt: ‘Ik ga naar onze lieve Heer toe, in de hemel’. We waren namelijk katholiek opgevoed thuis ‘Je moet niet zo raar praten joh’, zei ik. Om te kijken wat er aan de hand was, deed ik het licht aan en schrok, die arme Theo was helemaal blauw geworden! Dat kon niet goed zijn.”

“Ik ging samen met Theo naar de bedstee van mijn ouders en vertelde aan hen dat Theo zich niet lekker voelde én blauw was. Theo moest tussen mijn vader en moeder in gaan liggen, zodat zij hem in de gaten konden houden. Mijn vader vertrouwde het niet en ging dezelfde nacht nog naar de dokter in de Breedstraat. Bij de dokter legde hij uit wat er aan de hand was en vroeg hem of hij alsjeblieft wilde komen kijken. ‘Hoe kan je me daarvoor uit bed bellen’, zei de dokter, ‘kleine kinderen van een jaar of drie zijn zo vaak ziek, de volgende dag spelen ze meestal gewoon weer buiten. Nee hoor, ik kom niet. Kijkt u het maar even aan tot morgenochtend, het stelt waarschijnlijk toch niks voor, welterusten.’

“Onze Theo werd die nacht steeds zieker en de volgende ochtend ging het nog steeds slecht met hem. Mijn vader besloot naar een andere dokter te gaan, eentje in de van Bleiswijkstraat. ‘Onze eigen huisarts wilde niet komen, daarom ben ik naar u gekomen,’ zei mijn vader, ‘onze zoon is zo ziek en hij is helemaal blauw, wilt u alstublieft komen kijken? Het gaat echt niet goed met hem!’ Deze dokter wilde wel komen kijken en kwam naar de Karnemelksluis. De dokter wierp één blik in de bedstee en zag genoeg: ‘Ik zie het al, dat jochie heeft zware niervergiftiging en moet zo snel mogelijk naar het ziekenhuis!’

“De ambulance, toen nog een bakfiets met een huifje en een doek er overheen, kwam voor de deur en Theo moest mee. Onderweg naar het ziekenhuis, op de ‘Weggies’ (Wegje) is Theo op 3-jarige leeftijd helaas overleden, het was te laat voor hem. Misschien als de dokter die nacht meteen was meegekomen, had het anders af kunnen lopen.”

“Na de oorlog kreeg ik weer een broertje, mijn ouders noemden hem Theo.”

Theo Fijma 16-2-41 - 22-11-44

Knokken op de Karnemelksluis
Vroeger waren er nog geen auto’s en kon er heerlijk op straat worden gevoetbald. En dat werd veel gedaan op de Karnemelksluis. In de straat waren twee putten, tussen de stoeprand en die putten was het doel. Op de Karnemelksluis werd gevoetbald door onder andere Joop Knukkel, Bertus Spaan, Piet Klouwers en Ton Peereboom.
Ook Joop Fijma, zijn zussen én zijn vader waren gek op voetballen, maar dit heeft wel eens gevolgen gehad.

“Op een zondag ging mijn vader naar Hein de Boer, dat was een café, hij ging kaarten met zijn vrienden en dronk een paar borreltjes. Één keer kwam hij ‘pittig in de olie’ terug en ging  een potje voetballen met mijn zussen. Op een gegeven moment kwam er een smeris aan, hij zette zijn fiets neer en zei: ‘Geef die bal maar aan mij!’ Mijn zus gaf hem braaf de bal. ‘Ik ga naar het bureau, en neem die bal mee’, zei de agent, ‘Je mag hier niet voetballen op straat’. Dat vond ik zo flauw van die agent, want er stonden geen auto's, we waren niemand tot last. Mijn vader was het ook niet met de agent eens en op de één of andere manier eindigde het gesprek in een flinke knokpartij! De hele buurt keek toe hoe ze elkaar de hersens insloegen, dus na een tijdje besloten de agent en mijn vader naar binnen te gaan. Daar ging het knokken gewoon door. Er vlogen schilderijen van de muur af, er vielen spullen om, ze bleven maar rammen tot mijn vader naar de eettafel wees: ‘Hier komt die bal en anders kom jij die deur nóóit meer uit! De agent legde als een mak schaap de bal op tafel, mijn vader gaf hem een sigaar en zei: ‘En nu opsodemieteren, ik wil je hier nooit meer zien!’ We hebben nooit meer wat van de agent gehoord, daarna altijd ongestoord kunnen voetbalen.”

Iris Vinkenborg

Met dank aan meneer Fijma



Onderwerp: Anekdotes 3 reacties Tell a friend 4738 Clicks Ongepast  
\.
Bron: Oud Enkhuizen, Sigaren Fabriek de Hoop, hoek Westerstraat- Nieuwstraat
Op de hoek Nieuwstraat – Westerstraat naast fietsmakerij Dekker was vroeger een sigarenfabriek, in de gevel stond dan ook ‘Sigaren Fabriek de Hoop’. In de loop van de jaren werd het verplicht om een banderol (sigarenbandje) om de sigaren te doen om de prijs op weer te geven. Voor de kleine sigarenfabriek in Enkhuizen was dit niet haalbaar, dus deze ging dicht. In het pand begon een echtpaar een tabakzaak, maar toen zij op leeftijd waren wilden zij hier mee stoppen. Een neefje van hun wilde de boel wel overnemen, samen met zijn vrouw.

Het neefje en zijn vrouw hadden net genoeg geld om een paar stoelen en een bergmeubeltje te kopen en om de goodwill en het inventaris over te nemen. “Ik had wat gespaard en mijn man ook, verder kregen we hier en daar wat, zoals gordijnen. Deze heb ik vervolgens zelf vermaakt en genaaid.” Het eerste jaar huurde het stel het pand, daarna leenden zij geld van de bank en konden zij het kopen. “Het pand was twee hoog, de eerste verdieping was vroeger een sigarenfabriek en daarboven was een zolder waar wij sliepen. We hadden toen niet eens elektrisch licht boven, we gingen met een kaarsje naar boven. Hartstikke romantisch vond iedereen dat, maar als je ’s nachts naar de wc wilde en twee trappen van zeventien treden af moest lopen, was het toch wat minder romantisch!”

De jonge vrouw runde de winkel en werkte daar alle dagen en zorgde ook nog voor drie kinderen. Er kwamen nog al wat opmerkelijke klanten in de winkel en dat heeft veel anekdotes opgeleverd!

Pruimen & spugen
“Ik was 19 jaar en had de winkel nog maar net en toen kwam er op een dag een klant. Het was een man en hij praatte niet gewoon, nee hij blafte maar wat! Ik kon hem echt niet verstaan en dacht wat zal hij nou toch willen? Dus ik vroeg het nogmaals, weer blafte hij iets onduidelijks. Ik keek hem vragend en verbaasd aan, vervolgens haalde hij zijn gebit uit zijn mond, dat vol hing met slierten tabak, het was te vies om naar te kunnen kijken! Pruimstangen moet ik hebben, zei hij nors, en lichte! Ik had een kistje waar pruimstangen in zaten en dan koos hij altijd de lichtste uit. In die tijd had je veel mensen die pruimden en vaak hadden ze thuis een bakje staan waar ze vanaf een afstandje precies in konden spugen.”

“Ik zal het de rest van mijn leven niet vergeten"
“Op een dag kwam er een man de winkel in die ik nog maar drie keer had gezien. Met een zware stem zegt hij: Één doos sigaren! We hadden natuurlijk veel verschillende soorten sigaren dus ik vraag netjes welk merk hij wilt. En hij antwoord: “Weet je dat verdorie nou nog niet? Ritmeester moet ik hebben! En volgende keer moet je het weten want ik ga je het niet nog een keer vertellen!” Ik heb hem de sigaren gegeven en ik zal de rest van mijn leven niet meer vergeten welk merk hij wilde.”

"Jij bent me er ook eentje!"
“In de winkel hadden we een gashendel waarmee de klanten hun sigaren en sigaretten konden aansteken. Aan de gashendel zat ook een kraantje, die je hoger en lager kon draaien zodat de vlam harder of zachter ging. Ik had een vaste klant met een mooie snor, die altijd twee sigaartjes van 13 cent kocht. In de winkel stak hij één van de sigaartjes aan, maar iemand had de kraan harder gezet en vervolgens was zijn mooie snor voor de helft weg geschroeid! Schelden dat hij deed en ik zei heel droog tegen hem, dat hij maar beter de andere helft ook weg kon halen. Hij keek me verbaasd aan en zei, jij bent me er ook eentje!”

Verroeste bloemkool
“Er waren veel klanten die niet gelijk bij het kopen afrekenden, maar het lieten opschrijven en dan later betaalden, poffen noemden we dat. Elke dinsdagmiddag ging ik op pad om bij verschillende klanten dubbeltjes en kwartjes op te halen. Ik weet nog dat ik een keer in de Van Linschotenstraat geld ging ophalen. Ik belde aan en vroeg netjes om een dubbeltje voor de afbetaling. Roept haar dronken man van uit de woonkamer: Heb je haar weer om een dubbeltje! En hij gooit zo een bloemkool richting mijn hoofd! Gelukkig kon ik op tijd bukken en de bloemkool vliegt zo tegen het hek van de gasfabriek! De vrouw werd kwaad: Prima dat je steeds maar aan het roken en poffen bent, maar nu gooi je mijn vreten ook nog de deur uit en hebben we geen bloemkool vanavond. Waarop de man antwoordt: Nou dan raap je toch de restjes op. De vrouw zei: Nou, die mag jij dan opvreten want er zit roest aan.”

Toeteren op de pomp
“Dronken klanten kreeg ik ook wel eens, zo ook een dronken man uit IJmuiden die op de camping in Enkhuizen verbleef. Hij kwam in de winkel en moest en zou klompen passen, ik had in de winkel namelijk ook souvenirs en dat soort dingen. De man trok de klompen aan, maar hij stond nogal wankel want hij was dronken. Uiteindelijk verliest hij zijn evenwicht en valt zo in de etalage, alles wat daar stond was aan puin. De man beloofde direct dat hij alles zou vergoeden."

"Vervolgens vroeg hij mijn dochter om een mooie grote bos rozen te halen bij Ramkema voor zijn vrouw: ‘Ik moet toch wat hebben als ik thuis kom, anders wordt ze kwaad! En doe ook maar van die horretjes voor de ramen, die zijn nu in en daar zit ze steeds om te zeuren. Ik kom het morgen allemaal betalen!’ Ik vertrouwde de man dat hij de volgende dag zou komen, dus gaf hem de spullen. Hij stapte op de fiets en gooide de horretjes op zijn stuur, er zaten gelijk gaten in, de rozen bond hij onder zijn snelbinders. Voordat hij wegfietste en vroeg hij of we ook toeters hadden voor op de fiets! Nou, die hadden we wel en daar wilde hij er ook eentje van kopen. We keken hem na toen hij uiteindelijk wegfietste en zagen hem omvallen op de kaasmarkt. De man ging op de pomp zitten, met zijn toeter in zijn hand. Om de pomp heen lagen allemaal rozenblaadjes, onder zijn snelbinders zaten alleen nog de stengels, op de pomp toeterde de man de hele tijd."

"De dag erna kwam er een vrouw in de winkel, het was de vrouw van die man. Ze vertelde dat ze een mooie bos stengels van haar man had gehad en dat ze de rozenblaadjes had zien liggen op straat. De vrouw had de horretjes bij zich en wilde die graag laten restaureren, dat kon gelukkig wel. Ze vroeg ons ook ‘of we alsjeblieft die toeter wilde terugnemen, want mijn man heeft de hele nacht getoeterd, ik werd er horendol van!” De toeter werd terug genomen en de vrouw betaalde netjes de rekening."

Een leugentje om bestwil
"Er kwam een keer een man in de winkel met een mandje in zijn handen, hij was aan het venten. ‘Ze leven nog, ze leven nog’ riep hij. Ik vroeg hem wat hij in het mandje had, ontbijtkoeken waren het. De man kwam vrij vaak met handel langs de deur, waarom hij dat deed vroeg ik. ‘Ja, zegt ie, wat denk je? Ik heb twaalf bloedjes van kinderen en die moet ik toch te vreten geven!’

Ik keek hem aan en zei, ‘U woont toch hier op de Nieuwstraat en u heeft maar één zoon, hoe kunt u dat nou bedenken?’. “Nou, zei de beste man, anders koopt niemand iets van me!’

Een lot uit de..
“In de winkel verkochten we ook staatsloten, die kosten toen 25 gulden per stuk. Een man uit Andijk wilde graag via de telefoon een lot kopen, omdat hij geen tijd had om langs te komen. Nou dat kon wel, we schreven op in ons boek en we bewaarden het lot voor hem in de la.”

“Na de trekking ging de telefoon, het was die man uit Andijk: ‘Jullie hebben me een mooi lot verkocht, ik heb 400 gulden gewonnen!’ Mijn man schrok, hij dacht dat er niks op dat lot gevallen was en had het al weggegooid. Hij vroeg mij waar de vuilniszak met het lot gebleven was. Ik had die vuilniszak weggegooid in de container bij het zwembad, dan stonk het bij ons tenminste niet zo. Er zat niks anders op dan de vuilniszak te gaan zoeken. Ik ging naar het zwembad en ben de container ingedoken op zoek naar die vuilniszak. De meeste mensen maakten de vuilniszak dicht met ijzerdraadjes, ik maakte hem altijd dicht met een plakbandje. Dat was mijn redding, want daaraan heb ik onze herkend!”

“Thuis ben ik eerst onder de douche gesprongen, ik was zo smerig. De container zat vol met losse luiers en vuilniszakken van mensen die op de camping stonden. Na het douchen gooiden we op de keukenvloer de vuilniszak leeg, en daar lag tussen al de rommel het lot! We waren natuurlijk erg blij, anders hadden we die 400 gulden zelf moeten betalen en zoveel geld hadden we niet. Nu zou ik dat niet meer kunnen hoor, in de container duiken!”

Iris Vinkenborg

\.
Helemaal rechts zit Klaas Appel, in zijn diensttijd
Klaas Appel komt uit een gezin van tien kinderen en bracht zijn jeugd door op het Spaansleger. Op 16-jarige leeftijd gaat hij werken bij firma Zwaan in de Vijzelstraat, een zaadhandel die tegenwoordig niet meer bestaat. “Een paar maanden achter elkaar moest ik op een donkere zolder in een pakhuis dozen in elkaar flansen met behulp van een soort nietmachine. In de winter moest ik zakjes vullen met zaad, het werk was niet bepaald een feest voor een jonge knul. Er werkten nog meer jonge jongens en samen hadden we wel schik. Tussendoor heb ik nog tijdelijk als loopjongen gewerkt bij een kruidenier, daarvoor moest ik boodschappen wegbrengen en opvragen.”


“Mijn eerste werkdag zal ik nooit vergeten”

In het voorjaar was het werk bij firma Zwaan over. De vader van Klaas regelde een baantje bij een tuinder, maar ook dit liep in augustus op zijn eind. Klaas zat dus weer zonder werk, maar zijn vader hielp hem opnieuw uit de brand. “Mijn vader was chef tuinzaden bij de firma Sluis & Groot en hij heeft mij daar naar toe gehaald, ik ging als het ware bij mijn vader te werk. Bij de firma Sluis & Groot heb ik van alles gedaan. Mijn eerste werkdag zal ik nooit vergeten, het was prachtig weer en ik moest de hele dag binnen juten zakken schoonmaken. In deze zaken werd zaad verpakt en als ze leeg waren moesten ze schoongemaakt worden met behulp van een machine, die verschrikkelijk veel herrie maakte. En als je eventjes niet oplette, slikte de machine de hele zak in. Danmoest je de machine stopzetten en openmaken om de zak eruit te krijgen. Ik kwam steeds een trapje hoger in het bedrijf en ben uiteindelijk in de pakhuizen terecht gekomen, waar ik werkte met een gezellige ploeg mensen. Een nadeel was de stoffige omgeving, als het mooi weer was kreeg je helemaal geen buitenlucht. Er waren grote ramen en als je daardoor naar buiten keek, zag je mensen lekker in het zonnetje zitten terwijl jij binnen aan het werk was.”

“Mobilisatie was ontzettend interessant”
In 1939 begon de mobilisatie en deze vond Klaas Appel “ontzettend interessant”. Zijn vader had de Eerste Wereldoorlog meegemaakt en vertelde hier vroeger vaak over. “Nu maakte ik het zelf mee, mensen die opgeroepen werden bijvoorbeeld. Hier waren toen nog van die Staverse boten waar zo’n 2000 man op ging. Dagelijks kwamen deze boten uit Friesland naar Enkhuizen, er stonden extra treinen gereed om de mensen verder te vervoeren.”

In dienst
Op een dag kreeg Klaas een oproep om naar Den Haag te komen. Hij moest in dienst bij de Blauwe Huzaren, hij had als één van de weinige jongens al een rijbewijs en dat heeft hem wel geholpen bij zijn dienstkeuze.  Klaas kwam namelijk op een hele oude pantserwagen terecht, waar hij amper in kon schakelen. Het stuur zat recht voor zijn neus, zoals bij een boot en Klaas moest gewoon op de vloer zitten. Het oude mormel had nog dienst gedaan in 1917 bij de aardappeloproer in Amsterdam.  Tijdens zijn diensttijd in Den Haag maakt Klaas veel nare gebeurtenissen mee, zoals een bombardement op Scheveningen, maar hij had goede kameraden opgedaan waar hij behoorlijk wat schik mee had.

“Alle dagen waren een avontuur”

Halverwege de oorlog keert Klaas terug naar Enkhuizen, hij kon weer aan de slag bij de Sluis & Groot. De vrachtwagens van het bedrijf waren gevorderd door het Nederlandse leger en daarom moesten zij overschakelen op paardtransactie. “Er was nog een bijrijder nodig voor op de wagen en dat werd ik. Het grootste deel van het jaar zwierven we langs de weg door heel West-Friesland tot in de Wieringermeer aan toe. Tegen het eind van de dag hadden we vaak te kort eten, dan vroegen we bij boeren om melk. In de Hongerwinter was het zo erg, dat het regeringsbrood dat je ’s morgens meegenomen had tegen lunchtijd beschimmeld was. Mijn maat en ik besloten bij de tuinders waar we een boodschap moesten doen iets te eten te vragen. Die boeren verbouwden van alles, dus zij hadden veel eten tot hun beschikking. De eerste en de beste die we om iets vroegen vergeet ik nooit meer. Het was op de Ouwe Dik in Westwoud en die beste man zei: Jongens kom erin, ik heb zelf gebakken brood! Dikke plakken brood kregen we van hem, met kaas en al. We hebben het zelfs daar aan tafel opgegeten. Het ging niet altijd vlot hoor, dat vragen, maar op deze manier zijn we er wel een beetje door heen gesukkeld.”

Klaas blijft even stil en kijkt voor zich uit voor hij weer verder vertelt. “Eigenlijk waren alle dagen een avontuur, achteraf denk je wel eens bij jezelf, je bent er vaak door heen geglipt. We reden bijvoorbeeld een keer door Zwaagdijk en toen kwam er een man naar buiten gesneld en waarschuwde ons: Jongens maak dat jullie wegkomen! Later hoorde ik dat daar toen vier jongens uit Andijk zijn neergeschoten, waarvan twee uit één gezin.”

Zwarte handel

In de Hongerwinter waren veel artikelen schaars, maar er werd hier en daar wat gesmokkeld. Ook Klaas probeerde een graantje mee te pikken. “Soms deed ik sjouwtjes bij de directeur van Sluis & Groot voor wat extra’s en dan kwam ik bij hem in de kelder. Die stond helemaal vol met blikken, gas en potten vol boter, je wist niet wat je zag. Ik had geen idee hoe hij daar aan kwam."

"In Enkhuizen was een maalderij, hier liet de directie van firma Sluis & Groot tarwe malen. Ik vervoerde met mijn wagen de tarwe naar een bakker en hij bakte er brood van. Dit was bestemd voor de directie en ook mijn vader kreeg wekelijks twee broden. Op een gegeven moment werd de bakker aangehouden en moest hij verklaren hoe hij aan zoveel tarwe kwam.  Er werd een proces tegen hem aangespannen en ik moest als vervoerder voorkomen! De aanklager was een NSB’er en hij eiste drieënhalf jaar strafkamp tegen mij. Gelukkig zat er een andere man, een deurwaarder, die de aanklager al een beetje kon en uiteindelijk moest ik alleen een geldboete betalen. Maar ik ben toen wel erg geschrokken.”

Incognito de stad uit
 “In 1944 vorderden de Duitsers mensen om op het vliegveld de Kooi in Den Helder te werken. Mijn baas stelde mij beschikbaar, dan was hij mooi een tijdje van me af. Ik heb daar veertien dagen gewerkt. Wij moesten dikke palen met een botte bijl hakken, dat schoot natuurlijk niet op. Als je iets deed wat de Duitsers niet naar hun zin was, kreeg je gewoon een klap. Een keer had één van de andere jongens tegen de Duitsers gezegd dat ik en mijn maat niet aan het werk waren, we kregen direct een geweer op ons borst gedrukt: arbeiten! Een andere keer gooide iemand spijkers in het water en toen pikte die Duitsers mij eruit, weer een geweer op mijn borst. Toen was ik er klaar mee en ben ik ondergedoken bij mijn vrouw in Andijk, we waren toen nog niet getrouwd. De dag nadat ik weg ben gegaan stond er bij mijn moeder thuis een Duitser en een Enkhuizer politieagent voor de deur om te vragen waar ik was. Mijn moeder deed alsof ze van niks wist en antwoordde dat ik in Den Helder was. Maar ze wist het wel hoor, ik ben bij haar langs geweest en daarna incognito met een brilletje en een hoedje op de stad uit gefietst zodat niemand mij zou herkennen!”

Een mooie afsluiting

Na de oorlog heeft Klaas nog jaren gewerkt bij Sluis & Groot, als chauffeur op een mooie Ford. “Na 48 jaar trouwe dienst bij firma Sluis & Groot ging ik met pensioen. Toen kwam mijn wagen opeens voor de deur en daar stond de hele familie en een band op, mijn collega’s hadden dit georganiseerd. Met de wagen reden we een paar rondjes om de Koepoort, het was een mooie afsluiting.”

iris Vinkenborg

Met dank aan meneer Appel

\.

Mevrouw Blom woont al bijna 89 jaar in Enkhuizen. Haar ouders hadden vroeger op Spaansleger een slagerij, Broekhuizen. Mevrouw Blom deelt met ons een spannende herinnering.

Als in een strenge winter het IJsselmeer bevroren is en het eiland Urk niet meer bereikt kan worden door boten, besluiten verschillende Enkhuizers om met vrachtwagens goederen naar Urk te brengen. Het heeft zo hard gevroren die winter dat het ijs sterk genoeg is om erover heen te kunnen rijden. Mevrouw Blom vertelt dat haar vader, meneer Broekhuizen, de eerste was die op Urk arriveerde.

Een avond in diezelfde koude winter wordt een 8-jarig meisje, mevrouw Blom, wakker gemaakt door haar huilende moeder. Haar vader is nog niet terug gekeerd uit Urk en moeder is bang dat er iets mis is. Het meisje wordt uit haar bedstede gehaald en gaat samen met haar moeder de koude donkere winternacht in op zoek naar hun vader. Bij het IJsselmeer aangekomen zien zij nog meer vrouwen die staan te wachten. Er zijn nog meer mannen niet thuis gekomen en niemand weet wat er aan de hand is.

Na enige tijd wachten en starend naar het bevroren, donkere IJsselmeer, zien de vrouwen eindelijk lichtjes opdoemen in de duisternis. De vrouwen zijn blij en al enigszins opgelucht, maar het blijft toch spannend. Zitten de lichtjes van hun eigen man er tussen?  Één voor één keren de auto’s terug en van de eerste horen de vrouwen wat er gebeurd is die avond. De auto van Kornalijnslijper, een bekende garage van de Breedstraat, is door het ijs gezakt en alle mannen hebben geholpen de boel te redden. Er is niemand verdronken maar de vrachtwagen hebben zij achter moeten laten, er was niets meer aan te doen. Die nacht komen alle mannen heelhuids thuis, gelukkig ook meneer Broekhuizen.

Mevrouw Blom is deze avond nooit vergeten. “Ik kan het nog steeds voelen die spanning, ik kan nog steeds die lichtjes in de verte voor me zien. En wat waren we blij toen mijn vader terug was. Gek he, het is zo lang terug maar ik zie het nog precies voor me! Ik had eigenlijk die dag graag mee gewild naar Urk, maar zie nu wel in waarom dat niet mocht van mijn vader.”

Iris Vinkenborg

Met dank aan mevrouw Blom



Onderwerp: Middenstand 1 reactie Tell a friend 5504 Clicks Ongepast  
\.
Op de linkerfoto Annie met haar moeder en een Urker. Op de foto rechtsboven v.l.n.r Annie Vorst, Sien Muskee, Trien Posthumius, Nanne Mazereeuw, Fok Bakker, Broekhuizen. Rechtsonder bakker Vorst.
Annie Koolhaas-Vorst (1923) is geboren en opgegroeid in de bakkerij van haar vader, H. Vorst. Ze hadden een groot gezin, Annie had namelijk vijf zussen en één broer. De bakkerij waar zij ook woonden, zat buiten de Koepoort aan het Westeinde en was de enige die daar zat. Bijna iedereen die daar woonde kocht zijn brood bij bakker Vorst maar ook in de stad verkocht de bakker brood. “Mijn vader ging altijd venten, eerst met de transportfiets met een grote bak voorop en later met de bakfiets. In het Westeinde ventte ook wel eens iemand van de fabriek, maar bijna iedereen kocht het brood van mijn vader. Als het brood op was, kwam hij naar huis en kleedde hij zich om en bakte vervolgens weer nieuw brood. Het waren lange dagen en een druk bestaan maar het was zo gezellig.”

Bakken als hobby

Gelukkig hoefde bakker Vorst niet alles zelf te doen, hij had meerdere knechten en ook zijn zoon hielp mee in de bakkerij. De oudste zus van Annie moest vooral hun moeder met het huishouden helpen maar soms hielp zij in de bakkerij. Als er bijvoorbeeld in de winter sneeuw lag trok zij de bakkerskar vooruit. Verder werkten er vrouwen uit Urk bij de bakker, deze bleven in de kost bij de familie. Elke maandag kwamen zij en op zaterdags namen ze weer de boot naar huis. Urk was destijds een gereformeerde gemeente en de boot voer niet op zondag.

Annie vond het altijd erg gezellig dat de Urkers bij hen werkten en verbleven en ze had er logeeradressen bij! “Ik vond het altijd erg leuk om bij de Urkers te logeren, maar na vijf dagen had ik heimwee en wilde ik weer naar huis. Ik kan me nog goed herinneren dat er een keer een stier ontsnapt was op Urk! Het was een hele commotie op het eiland en ik vond het hartstikke eng. Uiteindelijk hebben ze hem neergeschoten met een verdovingspuitje, zoiets vergeet je nooit meer.”

Aangezien bakker Vorst genoeg hulp had in de bakkerij werd Annie niet verplicht om te  helpen maar ze deed het wel. “Helpen in de bakkerij was mijn hobby, ik was dan een manusje van alles. Jodenkoeken inpakken, bolders draaien voor beschuiten van alles deed ik. En rond Sinterklaas maakte ik altijd chocoladeletters, dan mocht ik de chocola roeren en in de vormen gieten. Ik hield ervan te helpen en was altijd druk in de weer tot ik zelf als dienstbode ging werken.”
Bakken is altijd een hobby gebleven van Annie, jarenlang bakte ze met verjaardagen zelf taart.

“Gym was mijn alles”
Annie was een sportieve meid, zo zat ze bij wandelclub ‘de Haringstappers’ en deed ze een tijdje aan steenwerpen. Bij het spel steenwerpen stond er een paaltje op een rubber mat en dan werd er van een afstand geprobeerd om het paaltje met een steen om te gooien. Maar de favoriete sport van Annie was toch wel gymnastiek, ‘gym was mijn alles’. Dit deed ze vanaf 1929 bij de vereniging Vlugheid en Kracht - Willen is Kunnen, die al bijna 125 jaar bestaat. Vlugheid en Kracht besloeg het mannelijke deel van de vereniging en Willen is Kunnen bestond uit de vrouwen.

Annie trainde één keer in de week, soms als er bijna een uitvoering was trainde ze een keertje extra. “De turnfeesten waren zo leuk, we gingen naar kleine dorpjes en dan moesten we daar een uitvoering doen of was er een wedstrijd. Daarna kreeg je vaak een medaille of een getuigschrift dat je het goed had afgelegd.”

De belangrijkste en leukste uitvoering waar Annie en vele andere sportievelingen het meeste naar uitkeken was op hemelvaartsdag, dan was dé Enkhuizer sportdag. Annie vertelt er enthousiast over: “Het was een hele leuke dag, ’s morgens konden we nog even oefenen en daarna begon het spektakel! Er was een optocht waar alle verenigingen uit Enkhuizen in mee liepen, de korfbalvereniging, de voetbalclub,  de atletiekvereniging, muziekkorpsen en natuurlijk Vlugheid en Kracht - Willen is Kunnen. Het stond elk jaar zwart van de mensen, iedereen uit Enkhuizen was aanwezig! We liepen met zijn allen vanaf de Koepoort via de Vijzelstraat naar de Noorderweg en dan naar het sportterrein. De hele middag waren er uitvoeringen van de verschillende verenigingen, wij deden bijvoorbeeld met de hele groep een vrije- of een knotsoefening en daarna de vaandelgroet. De dag eindigde altijd met een voetbalwedstrijd. Er was in Enkhuizen toen nog niet zoveel te doen als nu, dus hier keek je het hele jaar naar uit.”

Annie heeft een hele leuke tijd gehad bij de vereniging en ze denkt er met veel plezier aan terug. “Ik ben altijd bij de gym geweest, vanaf mijn zesde tot in dit huis. Pas twee jaar terug ben ik gestopt omdat het helaas niet meer gaat.”

150 lange jaren

Annie trouwde met één van de jongens van Koolhaas, van de welbekende groentewinkel. Ze woonden 47 jaar aan de Molenweg, vanaf daar keek Annie zo uit op de groentetuinen, waar nu het Albert Heijnplein zit. “Ik kon ze altijd zien werken, ze verbouwden wortels, bloemkool, andijvie en nog veel meer. Mijn man ging met alle groente naar de veiling in Blokker, hij heeft jaren voor zijn ouders gewerkt.”

Annie vertelt dat er altijd hard gewerkt werd door de familie Koolhaas en dat de winkel lang bestond. Ze weet nog dat bij het 150 jaar bestaan van de winkel het hele huis vol met bloemen stond. Er was een vers gemaakt dat Annie zich nog goed herinnert, ze zingt zachtjes: “150 lange jaren, Koolhaas verse groentewaren, gingen door het haringstadje heen en dat is toch werkelijk fenomeen.”

Iris Vinkenborg

Met dank aan mevrouw Koolhaas-Vorst




\.
Bron: Oud Enkhuizen
Harm Willems is geboren en getogen in de Boerenhoek. Inmiddels is hij 83 en woont hij hier nog steeds, in de Davidstraat. Harm groeide op in een echt arbeidersgezin. Hij is gek op zijn stadje Enkhuizen, als er familie en kennissen op bezoek komen laat hij hen zijn favoriete deel zien, “dit is de Boerenhoek en ik ben er trots op”.

Kloeten in de polder
Volgens Harm is het moeilijk om je voor te stellen hoe het vroeger was in Enkhuizen. Vooral voor jongeren is het moeilijk, de stad en het leven waren heel anders.
“Binnen de vestingwallen stonden de huizen. Als je op de vesting stond, zag je de tuinderijen in de polder, allemaal stukken land doorkruist met slootjes. De tuinders woonden binnen de wallen, met naast hun huis hun boot en een schuur voor de opslag van tulpen en bollen. Via de bekende poortjes in de vesting, de Oude Gouwsboom en de Boerenboom, gingen alle boeren in bootjes kloetend naar het land.

Sommige stukken land waren wel drie kwartier varen! In Enkhuizen waren een stuk of tien veeboeren, zij hadden koeien op stal in de stad. En als de koeien dan naar het land moesten werden ze op een platte praam gezet, dit was een soort vaartuig waar ongeveer acht koeien in konden als zij kop aan kont stonden. Met twee man, één op de voorkant en één op de achterkant van de praam, werden de koeien naar het land gekloet. De meeste boeren hadden ongeveer tien koeien, dat was toen nog genoeg voor een inkomen.”

Erwten en bonen lezen
In 1929 was de eerste beurskrach en deze had wereldwijd gevolgen en die waren ook in Enkhuizen te merken. Er was hier bijna geen werk meer en het werk dat gedaan moest worden, was voor een “daalder en een brandje” volgens Harm. Maar er werd hard gewerkt in de Boerenhoek.

“We praten nu wel over een crisis, maar toen was het zoveel erger. Mijn vader was meestal werkloos en dan kreeg je negen gulden steun van de overheid. In de rooierstijd werkte je van vijf uur ’s morgens tot zes uur ’s avonds bij een tulpenboer. Dan verdiende je zo’n 27 gulden, dat was een kapitaal! In andere tijden verdiende je zo’n veertien gulden per week. In de winter konden we van dat beetje geld net wat te eten kopen, maar als mijn schoenen kapot gingen moesten deze toch gemaakt worden. Mijn vader kon de schoenenmaker niet in één keer betalen, dus moest ik elke week twee kwartjes brengen om de ‘schuld’ af te lossen.”  

“Wij waren nog kinderen maar wij hielpen mee om de moeilijke tijd door te komen. Op zaterdagmiddag mocht ik voetballen, maar de andere dagen na schooltijd moest ik ‘erwten en bonen lezen’. De firma Sluis en Groot bracht een grote zak met bonen of erwten bij ons thuis, vervolgens haalde moeder de tafel leeg en gooide de inhoud van de zakken hierop. Wij moesten de slechte bonen eruit zoeken, op deze manier werd er wat extra verdiend. Mijn moeder was een ongeletterde vrouw, zo noemden wij dat, maar zij heeft ons gezin zonder schulden door die vreselijke tijd gebracht en daar ben ik haar ontzettend dankbaar voor.”

Van klas naar baas
“Op 1 april was op school altijd de wisseling van klassen, je ging bijvoorbeeld van de eerste naar de tweede klas. Op 1 april 1941 had ik geen juf of meester meer, maar een baas. Er was geen geld om door te leren dus ik moest gaan werken. Als 14-jarig jochie maakte ik werkweken van 60 uur, van maandag tot en met zaterdag van zes tot zes. In zo’n week verdiende ik 3 gulden vijftig. En vakantie had ik ook, welgeteld 1 dag per jaar met harddraverijdag!”
 
“Op het land was je altijd landarbeider, hier kreeg je het minst betaald en het was de laagste graad van degene die werkten. In die tijd werd al het werk nog met het lichaam gedaan, aardappelen pootten, tulpen koppen alles ging met de hand. Ik ben wel eens met een kromme rug naar huis gegaan nadat ik de hele dag gebukt had gewerkt. Na de oorlog ben ik dan ook op de werf gaan werken, daarna in de papierfabriek en vervolgens 26 jaar bij de Draka.”

Liefde op het land
“Ik werkte bij meneer van der Heijde en die een hele mooie dochter waar ik stapel verliefd op ben geworden. Ze was niet alleen de dochter van mijn baas maar ook nog vier jaar ouder! Er was een feestavond bij West Frisia en toen heb ik haar gevraagd om met me te dansen, zij had geen idee dat ik verdere plannen had. Als jochie had ik nooit verwacht dat ze verliefd op me zou worden, maar ze werd het wel. Ik heb het nooit begrepen, maar ik was er wel heel erg blij mee!”
Aan al het harde werken heeft Harm dus wel iets heel erg moois overgehouden.

Iris Vinkenborg

Met dank aan meneer Willems

\.
Mevrouw Blom is een echte doorgewinterde Enkhuizer, ze woont hier al bijna 89 jaar. Ze werd geboren vlakbij de vuurtoren, haar jeugd bracht zij door op het Spaansch Leger. Hier hadden haar ouders een slagerij, Broekhuizen. Toen ze trouwde heeft ze een tijdje in Wognum gewoond maar kwam al snel terug naar Enkhuizen en betrok samen met haar man een huisje in de Vijzelstraat. Vervolgens heeft ze met haar gezin 55 jaar op de Nannegrootstraat gewoond. In haar kamer in Westerhof deelt ze mooie en spannende herinneringen aan Enkhuizen.

Ten dans gevraagd in de Doele of Kolfbaan
In de slagerij helpen deed mevrouw Blom niet vaak, dit vond ze niet zo leuk. Wel nam ze op 13-jarige leeftijd het hele huishouden op zich toen haar moeder ziek werd. Dit was in die tijd heel normaal. Ze zorgde ook voor haar zusje en drie broertjes, toch heeft ze een hele fijne jeugd gehad.

 “Vroeger had je zo’n 35 cent per week om uit te geven. Dan ging je om de zaterdagavond dansen in de Kolfbaan of in de Doele op het Spaansch Leger. En dat was niet dansen zoals ze tegenwoordig doen, nee dan dansten we de Quickstep of de Slowfox. Je werd dan door een jongen gevraagd om te dansen, dat was wel spannend! Na een tijdje wisten we natuurlijk precies welke jongens wel aardig konden dansen en welke niet. Je wilde natuurlijk dat die ene speciale jongen je zou vragen. Aan het einde van de avond hoopte je dat je een vriendje had die je naar huis kon brengen. Die jongens hadden ook weinig geld, ze konden je niet op een pilsje trakteren. We hadden zoveel schik om zo weinig.”

“Dat dansen dat kon je natuurlijk niet zomaar, daarvoor moest je eerst op dansles. Deze werden gegeven op het Verlaat bij juffrouw Schoenmaker. Tijdens de lessen werd de muziek verzorgd door een piano, saxofoon en een drum. Eigenlijk was dat gewoon een heel bandje! De danslessen of het dansen op zaterdagavond kostte 25 cent, dus had je nog 10 cent over. En dan moest je kiezen wat je daarmee zou doen, een kroket halen bij Slager Botman of toch een gebakje? En dat was al je  geld voor die week dus konden we daarna niks meer doen. Dan liepen we met vriendinnen op en neer door de Westerstraat en stonden we daar te praten of we liepen naar de haven en dan kletsten we daar verder. Eigenlijk waren wij toen al een soort hangjongeren! Alleen haalden wij geen rottigheid uit, we hadden geen geld voor rottigheid”..

Daar keek je het hele jaar naar uit!
Glunderend bij al deze herinneringen kijkt mevrouw Blom voor zich uit en blijft even stil voor zij weer verder vertelt. “Wat ook altijd leuk was, was de kermis. Daar keek je het hele jaar naar uit. De kermis was veel groter dan nu, hij stond verspreid over het hele Verlaat en de Noorderhavendijk. Op het Spaansleger en Sijbrandsplein stonden de auto’s. In de Nieuwstraat stonden tenten met bijvoorbeeld de dikste vrouw of een varken met twee hoofden. Je had toentertijd weinig geld dus je moest goed kiezen in welke attractie je ging. Vaak ging ik met mijn vader in de schommelschuit en dan kijken wie het hoogste kwam. Om de draaimolen, waar de kinderen in zaten, stonden tafeltjes waar de ouders een biertje dronken. In de Kolfbaan en in de Oranjezaal was er tijdens de kermis altijd feest."

De ogen van mevrouw Blom lichten op en ze begint weer te vertellen. “En niet te vergeten, de muziektent! Als er een concert werd gegeven stonden de mensen op straat te luisteren naar de muziek. Dat was hartstikke gezellig. Toen werd er ook niet vervelend gedaan door jongeren en als er eentje vervelend deed, werd deze gelijk bij zijn lurven gegrepen hoor. Het was een leuke, andere tijd. Dat is nu bijna niet meer voorstellen hoe dat was.”

Mevrouw Blom is diep in gedachten verzonken bij deze mooie herinneringen. Om de vraag of ze samen met haar man ging dansen moet ze lachen. “Hij danste nooit. We hebben wel samen privé-lessen gehad, maar hij vond er niks aan! Ook zei hij dat zijn schoenen ervan sleten. Maar als ik dan met een andere man ging dansen, was hij wel een beetje jaloers! Hij had totaal geen ritmegevoel. Één keer zag ik hem met een rotgang naar de wc rennen, omdat er mensen begonnen met de polonaise. Hij was als de dood dat hij mee moest doen."

Iris Vinkenborg

Met dank aan mevrouw Blom


Mevrouw Visser woont al 65 jaar in Enkhuizen, nu in de Westerstraat vlakbij Westerhof. Ze heeft het hier ontzettend naar haar zin. Haar jeugd bracht zij door bij haar ouders in Andijk, tot ze 1945 trouwt en verhuist naar Enkhuizen. Haar man had daar een vis groothandel en dat waren drukke tijden.

Meneer Visser kocht de vis in om vervolgens weer door te verkopen. Ook zorgde hij voor het verdere vervoer, in sinaasappelkistjes ging de vis naar bijvoorbeeld Ijmuiden en zelfs naar Engeland.  “Die kistjes kon mijn man goedkoop krijgen, omdat deze anders toch werden weggegooid”. In het Waaigat stond een groot pakhuis waar de vis werd opgeslagen, tegenwoordig staan deze op de Wierdijk.

Mevrouw Visser bleef de hele dag thuis bij de telefoon en had contact met Scheveningen radio, op deze manier hielp zij mee in de zaak. Schevingen radio was het Nederlandse radio station voor communicatie met schepen. Mevrouw Visser kreeg een melding wanneer er ergens een boot met vis binnen kwam. “Het waren drukke tijden, ik zat de hele dag bij de telefoon en kon niet weg. Zelfs toen mijn eerste kindje net geboren was, belde de visafslag dat mijn man moest komen. Mijn man zei later eens dat ik wel voor drie heb gewerkt. Één keer ben ik weggaan van de telefoon. Een zieke buurvrouw moest naar het ziekenhuis en ik ging met haar mee. Scheveningen belde dat er een auto naar Harlingen toe moest en dat ging dus mis. Mijn man is inmiddels overleden maar heeft dit nooit geweten!”
Bij het pakhuis was ook een visrokerij, hier werkte meneer Overweel. Tijdens de oorlog woonde meneer Overweel door het woningtekort achter het pakhuis in een oude treinwagon. Overweel heeft tegenwoordig een visrokerij aan het Westeinde.

Vitrages van verbandrolletjes

Tijdens de oorlog kwamen de pakhuizen van pas. In de kelder had de vader van meneer Visser stiekem varkens verstopt. Slager Bokma slachtte de varkens en zo was er wat eten extra. Door de oorlog werd het huwelijk van meneer en mevrouw Visser uitgesteld. “ Eigenlijk zouden we in 1944 al trouwen. Ik ging vlak voor D-day naar Enkhuizen om in ondertrouw te gaan, maar we moesten wachten tot de oorlog voorbij was. In het voor ons bestemde huisje aan Brugstraat 3, zaten evacués uit Den Helder. Tijdens het bombardement verloor het huis zijn dak en ramen. En toen we na de oorlog wilden trouwen kon het niet vanwege het woningtekort. Via boeren heeft mijn man ramen en dakpannen geregeld voor ons huisje aan de Brugstraat 3, zodat we daar konden wonen. Ook kreeg ik ‘vitrages’, geen echte hoor, maar het waren rolletjes verband die zigzag aan elkaar waren genaaid! Maar de hele buurt was onder de indruk en ik was er zo blij mee. Ja, de oorlog was beroerd, maar ik was wel dankbaar voor wat ik had. En dat ben ik nu nog steeds.”

Het werk ging gewoon door
Er op uit ging de familie Visser niet vaak. “In Enkhuizen was een bioscoop maar daar mochten wij niet naar toe van de kerk. Ik weet nog dat ik tijdens de festiviteiten vanwege 600 jaar Enkhuizen graag wilde varen met de Hovercraft. Dat was toentertijd een heel spektakel! Maar mijn man vond dit geen goed idee. Ik ben dan ook niet gaan varen op de hovercraft en wat denk je? De hovercraft ging de haven uit en toen werd er alarm geslagen! De boot was vermoedelijk lek! Ik heb weinig meegemaakt van de festiviteiten tijdens 600 jaar Enkhuizen, het werk ging gewoon door.” Op zondag gingen meneer en mevrouw Visser wel vaak wandelen in het park. Daar keken zij naar de aapjes en de vogelkooi. Mevrouw Visser vond dit vroeger één van de mooiste plekken in Enkhuizen. Tegenwoordig wandelt zij graag over de Vest en door het plantsoen.

Iris Vinkenborg

Met dank aan mevrouw Visser

\.

Toen op 1 januari 1917 de Kennemer Elektriciteits-Maatschappij werd overgenomen door het Provinciaal Electriciteitsbedrijf van Noord-Holland (P.E.N) waren er nog maar weinig gebruikers aangesloten op het elektriciteitsnet. In die dagen was het publiek zich er nog niet van bewust wat de mogelijkheden van elektriciteit waren. Maar hier kwam in de loop van de tijd verandering in.

Op vijf februari 1940 sloot het P.E.N. de 100.000ste klant aan op zijn elektriciteitsnet. Dit waren de heer en mevrouw Loots, wonend aan de Oosterhavenstraat 46 te Enkhuizen. Voor het P.E.N. was deze 100.000ste klant van zeer bijzondere waarde en dit lieten zij niet onopgemerkt voorbij gaan.

Een fotograaf werd naar de Oosterhavenstraat gestuurd om wat plaatjes te schieten van deze bijzondere klant. De foto’s werden samen met een artikel geplaatst in Alles Electrisch! In huis en bedrijf,  het tijdschrift voor de stroomverbruikers van het Provinciaal Elektriciteitsbedrijf van Noord-Holland.

De fotograaf trof mevrouw Loots in de huiskamer aan. “Het eten staat op het elektrisch fornuis en kan dus niet aanbranden, zodat ik de gelegenheid heb om met u te babbelen, terwijl u dan een foto kunt maken” meldt mevrouw Loots. Tegen etenstijd kwam de heer des huizes van zijn werkzaamheden thuis om zijn elektrisch bereide maal te nuttigen. Een goede aanleiding voor de fotograaf om van de heer Loots ook een foto te maken.

In mei 1940 waren 2409 woningen in Enkhuizen aangesloten bij het P.E.N. Bij 318 gezinnen werd het eten op elektrische wijze bereid. Dit aantal vond het P.E.N niet groot genoeg. Een stukje reclame is dan ook verstopt in het artikel: “Inwoners van deze gemeente, die nadere inlichtingen over deze kookmethode wenschen te ontvangen, kunnen zich daartoe tot hun installateur wenden of schriftelijk tot ons hoofdkantoor te Bloemendaal”. Op naar de 200.000 leden!


Iris Vinkenborg

Met dank aan mevrouw Kok-Loots


\.
v.l.n.r.: Achterste rij, oudste kinderen: Veronica, Jan, Koos en Maria. Middelste rij: Jeanne, Barbara (Bob), Piet, Bernard, Herman en Annie. Voorste rij: moeder, Leo, Frans, vader, Alida en Adriaan.
Ze ging haar eigen weg. Ze was stapel op die ene jongen en niets hoefde dat in de weg te staan. Maar toch was het allemaal niet zo makkelijk als dat klinkt. Het gezegde luidt niet voor niets ‘Twee geloven op één kussen, daar slaapt de duivel tussen.’ Maar het grootste probleem in dit geval was toch de familie die moeite had het te accepteren.

Bob (Barbara) Fluitman krijgt in 1939 verkering met de protestantse Maarten Bakker. Dit zorgde voor spanningen binnen het katholieke gezin. Ze leerde elkaar kennen op het officiersbal in de Oude Doelen op het Spaansleger. Haar vader, Meester Fluitman, had hier kaartjes voor gekregen en gaf deze aan zijn kinderen. Daar danste ze voor het eerst met Maarten en sloeg de vonk over. Ze had ‘t, zoals ze het zelf zegt, meteen flink te pakken.

Vele pogingen tot bekering
Toen bekend werd dat ze voor een protestant was gevallen werden alle mogelijke pogingen gedaan om de jonge Bob weer te bekeren. Paters en pastoors komen langs om haar met preken terug te krijgen bij het katholieke geloof. Het grootste probleem was namelijk niet die jongen zelf, maar het verloren gaan van haar ziel.

Om te ontkomen aan de spanningen en de diverse preken die ze kreeg, gaat ze op haar twintigste het huis uit. Ze verblijft bij verschillende familieleden van haar toekomstige man, onder andere bij een tante van hem in Heemstede.

Haar zus zorgt er nog wel voor dat ze naar een retraite gaat in Rotterdam. Daar doen ze een week lang hun best om haar tot inkeer te brengen. “Dat was speciaal voor meisjes die iets met een protestantse jongen hadden. Ik ging als laatste de deur uit aan het einde van de week. Ze waren allemaal bekeerd, die meiden, en ik als vagebond niet. Tot de voordeur heeft de pater het geprobeerd. Tot ik zei dat ik moest gaan, want ik moest met een tram van Rotterdam naar Heemstede. Pater Tesser was zelf ook jong, en hem had ik de hele week naast me gehad. Hij had een kijkje op me, dat zei mijn man later ook voor de grap, toen hij een foto van die week zag.” 

Rebel Fluitman
“Als ik er nu aan terugdenk, was ik toch wel een stouterd hoor, dat ik dat allemaal maar durfde! Terwijl ik alles tegen me had. Ook zijn familie vond het niet leuk hoor. Ze waren bang dat ik mijn katholicisme door zou zetten, en dat een zekere familie Bakker de katholieke familie Bakker zou worden. Maar dat is niet zo gegaan.”

Ze had wel door dat ze haar ouders er veel verdriet mee deed. En ze geeft ook toe dat ze daar wel last van had. Maar ze heeft dat nu meer dan toen. Vroeger dacht ze toch vaak, wat kan mij het schelen.  “Ik was de zogenaamde rebel van de familie, mooi hé, rebel Fluitman zeiden de mensen over mij.” Mevrouw Bakker-Fluitman glundert bij de gedachte daaraan.

De paus van Enkhuizen
Meester Fluitman was een vooraanstaand persoon in Enkhuizen. Op de vraag of hij werd aangesproken op het feit dat zijn dochter haar geloof liet vallen antwoord ze resoluut nee. “Mijn vader was echt iemand, niemand die mijn vader erop aansprak. Ze zullen misschien gezegd hebben dat ze het jammer vonden voor hem, maar niet verwijtend, daar was hij veel te eerlijk voor. Dat dorste ze niet aan! De paus van Enkhuizen, zeiden ze wel eens over mijn vader. Mooi hé, ik vind dat leuk. Het was ook een leuke man en mijn moeder was een leuke vrouw, we hadden een leuk gezin.”

Niet boos maar wel afstand
Haar moeder kon slecht met haar dochters keuze omgaan. “Mijn moeder zal onze lieve Heer wel van het kruis gebeden hebben, maar dat heeft niet geholpen. Ik heb mijn eigen weg gezocht. Mijn kinderen zijn ook niet gedoopt en dat was in die tijd ondenkbaar. Vroeger werd het kind, amper geboren bij wijze van spreken, zo snel mogelijk naar de kerk gebracht en gedoopt. Want als het pasgeboren kindje ongedoopt zou overlijden kwam het in het voorgeborchte van de hel. Maar ik had een helder verstand, ik dacht, onze lieve Heer stuurt toch niet zomaar een pasgeboren kindje naar de hel. Maar die gekke verhalen bestonden allemaal, of dat maakte de mens ervan. Zij hebben er allemaal hun eigen draai aan gegeven. En nu ben ik blij dat ik dat toen al goed heb gezien.”

Haar broers en zussen waren niet kwaad op Bob maar bemoeide zich ook niet meer met haar. Net als andere mensen die ze tegenkwam in Enkhuizen. “De katholieken draaiden hun hoofd om, zo erg was het. Maar het kon me niks schelen, gek is dat toch. Ik bedenk me nu nog wel eens dat ik toch erg gek op hem moest zijn geweest. En hij op mij, want hij moest ook veel veranderen.”

Ze waren stapel op hem, dat was het probleem niet!
Uiteindelijk is Maarten Bakker wel in de familie opgenomen. Ze waren zelfs stapel op hem, dat was het probleem niet. “We hebben later samen gezongen op bruiloften en partijen. Maarten kon aardig zingen, ik ook wel, maar ik zong altijd een beetje zachter omdat hij zo mooi zong. Een prachtige tenor. Mijn broer zat achter de piano en riep dan naar mijn man ‘Maarten! De hoge B’ of zoiets. Ook zongen we het duet van de parelvissers. Dan liet ik hem er mooi bovenuit komen, dat vonden ze prachtig bij mij thuis. Ze waren echt gek op hem hoor.”

Dat had natuurlijk wel wat tijd nodig. In eerste instantie wilde haar zus Jeanne niet eens bij haar binnen komen. “Zij kwam bij mij aan de deur, maar bleef wel buiten staan. Ze ging niet naar binnen bij een protestants huis. Als we dan een tijdje stonden te kletsen, zei ze dat ik weer thuis moest komen. Omdat moeder er zo’n last van had. Op een gegeven moment kwam mijn man ook naar de deur. Die zei dan tegen Jeanne dat ze binnen moest komen en anders weg moest gaan, want je bleef niet aan de deur praten. Heel gewoon en netjes hoor, hij bleef een echte heer en daar hou ik ook van. Maar dan ging ze weg, ze kwam niet binnen. Later gelukkig wel.”

De acceptatie van de familie kwam natuurlijk ook door de houding van Bob en haar man. Ze gingen overal mee naar toe, ook als iemand 25 jaar getrouwd was kwamen ze naar de kerk, want daar werd dan een mis voor het bruidspaar gehouden. Ze ging alleen niet meer te communie. Familie zei wel dat het mocht, maar Bob voelde daar niks meer voor en was wat dat betreft ook heel consequent.

Wat bob niet eerlijk vindt is dat haar man overleed toen hij nog maar 64 jaar was. “Terwijl zijn vader 94 was geworden. Dat vond ik niet eerlijk van onze lieve Heer. Mijn man was veel aardiger dan zijn vader, want die was heel streng. Ik kon het niet hebben dat ‘bollenpiet’, zoals ze hem noemde, niet aardig was tegen zijn dochters en enige zoon waar ik zo stapel op was." Met haar 90 jaar is ze de laatste Fluitman uit het gezin van 15 kinderen. "Ik heb alleen nog twee schoonzussen, daar heb ik ook nog contact mee. Het zij zo, ik ben dankbaar voor wat ik nog kan."


Carina Jonker

Met dank aan mevrouw Bakker-Fluitman

Resultaten:1 - 10 van 36
Volg ons via RSS
Volg ons op Twitter
Volg ons op Facebook
Volg ons op Youtube