Deze website maakt gebruik van cookies. Klik hier voor meer informatie.      Sluiten
 

Artikelen van Jan de Boer

Artikelen van: Jan de Boer
Laatst geplaatste artikel: woensdag 26 oktober 2011
Totaal aantal artikelen: 7
Trien Bakker, enkele korte herinneringen.
 
Het was volgens mij kort na de oorlog, mogelijk in 1947, dat er bij Trien was ingebroken.
Via de zijgevel en de openslaande deuren van het atelier waren de daders binnen gekomen.
Er was een ruit van een van de deuren stuk geslagen, waarna men de deuren kon open maken.
De daders hadden foto apparatuur meegenomen en zijn ongehinderd vertrokken. Er was wel een sterk vermoeden wie de daders waren, maar er was onvoldoende bewijs.
Trien zat met het probleem van het glas welke was stuk geslagen en vroeg de schilder Kees Jelles dit te repareren. Kees kwam en ging aan het werk, tussen de zware begroeiing en op het vochtige terrein. Na enige tijd kwam Kees mopperend in de werkplaats van het aannemersbedrijf aan de overkant van de weg (Bruinsma & Gebr. de Boer) en vertelde dat hij met zijn voet in een gat met stront was gestapt, waar hij tot boven zijn enkel was ingezakt. De riolering van Trien werkte niet meer en daarom werden de uitwerpselen maar buiten begraven. Nadat Kees zijn voet had gereinigd en een stuk plank had meegenomen om over het gat te leggen is de reparatie alsnog uitgevoerd.
                                                      ------------------------
Trien kwam bijna iedere dag bij ons in de werkplaats, met een grote jute zak en maakte deze vol met snippers hout en mot van de schaafmachine. Ze gebruikte dit voor de kippen, stookte het op in haar kachel en in de zomer legde ze een voorraad aan voor de winter. De voorraad sloeg ze op onder de vloer van haar atelier. Je kunt wel zeggen ze was als kind aan huis in de werkplaats.
Op een dag kwam Trien met een fles wijn bij ons en vroeg aan de aanwezig zijnde mensen of ze een beker wijn wilden. Trien was zelf nogal vervuild en de fles en haar bekers niet minder.
De mensen die aanwezig waren bedankten bijna allemaal en zeiden dat ze tijdens hun werk geen wijn mochten drinken.Trien zei op zeker moment: ja jullie zijn zeker vies van mij.
Onze voorman Egbert Belier nam wel een beker met wijn, maar toen ze even werd afgeleid gooide hij de wijn in een hoop zaagsel. Daarna zei hij tegen Trien dat hij het lekker vond en nam nog een beker waar het zelfde mee gebeurde.
Toch heb ik nooit de indruk gehad dat Trien op een of andere manier werd geplaagd of voor de gek gehouden, ze was vriendelijk en wilde graag een praatje.
                                                        ---------------------
In 1957 werkte mijn tegenwoordige vrouw, tijdelijk bij Wouter Ruiter van de Hollandse Bazaar in de Westerstraat.Trien Bakker kwam daar ook wel eens en volgens mijn vrouw ging ze dan met haar achterste op de toonbank zitten en deed een verhaal over potjes wrijfwas die ze wilde kopen. Deze potjes maakte ze thuis leeg en daarna vulde ze deze met zelfgemaakte zalf.
Uit eigen ervaring weet ik dat Trien o.a. brandzalf verkocht, dat deze goed hielp bij brandwonden en dat er geen zweren kwamen. De zalf rook niet onaangenaam en was korrelig en wit van kleur. Zo had ze ook nog andere zalfjes en drankjes. In die tijd had je vaker een brandwond vanwege de gestookte kachels, dus afname was er wel.
Nadat Trien uit de winkel was vertrokken, werd de omgeving waar ze was geweest, ruim met eau de cologne besproeid om de onaangename geur weg te nemen.                                                
                                                        --------------------
Halfweg de jaren vijftig ben ik Trien uit het oog verloren, omdat ik in militaire dienst moest.
Ik heb nog wel meegemaakt dat Trien een keer naar buiten kwam en dat ze niet goed was, naar mijn mening iets wat op een hersenbloeding leek. Ik ondersteunde haar, want ze wilde naar de familie Kofman die naast haar woonde en haar wel meer hielp. Later heb ik haar nog wel eens gezien en was ze redelijk hersteld.  
 
J. de Boer uit Woudsend.                                                                                                               

In Ede gewoond vóór 1940.
 
In 1939 hebben we ongeveer een half jaar in Ede gewoond, omdat het bedrijf van mijn vader en compagnons, destijds Bruinsma & Gebr. De Boer, daar een gebouw voor defensie moesten bouwen. Dit was naar ik weet een opleidingsschool voor reserve officieren.
Wat ik van deze periode weet is, dat we vanuit de Kruislaan in Enkhuizen gingen verhuizen, met een vrachtauto van Gebr. Roosendaal van het Verlaat. Een oplegger met een dubbele cabine. We zaten achterin de dubbele cabine met naar ik me kan herinneren zus Tjitske, broer Piet ikzelf en onze kat in een doosje of kistje, die in het begin onderweg erg miauwde. Dikke Klaas Roosendaal zat aan het stuur. De rest van het gezin ging met mijn vader in de personenauto ( Chevrolet 1935 ). Het was een lange reis, want er waren nog geen snelwegen, maar ik had veel te zien. In Ede aangekomen werd de verhuiswagen leeggehaald en begon ik het huis en de tuin te bekijken. We woonden op een hoek in een niet te grote woning, in mijn herinnering was dit een soort Patromonium woning.
Het adres heb ik altijd onthouden, dit was Brink no. 1. De tuin was voor mij prachtig, want in de Kruislaan hadden we maar een kleine tuin. Hier liep de tuin doordat de woning op een hoek stond met de weg mee, alles was gras met enkele bomen en een zandbak. In deze zandbak heb ik met een vriendinnetje vele uren doorgebracht.
Ik was niet op een school, maar de rest van de kinderen uit het gezin waren op een school met een groot plein  en een hoog stalen hek er omheen. Soms ging ik met mijn moeder de zusters en broer wel eens ophalen. ’s Zondags gingen we met mijn vader wel eens in het bos wandelen en kwamen dan ook langs een kazerne waar de soldaten waren gelegerd. Ik herinner me nog dat deze soldaten vaak op paarden reden en dan riepen ze wel eens tegen mijn vader: ha de Boer! Dit vond ik machtig. Wat ik in Ede als kind zo vreemd vond, was dat er vaak geen trottoirs waren en dat was ik vanuit Enkhuizen niet gewend. Er was een familie de Bruine waar we wel eens kwamen en waar mijn ouders na de oorlog nog regelmatig contact mee hadden. Er was geen man in dit gezin, die was vroeg overleden. Wel was er een dochter en een zoon. De zoon was vlak na de oorlog omgekomen door een granaat waar hij mee in aanraking was gekomen, hier ben ik achtergekomen toen wij na de oorlog daar een dagje waren met mijn ouders zus Corrie en broer Piet. Toen ik met broer Piet even op de heide was vonden we onder een dennenboompje een granaat, gelukkig hebben we hier niet te veel aangezeten, maar toen we het thuis bij de familie vertelden, schrokken ze erg en kregen we het verhaal over de verongelukte zoon te horen en moesten we vertellen waar de granaat lag.
We sliepen als kind op een zolder en weet nog dat ik op een matras op de vloer lag, want alles was tijdelijk en de woning dus eenvoudig ingericht. Waarschijnlijk lag er ook geen vloerbedekking want als ik ’s avonds op bed lag kon ik door een naad in de vloer naar beneden kijken.
Verder kan ik me van die tijd weinig meer herinneren, maar vlak voor het uitbreken van de oorlog waren we weer in Enkhuizen. Ik had lange tijd de gedachte dat we later weer naar Ede zouden gaan en weet nog dat ik vele malen aan mijn ouders vroeg wanneer we weer naar Ede gingen. Natuurlijk was daar geen sprake van, maar ik had lange tijd de gedachte dat we wel terug zouden gaan en vertelde dit dan aan mijn vriendjes.
 
 
 
 
 
 
 
 
Diverse herinneringen, als kind in de oorlog van 1940 – 1945.
 
Vlak voordat de oorlog uitbrak waren er veel militairen in Enkhuizen gelegerd en wel in de betonningsmagazijnen aan de Breedstraat. Kennelijk waren onder deze militairen nogal wat bekenden van mijn ouders want er kwamen regelmatig vele van hen bij ons op bezoek. Mogelijk ook nog bekenden uit Ede.
Het uitbreken van de oorlog kan ik me nog goed herinneren omdat ’s nachts de kerkklokken begonnen te luiden. Ik sliep op de voorkamer in de Kruislaan, mijn ouders kwamen op mijn kamer en mijn moeder vroeg aan mijn vader: wat is er aan de hand, mijn vader antwoordde er is oorlog en ik hoorde mijn moeder meerdere malen uitroepen; oorlog, oorlog, oorlog ….!
Ik weet niet of het de volgende dag al was maar we gingen bij de haven kijken, want er was een armada van schepen in aantocht, dit was een imponerend gezicht. Later bleek dat dit vissersboten e.d. uit Spakenburg en omstreken waren met evacués aan boord. De straten van Enkhuizen waren vol met mensen en ik weet nog dat er veel rommel op de straten lag, van de mensen die op straat liepen te eten. Bij ons werd een oudere man ondergebracht met de naam Muis uit Spakenburg, we noemden hem opa Muis. Zijn zoon en schoondochter Lambert en Peetje waren bij mijn oom Jan en tante Corrie ondergebracht, maar ook deze kwamen regelmatig bij ons eten. Opa muis droeg altijd een zwarte bolhoed en sliep daarmee over zijn ogen. Als hij zijn bord leeg had, maakte hij dit bord heel erg schoon met zijn vork, het leek wel of het bord zo de kast in moest. De evacués zijn zeker enige weken in Enkhuizen gebleven, tot na de capitulatie. Later stuurden we nog regelmatig een kaart naar de familie Muis.
De eerste jaren van de oorlog zijn voor ons redelijk rustig verlopen, alleen de eerste bommen op Enkhuizen vielen op een mooie zondag omstreeks 1 uur in de middag. Ik kwam net uit zondagsschool en daarom is het me zo bijgebleven.( later heb ik vernomen 6 okt.1940). Er waren enige huizen geraakt en een man was omgekomen, verder was er veel schade aan andere huizen. De woning was in de Tuinstraat en dat is weer dicht bij de Snouckstraat waar we in het begin van ons trouwen hebben gewoond. Het was eerst onduidelijk door wie er gebombardeerd was, dus of het Duitsers of Engelsen waren.
Later is gebleken dat het Engelse vliegtuigen waren, en dat hun doel schepen in de haven was.
Korte tijd later ben ik met mijn broer ter plekke geweest, maar kon niet goed begrijpen wat er allemaal was gebeurd en het drong later pas, langzaam tot me door wat een bombardement was.
De eerste dagen van de oorlog mocht ik niet bij de haven komen, hadden mijn ouders gezegd, er waren schepen gezonken, en het was daar te gevaarlijk.
We gingen later veel naar de haven, want daar lagen veel militaire schepen en daarbij was voor ons altijd veel te zien. De daar aanwezige militairen waren vriendelijk en vonden kinderen wel leuk. Alles werd wel schaars, maar dat ging voor ons als kind geleidelijk. Vooral later in de oorlog had je in de gaten dat je ouders eigenlijk altijd bezig waren om aan eten te komen voor een gezin met vijf kinderen. Mijn vader sleepte altijd met grote juten zakken vol met bruine bonen, winterwortels en als het mogelijk was tarwe. Vlees was niet verkrijgbaar en jus werd dan ook gemaakt van een beetje gebrande tarwe in wat schaarse olie en water. Brood werd zelf gebakken als er tarwe was in de door mijn vader gemetselde oven in de keuken of een klein plaatstalen oventje die boven op de kachel stond en door de warmte van de kachel werd verwarmd. De tarwe werd door de molen in Broekerhaven gemalen en later zelfs met een handkoffiemolen, dit vergde heel veel tijd om de hoeveelheid meel voor een brood te malen. Vooral het laatste jaar in de oorlog was er ook haast geen tarwe meer. De olie werd door mijn vader en oom soms clandestien gedraaid van blauwmaanzaad, maar vaak werd men gesnapt.
Mijn moeder ging wel eens op de fiets met tuinslang of houten banden om de wielen, naar Oosterleek, waar ze bij bekenden probeerde wat melk te krijgen, maar dan kwam ze thuis met twee flessen wei. Ook mocht ze op het land wel eens korenaren zoeken na het maaien, zodat we weer een zeer kleine hoeveelheid tarwe hadden.
Later werd suiker en stroop gemaakt van voederbieten. De bieten werden aan stukjes gesneden en in een gehakt molen gemalen. Daarna was het langdurig koken totdat er stroop ontstond of nog langer tot iets wat op bruine suiker leek. Langs de ramen stroomde het water van de vele condens die bij het koken ontstond. Er was voor de kachel veel hout nodig want kolen waren er later ook niet meer. Alles wat van hout was, werd als het kon gesloopt voor
brandhout en aan het einde van de oorlog had Enkhuizen haast geen bomen meer.
Als de kachel niet werd gebruikt kookte mijn moeder op een zogenoemd wonderkacheltje. Dit kacheltje stond op de gewone kachel, kon worden gestookt met houtsnippers en er was plaats voor één pan er op.
De gewone kachel was van plaatstaal gemaakt en was voorzien van drie gaten voor de pannen, zodat men de mogelijkheid had om met meer pannen te koken. Zelfs de pannen waren een probleem, want als er gaatjes ontstonden moesten deze worden gedicht met de zogenoemde lekstoppen. Dit waren twee dunne metalen plaatjes met daar tussen twee plaatjes asbest en een boutje er door, de ene helft kwam aan de buitenkant van de pan en de andere aan de binnenkant. Met het boutje werd het daarna vastgeklemd.
Doordat er de laatste maanden alleen maar bonen en bieten waren, aten we drie maal per dag bonen of bonensoep, soms met zelf gemaakte stroop van de bieten erop. Van de bietenpulp maakten mijn zusters wel koekjes, maar erg lekker waren ze niet.
 
Er kwam regelmatig een schoenmaker bij ons thuis, met schoenen. Maar ik vond dat mijn moeder wel eens iets leek te verstoppen en dat ze later naar de voorkamer liep, daar deed ze de kast open en rommelde tussen de lakens die daar lagen.
Toen mijn moeder een keer weg was keek ik tussen de lakens en vond een illegaal blaadje. Ik zei later wat ik had gezien, ze schrok eerst wel even, maar toen vertelde ze me dat ik daar nooit tegen iemand, daar iets over mocht zeggen, omdat zij en mijn vader, anders door de Duitsers zou worden doodgeschoten.
Deze schoenmaker noemde mijn moeder altijd buurman Kooi, terwijl de man op de Oudegracht woonde, dit begreep ik niet helemaal maar misschien was dat weer uit haar jeugd.
Op een dag kwam de schoenmaker weer, het was erg koud en de man ging zich warmen boven de kachel. Op deze kachel stond een grote pan met soep en van de schoenmaker zijn neus kwam een lange straal snot welke in de pan viel.
Alleen mijn moeder en broer waren aanwezig en die hadden het gezien. Ze hebben ‘s avonds niets tegen de rest van het gezin gezegd, alleen hadden ze geen trek en pas de volgende dag hebben ze verteld wat er was gebeurd.
 
In de laatste Oorlogswinter was er ’s morgens soms helemaal niets te eten, dan ging ik vroeg naar de Duitsers toe, die bij het kerkhof, aan het begin van het boslaantje een wachtpost hadden. Hier kreeg ik soms een hard koekje van de noodrantsoenen die ze soms bij zich hadden. De wachtpost diende om een kraaiennest te bewaken, die boven de bomen kwam als uitzichtpost. Het was een lange stalen mast waar een rond platform, bij omhoog kon gaan.
Ze hadden een onderkomen in het toenmalige Herfstzon. Hier waren ook de officieren die ons soms luid schreeuwend wegjaagden, maar enige tijd later waren we er weer. Er was een wachtlokaal van ronde houten stammen, half in de grond en half boven de grond, aan het begin van het boslaantje.
De wachten vonden het wel leuk en maakten een praatje met ons. Ze demonstreerden ons hoe je een kogel uit de huls trok en als je daarna het kruit op de grond deed, dan kon je het veilig in de brand steken, het slaghoedje in de huls daar moesten we voorzichtiger mee zijn, want als je daar op sloeg kreeg je als de kogel er af was een knal die een beetje gevaarlijk was.
Later hebben we deze kennis gebruikt om kogels die we vonden te demonteren, het kruit in de brand te steken en later de huls in een bankschroef te zetten, waarna we met een hamer een klap op het slaghoedje gaven en er een luide knal volgde. Dit vergde wel enige handigheid want anders sloeg de hamer door de explosie vanwege de terugslag uit de handen. Dit was natuurlijk niet goed maar wel spannend voor ons.
 
In Enkhuizen was een bedrijf van Gebr. de Hart, omdat er geen vrachtauto’s waren, werden veel materialen per paard en wagen vervoerd. Zo ook voor het aannemersbedrijf van mijn vader en mocht ik regelmatig met één van deze gebroeders de Hart, vaak meerijden en helpen.
Ze hadden de bijnaam de Kloon, waarom weet ik niet. De één woonde op de Dijk en was de vader van Jan de Hart, die bij mij op school zat, de ander was Cor de Hart en woonde op het Handvastwater tegenover de brug bij de Bierstal. De stal voor de paarden en wagens was ook op het Handvastwater richting Oude Gouwsboom. Ik ging wel eens mee naar omliggende dorpen, afval wegbrengen naar de Put bij de Noorderdijk, mocht helpen de paarden verzorgen, hooi opladen van het land, enz. Soms at ik wel eens een stuk lijnkoek voor de paarden op tegen de trek.
Een keer bij dit hooiladen en bij elkaar harken, vond ik een grote patroonband van zware mitrailleurkogels, ik denk dat deze wel een lengte van ongeveer anderhalve meter had. Ik riep de Hart en deze zei tegen mij niets zeggen, houd je stil en gooi hem in de sloot. We waren bij de Immerhorn polder bezig aan de Noorderdijk, dus wel erg dicht bij de Duitsers die daar in de bunker waren gelegerd en vanuit hun koepels alles in de gaten hielden.
Mogelijk was deze patroonband van een neergestort vliegtuig geweest.
 
Op een dag zijn we met een van die Duitsers gaan wandelen over de Noorderdijk. Hij vertelde ons dat hij scherpschutter was en dat hij aan het oostfront was geweest. Ik vroeg aan hem schiet die zeemeeuw die daar vliegt dan eens dood. Nee, antwoordde hij, dat doe ik niet want je mag niet onnodig doden. Wacht maar zei hij, hij laadde zijn geweer door en liep hard de dijk af en tijdens het lopen schoot hij op een houten paal van de elektriciteit draden. Daarna liepen we naar de paal toe en we zagen precies in het midden van de paal een gat van de kogel. Dit maakte een grote indruk op ons. ( ons is meestal ikzelf en Japie Zwier).
 
We speelden veel bij het water aan het IJsselmeer, er was toen nog geen opgespoten land waar nu het recreatiegebied is. Het water liep op veel plaatsen bijna tegen de zeemuur. Zo speelden we een keer in het riet ter hoogte van het kerkhof. Plotseling zagen we iets tussen het riet drijven, ik en Klaas Gorter raakten het voorwerp aan. Hierdoor kwam het voor een groot deel boven het water en schrokken we heel erg, want het bleek een hoofd te zijn. De ogen waren wit als het wit van een ei, het haar hing langs het hoofd en was dun en slijmerig.
We renden snel uit het water en gingen weer richting Noorderweg. Waarschijnlijk heeft Klaas Gorter het tegen zijn vader verteld die bij de Politie te Water was. Niet lang daarna reed politie Ubels over de Noorderweg, met een zwart leren zakje bij zich, richting dijk en kwam enige tijd later terug met een gevuld zakje, met de vorm en ter grootte van een hoofd.
 
Ook zijn we een keer over de strekdam van het Krabbergat gelopen, richting misthoorn.
De haven en buitenmuseum bestonden toen nog niet en de dam lag vrij in het water.
We vonden het spannend hier een keer te lopen, na enige tijd stonden we bij de misthoorn en liepen er rond omheen. Even later hoorden we iets van plop plop en zagen we iets in het water komen, wat steeds dichterbij kwam. Toen het uiteindelijk de dam bereikte, hadden we in de gaten dat we werden beschoten en renden weer hard terug richting zeemuur. Danig geschrokken maar niet echt ontdaan gingen we weer verder. Mogelijk hebben Duitsers op ons geschoten, vanuit de bunkers op de Noorderdijk omdat het van die richting kwam. Misschien was het verboden gebied.
 
Begin 1945 zijn we nog een keer voor kogels gevlucht. We stonden aan de zeemuur ter hoogte van de speelweide en keken naar een half gezonken schip, wat in het IJsselmeer lag, richting Krabbersgat.
Plotseling kwamen er twee vliegtuigen welke het schip beschoten. We vonden het spannend en bleven er naar kijken en lachten eigenlijk, omdat het schip al beschoten was geweest.
Plotseling zagen we aan de lichtkogels die laag over ons heen kwamen, dat er in onze richting werd geschoten. We renden naar de richting van het kerkhof en het Boslaantje, maar het vreemde was dat de kogels ons bleven volgen totdat we in het laantje waren en we door de dikke bomen werden beschermd. Even geschrokken, maar daarna waren we met iets anders bezig.
 
We zijn nog een keer geschrokken toen een paar aangeschoten Duitsers op de Noorderweg liepen, richting bunkers aan de Noorderdijk. Plotseling haalden ze de geweren van de schouders en begonnen lukraak in de rondte te schieten, niet gericht maar we vlogen in de portiek van het huis waar Klaas Gorter woonde en doken in elkaar.
Gelukkig gebeurde er verder niets.
 
Vooral in de laatste maanden van de oorlog gingen er ongelooflijk veel bommenwerpers over Enkhuizen, richting Duitsland. Er waren honderden vliegtuigen, de ene golf was onderweg naar Duitsland en de andere kwam al weer terug. Dit ging bijna de gehele dag en nacht door.
Deze vliegtuigen werden door Duitse jagers aangevallen en er waren dus vaak luchtgevechten. Ook werden ze vanaf de bunkers beschoten en zag je witte wolkjes naast de bommenwerpers komen. Regelmatig stortte een vliegtuig neer, maar meestal in het IJsselmeer.
Een keer zal ik nooit vergeten, want dat was zeer dicht bij. De gehele dag was het al onrustig geweest met zeer veel overvliegende bommenwerpers. Soms kon je moeilijk in slaap komen vanwege de overvliegende vliegtuigen, omdat de gehele lucht trilde van de motoren.
Uiteindelijk sliep ik en hoorde een enorm lawaai van een vliegtuig. Ik keek uit mijn achterraam van de slaapkamer en zag dat ter hoogte van het Sybrandsplein een brandend vliegtuig vloog. De vlammen kwamen vanaf de motoren en trokken naar de achterkant van het vliegtuig. Het was één velrode vuurzee van voor naar achter. Hij vloog zo laag dat hij bijna de grote boom raakte die daar op de hoek van het water stond. De boomtakken werden meegezogen in de richting waar het vliegtuig naar toeging. Hij kwam van richting Spaanleger en ging naar het IJsselmeer.
Even later hoorde ik een enorme explosie en toen was het onwezenlijk stil, waarna ik toch in slaap ben gevallen.
De volgende morgen ging ik met mijn broer kijken bij de boom en het water van het plantsoen, terplekke waar het vliegtuig zo laag was overgevlogen en bijna de boom had geraakt. Ik keek in het water, wat op dat moment zeer helder was en zag op korte afstand van de walkant iets liggen, ik pakte het en het bleek een popje te zijn, iets van een aapje met meerdere kleuren, een soort talisman. We kregen sterk de indruk dat dit uit het vliegtuig was gevallen.
Mijn broer trok het uit mijn handen en ik kreeg het niet meer terug. Enige tijd later zag ik hem weer en toen liep hij met een koperen winkelbel. Die heb ik geruild voor het aapje zei hij. De gehele ochtend liep hij met die bel op straat, maar toen kwam hij ineens met een oude pick-up en grammofoonplaten. Ja, zei hij, ik mag van Visser ( winkel hoek Heiligeweg-Noorderweg) dit vandaag gebruiken, als hij die bel voor zijn winkel mocht hebben. De pick-up moest je opwinden, maar de veer was te slap en dus draaide de plaat te langzaam. De muziek klonk niet best en daarom draaide hij met zijn hand de plaat een beetje mee.
Aan het eind van de dag moest alles weer naar de winkelier terug, dus had hij niets meer en ik was dat popje kwijt.
 
Ook was er een periode dat er regelmatig V1 raketten overkwamen, die in Gaasterland waren gelanceerd, met het doel grote plaatsen in Engeland te raken. Deze raketten gaven een vreemd eentonig geluid en hadden een vuurstraal aan de achterzijde. Gelukkig is er bij Enkhuizen zo ver ik weet nooit een neergestort, wat ook wel eens gebeurde.
 
In de laatste maanden van de oorlog was er meestal geen elektriciteit, dus ook geen verlichting en soms een periode geen drinkwater. Drinkwater mochten we bij familie Zwier, op de Heiligeweg halen uit de regenwaterput en ander water haalden we met emmers uit het plantsoen. Gelukkig kon mijn vader nog wel eens iets van eten krijgen bij kennissen. Hij heeft wel eens gezegd dat boer Stavenuiter van de Noordergracht, wanneer mogelijk altijd heeft geholpen en dat hij daar wel dankbaar voor was. Deze familie woonde toen nog op de hoek Kruislaan – Noordergracht en is later naar de hoek van de Noorderweg verhuisd.
Als verlichting gebruikten we voor het huis een olielamp, maar als de olie op was hadden we een klein kommetje, met daarin iets van olie, die je ook voor het eten gebruikte, daarin was een klein drijvertje met een pit er in, welke werd aangestoken. Zo hadden we toch wat verlichting. Het gaf minder licht dan een kaars, maar je kon er iets bij zien. Vaak deden we een spel mens erger je niet, of in een boek te kijken. Ik plaagde de familie wel eens door hard een blad van een boek om te slaan waardoor het lichtje uitging.
Ook lucifers waren schaars, maar mijn vader sneed dunne houtjes en stak deze in de brand, tussen het onderrooster van de kachel.
Een enkele keer hadden we tijdelijk elektriciteit, want dan zorgde mijn vader voor een clandestiene aansluiting. Dit was ten strengste verboden en niet zonder risico.
Ook hebben we het wel gehad dat er hard op de voorramen werd geslagen en dan werd er geschreeuwd: “licht aus”. Dan werd snel het licht uitgedaan en was iedereen doodstil van de schrik.
Mijn vader heeft in de plaats van overgordijn, houten raamwerken met karton voor de ramen gemaakt, omdat gordijnen nooit zo afsloten dat je buiten niets zag.
De gordijnen werden als aanvulling voor de dekens op bed gebruikt, want de winters waren koud en er was alleen een kachel in de kamer die ’s nacht niet brandde. Bovendien waren de huizen niet geïsoleerd.
Vaak heb me er later over verwonderd, dat onze ouders het gezin draaiende konden houden.
Zorgen dat er eten voor vijf kinderen op tafel kwam en bovendien lag mijn oma de Graaff, lange tijd in de achterkamer omdat ze ernstig ziek was en in januari 1945 overleed.
Kleding en schoeisel waren natuurlijk ook een probleem. We hebben dan ook veel op klompen gelopen of op verzoolde klompen. Het maken van klompen en verzolen daarvan, werd ook in de werkplaats van mijn vader gedaan, maar dan was het vinden van hout weer een probleem. In ieder geval zijn een aantal bomen op de Noordergracht hiervoor gesneuveld.
Dit was nog weer een gevecht met de gemeente, maar de bomen stonden op de walkant, waarvan het bedrijf van mijn vader de eigenaar was.
 
Doordat er tamelijk veel Duitsers in de bunkers aan de Noorderdijk waren, liepen ze regelmatig in marstempo over de Noorderweg. Hierbij zongen ze dan meestal de bekende liederen.
Wij gingen ook geweren maken en liepen dan in een rij over de weg. Een Duitser heeft toen wel eens tegen ons gezegd dat dit eigenlijk niet leuk was voor kinderen.
 
We hadden veel vrij van school, want veel scholen waren door de Duitsers gevorderd. De laatste maanden van de oorlog was de school in de Peperstaat weer vrij en mochten we er weer in. Hierdoor hadden we veel tijd om te spelen maar vervelen deden we ons nooit. We bouwden hutten van alles wat we konden vinden, in de herfst van bladeren en in de lange koude winters, maakten we sneeuwhutten en kastelen. Bovendien was er geen verkeer op de wegen. We hielden hoepelwedstrijden en liepen dan gehele stad rond via de vestingwallen en via de haven en de zeemuur terug.
Ook hadden we nog een kano gemaakt van een reserve benzine tank die door vliegtuigen was afgegooid. Later kregen we nog een tweede van mijn neef Maarten Schouw uit de Streek. We gingen in de polder varen en op het IJsselmeer, wat natuurlijk niet zonder gevaar was.
 
Een van de angstige momenten was ook na de inbraak bij de ijsfabriek in Enkhuizen, hierbij was een aanmerkelijke hoeveelheid voedsel weggenomen, wat van de Duitsers was. De Duitsers wilden wraak nemen en gijzelaars pakken. Gijzelaars waren meestal mensen die bij de bevolking bekend waren. Mijn vader was bekend in Enkhuizen en hij was zeer gespannen, omdat hij het niet onmogelijk achtte dat hijzelf gepakt kon worden, als kind voelde ik de spanning heel goed.
Hij vertelde later dat de toenmalige burgemeester met de Duitsers had overlegd en dat er een compromis was gesloten, als er binnen enkele dagen een flink geldbedrag door de bevolking bijeen werd gebracht, als schadevergoeding, dat er dan geen gijzelaars zouden worden genomen.
Kort na de oorlog hoorde ik van iemand uit de omgeving van de inbraakplegers, dat deze groep een heel mooi feest hadden gehouden, van het weggenomen voedsel. Ik vond dat deze mensen, wel een groot risico hadden genomen ten koste van andere inwoners.
 
Regelmatig kwam er vooral s’avonds bij ons iemand thuis, hij heette Jaap Kofman, woonde in de Vijzelstraat en of hij voor een van mijn zusters kwam weet ik niet, maar hij deed spelletjes met ons of hij was bezig een pentekening te maken van de Bocht.
Als ik aan hem vroeg of hij soms een onderduiker was dan antwoordde hij niet. Wel had hij bij onraad een vluchtplan via onze tuin in de Kruislaan, over de schutting en via de tuin van de familie Heijman, zou hij proberen weg te komen.
 
Wat ook veel indruk op me heeft gemaakt, waren de hongertochten. Veel mensen met kinderen gingen over de Noorderweg, richting Andijk en verder. Ook kwamen ze langs de deuren om voedsel, ze vroegen om een aardappel en als dat er niet was de schillen hiervan of iets anders wat eetbaars was.
En dan te bedenken dat bij onze overburen familie Donker, met enige regelmaat een flink feest werd gegeven tot in de kleine uren, waarbij een aanmerkelijk aantal Duitsers aanwezig was en er naar mijn mening flink werd gedronken en gegeten. Bovendien was er verlichting in het gehele huis, die bij ons thuis ontbrak. Als directeur van de Werf waren er kennelijk goede kontakten met de Duitsers.
Mijn slaapkamer raam was toen aan de Kruislaan en ik kon dan ook moeilijk in slaap komen en ook het een en ander waarnemen.
 
In de laatste dagen van de oorlog kwamen er ook veel Duitsers over de Noorderweg, die op de vlucht waren en ook honger hadden.
Op een dag liep ik in de poort naast ons huis in de Kruislaan, toen er plotseling een Duitser met geweer mij opzij duwde en langs mij liep en het huis binnenging waar alleen mijn moeder binnen was. Van schrik bleef ik minuten lang staan totdat de Duitser weer langs kwam en weg liep. Mijn moeder was binnen en vertelde geschrokken dat de Duitser veel kasten had opengemaakt en gekeken of er iets te eten was. Ach, zei mijn moeder, ik begrijp wel dat die man ook honger heeft.
 
Toen de Wieringermeer onder water werd gezet kwamen er weer veel boeren met wagens over de Noorderweg op zoek naar onderdak op een andere plaats.
Dreigend was de situatie nog, toen werd gezegd dat de polders bij Enkhuizen onder water zouden worden gezet. Het bedrijf van mijn vader moest nog dezelfde dag zorgen dat de Oude Gouwsboom zou worden afgesloten Hiervoor werd aan de polderzijde een dam gemaakt van houten damwand en grond. In deze dam werd een spuikoker gemaakt om als de waterstand in de grachten van Enkhuizen te hoog werd toch te kunnen lozen in de polder. Tijdens het inheien van de houten damwanden zongen de werklieden zogenaamde heiers liederen, met een wat gewaagde inhoud en wat ik eigenlijk niet mocht horen. Ook op andere plaatsen zoals de Boerenboom enz. werden deze maatregelen genomen. Ik denk dat alle aannemersbedrijven en anderen waren ingezet, want alles moest in zeer korte tijd gebeuren.
Gelukkig is het onderwater zetten niet doorgegaan en zijn de dammen meteen na de oorlog weer verwijderd.
 
Op een dag dat we weer naar school gingen, omdat deze weer was vrij gegeven door de Duitsers, vlogen plotseling twee grote vliegtuigen zeer laag over de school. De kinderen doken van schrik onder de banken, maar meester Wiersma stelde ons gerust en vertelde dat deze vliegtuigen voedsel naar beneden zouden gooien.
Kort daarna was er weer brood, het zogenoemde Zweedse wittebrood, een belevenis die je nooit vergeet, wat een traktatie. Later dan nog het vlees in blik iets van ,,Porkey Porkey” en de harde koekjes uit de beroemde blikken. Brood met varkensreuzel wat een heerlijkheid.
 
Van de bevrijding kan ik me nog herinneren, dat er veel geruchten waren. De haven was ineens geheel leeg en er was geen Duitser meer te zien. Ik was met Jaap Zwier vroeg in de morgen bij de haven, ter hoogte van het park dreef een blik langs de kant in de haven. We haalden het blik uit het water en kregen het idee dat dit door de Duitsers in het water was gegooid. We maakten het blik open en het bleek gevuld te zijn met 10 lt. petroleum. Trots namen we het mee naar huis en lieten zien wat we hadden gevonden. Jaap zijn moeder wilde er niets van hebben, dus nam ik het zelf mee naar huis, waar we het heel goed konden gebruiken.
Waar ik de petroleum nog meer voor heb gebruikt, heb ik op advies van Trien Bakker gedaan. Deze was een beetje de zelfgenezer van Enkhuizen en zei altijd, petroleum is overal goed voor. Omdat ik op dat moment voor de derde keer schurft had en de stinkende zalf maar niet hielp, heb ik mezelf bij ons achter buiten geheel uitgekleed en mijn lichaam volledig ingesmeerd, met petroleum uit het gevonden blik De rest van de familie heeft smakelijk om de vertoning moeten lachen, maar ik was voor altijd van die zeer vervelende schurft en dus ook die stinkende zwavelzalf verlost!
 
Op de dag dat er Engelse bevrijders zouden komen waren er de gehele dag geruchten. Het was mooi weer en ik heb uren lang met vele andere mensen in de Nieuwe Westerstraat staan wachten, ook in de avond kwam er niets zodat we uiteindelijk via de Westerstraat en Vijzelstrraat naar huis zijn gelopen. In de Westerstraat stond voor de voormalige zeevaartschool nog een Duitser op wacht, terwijl er veel mensen langs liepen in een opgewekte stemming. Pas de volgende dag kwam er een jeep met een chauffeur en een hoge militair en dat was volgens mij alles.
 
De dagen daarna werd alles versierd en werden er buurtverenigingen opgericht. Bij iedere ingang van de straat was wel een erepoort gemaakt. Vaak van aardappelkisten in de kleuren van de Nederlandse vlag geschilderd. Er werden spelen georganiseerd en het leek wel of het weken feest bleef. Het leek wel of iedereen op dansles was en op diverse plaatsen werd gedanst.
 
 
Dit zijn maar ,, kleine” voorvallen geweest, vergeleken wat mensen op andere plaatsen tijdens deze jaren hebben meegemaakt, maar toch hebben ze een behoorlijke indruk achtergelaten.
En dan te bedenken wat daarna is gebeurd, wat er nog steeds gebeurd en dat regeringen zo makkelijk besluiten om aan een zinloze oorlog deel te nemen. Hoeveel mensen worden er onherstelbaar, voor hun hele leven beschadigd.
 
 
 
 De mensen waren er allemaal van overtuigd dat de wereld na deze oorlog definitief zou veranderen, maar daar is jammer genoeg niets van terecht gekomen.
 
 
 
J. de Boer geboren 22-08-1935.
 
 
 
 
 
 
Ps.
 
Het bombardement op Enkhuizen van 15 maart 1945 heb ik al eerder weergegeven.
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

Mijn eerste schooljaren in Enkhuizen.
 
De kleuterschool op het Zuider Kerkplein, welke omstreeks 1950 is gesloopt, was mijn eerste kennismaking met een school. In mijn herinnering ben ik tenminste twee jaar op deze school geweest en dat moet dan in 1941 en  begin van 1942, zijn geweest.
Rechts van deze school was de brandweergarage, wat ik als kind erg interessant vond.         Aan de achterzijde van de school was een flinke tuin afgezet met een hoge gemetselde muur. In deze tuin konden de kinderen veilig spelen in grote zandbakken, met houten wagens rijden en ik dacht ook dat er schommels en een wip waren. In iedergeval heb ik daar goede herinneringen aan.
Als kind vond ik het op deze school heel prettig om daar te zijn en in het bijzonder was ik erg gek op een juffrouw Elly met lange blonde haren, die altijd vrolijk en lief was.
Oude klasgenoten kan ik me niet meer voor de geest halen, maar als ik namen en foto’s zou zien, misschien wel.
Mijn lagere schooltijd heb ik op de Timotheüsschool in de Peperstraat doorgebracht, waar de meeste kinderen van deze kleuterschool niet naar toe gingen.
 
 
 Klik hier om een afbeelding toe te voegen
  
     
 De Thimotheüsschool  in Enkhuizen, foto genomen in 2011.
Vanwege andere bestemming zijn een aantal bovenramen dichtgemetseld en is het grote stalen hek links van het gebouw verwijderd.
 
 
 Klik hier om een afbeelding toe te voegen
 
De Thimotheüsschool in de Peperstraat.
 
Vanaf april 1942 tot 1 september 1948 heb ik op deze school gezeten, als kind vond ik het een indrukwekkende school, met van binnen een ruim trappenhuis en hoge schoollokalen. Omdat ik de jongste van het gezin ben, waren mijn zusters en broer al eerder op deze school, of er zelfs al weer vanaf.
Links van het gebouw was een kleine speelplaats met een stevig hekwerk, ik dacht voor de eerste twee klassen en daarna mochten de kinderen tijdens het speelkwartier in de Peperstraat spelen, tot en met het kruispunt van de Karnemelksluis.
In de eerste klas zat ik bij juffrouw A. Haagsma, geen onvriendelijke maar een iets strenge onderwijzeres. Het eerste schooljaar liep van 1 april 1942 tot 1 april 1943, omdat het destijds nog regel was. Veel indruk op mij maakten toen de mooie wandplaten aan de muur met fraaie afbeeldingen en natuurlijk het Aap Noot Mies bord. Ik kon hier vaak naar kijken en dan wel eens een beetje wegdromen.
 
Tijdens de tweede klas kwam ik bij juffrouw G. Swier, een buitengewoon zachte en aardige vrouw die ik nooit heb kunnen vergeten, maar ik kreeg haar niet zo lang als onderwijzeres, omdat het schooljaar werd gewijzigd van 1 september naar 1 september het jaar daarop.
Om deze reden zat ik in de tweede klas van 1 april 1943 tot 31 augustus in het zelfde jaar. Deze snelle overgang heb ik niet als prettig ervaren en de tijd daarna, op deze school, is altijd als een vervelende periode in mijn geheugen gebleven.
Juffrouw Zwier kreeg ik ook nog op de zondagschool, dus heb ik haar daar nog van nabij mee mogen maken.
 
De derde klas van 1 september 1943 tot 1 september 1944, zat ik bij juffrouw S. Zijlstra, deze vrouw vond ik vergeleken met juffrouw Swier een steenkoude douche.
Haar manier van optreden en wijze van onderwijs geven was zeer onprettig. Nooit zal ik haar manier van bestraffen vergeten. Kennelijk was ik met mijn gedachten wel eens ergens anders en vond ze het nodig om mij te bestraffen, zonder dat ik wist waarom.
Ze kwam naar je toelopen, terwijl ik er geen erg in had en kreeg dan een heel harde klap met de volle hand tegen de zijkant van mijn hoofd. Ik suizebolde dan lange tijd na en leek wel verdoofd. Dit was haar manier van bestraffen en ik heb het meerder malen ondergaan.
Thuis sprak je hier niet over, want dan werd er gezegd dat ik het er wel na gemaakt zou hebben. Mijn resultaten op deze school zijn er na dit jaar niet beter op geworden.
 
In de vierde klas van 1 september 1944 tot 1 september 1945 had ik als onderwijzer J. de Vries, welke de bijnaam proppie had. Hij stond er om bekend dat hij iedere morgen luid het “er ruist langs de wolken” begon te zingen terwijl de kinderen nog het lokaal binnenliepen en gewoon doorging tot alle kinderen in de bank zaten en meezongen. Dit deed hij bij alle klassen die hij onderwijs gaf. Meester de Vries was tamelijk streng en sloeg wel eens, maar ik weet er niet van dat ik wel eens door hem ben geslagen.
 
Welke periode aan het eind van de oorlog onze school door de Duitsers was gevorderd, weet ik niet precies, maar het was een behoorlijk lange tijd en we hadden dus veel vrij.
In de strenge winter waren er ook geen kolen voor de kachels en zaten we met de jas aan in de klas of werden we naar huis gestuurd.
Ook moesten we wel eens lesopdrachten bij de onderwijzer aan huis halen en dan thuis maken, of moesten we in de pastorie van de Zuiderkerk komen, waar we kort les kregen en opdrachten voor thuis.
 
 
Tijdens de vijfde klas en zesde klas van 1 september 1945 tot 1 september 1947 zat ik bij meester A. Homan, deze stond bij de kinderen als niet zo prettig bekend Hij was nogal lang en kwam trots over.
Zijn manier van bestraffen was een harde klap in het gezicht geven en zeer gemeen je oor omdraaien. Zelf heb ik dit meerdere malen moeten ondergaan.
In mijn herinnering zat ik in de zesde klas gedeeltelijk bij meester H. Wiersma die tevens de zevende klas had
 
In de zevende klas van 1 september 1947 tot 1 september 1948, heb ik les van meester H.Wiersma gehad, die vanaf 1943 na meester W. Kroese de hoofdonderwijzer was.
Ook bij deze onderwijzer heb ik het vaak vervelend gevonden, omdat hij mij regelmatig sloeg.
Zijn methode was met een houten passer voor de klas op je achterste slaan en later sloeg hij meestal met de volle hand op je billen zo hard als hij kon.
Ik voelde het niet meer en reageerde dus niet als hij sloeg, hij vroeg dan aan mij; voel je het nu? Ik antwoordde nee. Hij sloeg dan door en vroeg het nog een keer, maar ik reageerde niet en hij stopte hiermee omdat zijn hand door het slaan, ontzettend rood en opgezet was.
Later heeft hij me minder geslagen omdat het geen effect had.
 
Iedere maandagochtend moesten we bij meester Wiersma een gezang of psalm uit het hoofd kunnen opzeggen, welke je in het weekend in je hoofd moest prenten. Dit heb ik een paar keer gedaan, maar vond het al snel onzin en deed het dus niet. Op maandagmorgen kreeg ik dan een beurt en moest het gezang uit mijn hoofd in de klas opdreunen. Dit kon ik dan niet en moest vertellen waarom. Ik zei dan dat ik het nut er niet van inzag en dat ik het daarom niet uit mijn hoofd leerde, omdat het in de bundel stond en dat ik het daaruit kon lezen.
Hier was de onderwijzer het niet mee eens en ik kreeg dus straf, slaan gaf niet meer dus kreeg ik een andere straf, welke bestond dat ik naar de bestuurskamer moest en daar zitten. Dit duurde dan een paar uur en dan mocht ik weer in de klas. Omdat deze straf ook niet gaf, kwam ik iedere maandagmorgen in deze kamer te zitten en werd het de gehele morgen.
De tweeling Ditty of Flora Bierhaalder, kwamen wel eens stiekem langs en brachten me dan een paar gepofte mollebonen.
Tegenover het raam van de bestuurskamer woonde fam. Oud, welke later een ijssalon in de Westerstraat had. Voor de vrouw van Oud, was ik op maandagochtend een vaste verschijning voor het raam en zwaaide ze ook regelmatig naar me.
 
Het speelkwartier brachten we op straat door, in de Peperstraat en een klein gedeelte van de Karnemelksluis. Er was altijd wel enige afleiding en verkeer was er eigenlijk niet. Soms stond er wel eens een geit bij de slagerij van Liefhebber buiten. We aaiden dan het beest, maar na enige tijd werd hij de slachtplaats binnengehaald en konden we via openingen in de deur volgen hoe de geit werd geslacht. Niet zo leuk maar we vonden het toch wel spannend en deden verslag aan de kinderen die het niet konden zien.
 
 Klik hier om een afbeelding toe te voegen
 
 
 
Veel leuke herinneringen heb ik aan deze school niet over gehouden, maar dat we een keer naar Schiphol zijn geweest, kan ik me nog steeds voor de geest halen. Natuurlijk ook omdat ik er nog een foto van heb. Ik weet niet alle namen van de kinderen meer, maar zal proberen er bij te vermelden welke ik nog kan herinneren en hoop de goede namen te weten.
 
Onder van L. naar R.
Egbert Volgers, ? , Jan de Hart, Joop Blom, Piet Klouwers, Jaap Zwier, Freek Kouwenhoven,
Henk Kenter, Floris Ruiter.
Tweede rij van L. naar R.
Henk de Hart, Jan de Boer, Cor Takes, ? , Piet de Boer, ? , Jetske de Jager, ? ,                            Louw Kooiman, Ditty en Flora Bierhaalder, ?? (twee zusjes), Ria van Schalkwijk en Nellie Broere.
Boven van L. naar R.
Meester H. Wiersma, ? , ? , Simon Zwier, ? , meester W. Kroese, juffrouw G. Swier.
 
 
 
 Klik hier om een afbeelding toe te voegen
 
 
 
  
 Schiphol 1947 , de twee hoogste klassen van de Thimotheüsschool uit de Peperstraat.
 
Een voorval wat in deze tijd nogal onbegrijpelijk zou zijn, was dat op een dag in ongeveer 1946, een grote vriendelijke negroïde man op school kwam, om zichzelf te laten zien. We waren nog nooit in aanraking geweest met een gekleurd iemand en dit vonden we toen heel bijzonder. Hij vertelde wat over zichzelf en wij mochten vragen stellen. Wat ik nog weet was dat hij ook de binnenkant van zijn handen liet zien om te tonen dat daar de huid wat lichter van kleur was.
 
De Timotheüsschool was een school met de Bijbel, maar bij mij heeft het niet tot gevolg gehad, dat ik me tot een kerk voelde aangetrokken, in tegendeel zelfs. Godsdienst onderwijs nam een belangrijk gedeelte van de tijd op deze school in beslag. Zelf ben ik van mening, dat je op je eigen manier zonder een kerk, het geloof kunt beleven.
Of het door de tijd kwam, met toch wel spanningen van de oorlog, of door mijzelf weet ik niet maar de sfeer op deze school heb ik altijd onprettig gevonden.
 
 
 
J. de Boer. 2010 

\.
fam. Alberts
Zojuist heb ik het artikel van de familie Broeksma gelezen en wil daar even op reageren.

Mijn vader woonde in Stavoren en was mede door de Spaanse griep op jonge leeftijd zonder ouders gekomen. In 1919 kwam hij in Enkhuizen bij een oom en tante in de Vijzelstraat nr. 47. Zijn oom Douwe Alberts (1868-1933) was getrouwd met Antje Brouwer (1873-1949) en kwam ook uit Stavoren. Douwe was conciërge in het ziekenhuis en tamelijk jong overleden. Mogelijk is de heer Broeksma de opvolger geworden van Douwe Alberts. Doordat mijn vader G. de Boer tegenover het ziekenhuis woonde, kwam hij in contact met mijn moeder die daar werkzaam was.
 
J. de Boer uit Friesland.

Ieder mens heeft wel iets markants, maar sommige mensen zouden we niet moeten vergeten. Ze hebben geen hoge functie, of wat dan ook maar markant zijn ze wel.

Dirk en Hennie Jans, ze woonden bij hun ouders in de Kruislaan en later samen, zo lang ik ze heb gekend. Het waren twee vrijgezelle jongens, altijd vriendelijk en vrolijk. De papierfabriek in de paktuinen was het bedrijf waar ze werkten. Hennie was de slanke en Dirk was wat gezetter. Hennie had volgens mij de leiding van de twee. De papierfabriek heeft waarschijnlijk aan deze twee mensen, de meest trouwe werknemers gehad. Ze liepen iedere dag steevast op exact de zelfde tijd langs het huis van mijn ouders, je kon als het ware de klok er op gelijk zetten.

Een voorval zal ik nog even vermelden. Na de oorlog kregen we de noodrantsoenen in de metalen blikken, waar de harde koeken in zaten. De blikken waren er bij honderden met ongeveer een afmeting van 25 x 25 x 40  cm. We maakten er vlotten van en niet te vergeten er werd op getrommeld. Complete buurt drumbands waren er.
Zo ook in de Kruislaan, de kinderen van de Kruislaan waren de leden en Dirk en Hennie hadden de leiding.
Op zeker moment was er een wedstrijd georganiseerd, op de speelweide bij de zeemuur en moest er dus fanatiek worden geoefend. Dirk en Hennie waren zeer gedreven en gaven de kinderen aanwijzingen. Hennie was tambour-maître en Dirk liep achteraan om de zaak in de gaten te houden. Ik geloof niet dat onze drumband in de prijzen was gevallen, maar genoten hebben we wel, mede door deze leuke figuren.

Barend Rob vaak Barendje genoemd. Hij is naar ik heb gehoord enige jaren geleden overleden. Hij was geestelijk gehandicapt, maar kon adrem zijn in zijn antwoorden. Ze hebben lange tijd in de Vijzelstraat gewoond en zijn vader was werknemer in het bedrijf van mijn vader, hierdoor kwam ik al op jonge leeftijd met de altijd goed gemutste Barend in aanraking kwam. De meeste Enkhuizers moeten Barend wel hebben gekend. Doordat ik zelf uit Enkhuizen ben weggegaan, had ik Barend ongeveer 20 jaar niet gezien, maar toen ik hem voor het eerst weer zag, zittend in een invalidenwagen, keek hij mij aan en riep direct, ha die Jan de Boer. Dit vond ik frappant dat hij mij na zo lange tijd weer herkende.

Wat ik altijd prachtig heb gevonden was dat Barend kon zwemmen als een zeehond, hij kon zeer lang onder water blijven en kwam dan proestend en met zijn kenmerkende lach weer boven. We zwommen toen vaak met een aantal vrienden bij de zuiderdijk, in de spoorhaven of bij de sluizen en meestal zocht Barend ons wel op. Bij de spoorhaven waren we vaak aan het duiken vanaf de steiger waar de veerboten altijd keerden. De sport was dan om met een hand grond boven te komen want daar was het behoorlijk diep. Voor Barend was dit helemaal geen probleem want die kwam altijd met een hand grond weer boven.

Als we bij de sluizen zwommen, nam Barend de toeschouwers vaak in de maling. Hij dook onder water en bleef heel lang weg. Iedereen werd ongerust, maar Barend zwom onder water, naar een sluisdeur en ging met zijn hoofd net onder de eerste horizontale balk zitten, niemand zag hem en als hij hoorde dat de mensen onrustig werden, kwam hij schaterend te voorschijn. Ook Barend mogen we niet vergeten!


Ik was op dat moment ongeveer negen en een half jaar oud, maar weet nog steeds wat er op dat ogenblik in mijn beleving gebeurde.

We speelden op de hoek van de Noorderweg en de Noordergracht. We dat was ik zelf, Jaap Zwier en Klaas Gorter. Jaap of Japie zoals we hem altijd noemden is de zoon van Willem, die destijds op de begraafplaats werkte. Klaas Gorter is de zoon van het hoofd van de Politie te Water, welke kantoor had op een slaapkamer van een woning op de Noorderweg tegenover de Kruislaan.

Plotseling een enorm lawaai van twee zeer laag overvliegende vliegtuigen, ze kwamen vanuit het noord- westen en het leek wel of ze de Noorderweg als richting gebruikten, op weg naar hun doel. Klaas Gorter zei meteen: die gaan bombarderen, hij had in de omgeving van Rotterdam gewoond en dus mogelijk al wat ervaring. We kropen meteen naar de hoek van de werkplaats van mijn vader ( Noordergracht no.1) en keken met ons drieën boven elkaar, ter plaatse van de stalen kast van het P.E.N. die daar stond, richting Sybrandsplein.

We hoorden de vliegtuigen en kort daarop de explosies, gevolgd door enorme geelgrijze rookwolken. Links daarvan vanuit ons punt gezien doken weer twee vliegtuigen in duikvlucht en volgden er weer explosies, met nog meer rookwolken. Ik weet niet of er luchtalarm is geweest, maar daarna werd het stil. We zeiden tegen elkaar, kom op we gaan kijken. Personeel van mijn vader probeerden ons terug te roepen, maar daar schonken we geen aandacht aan. Klaas Gorter ging naar huis, maar Japie ging met me mee.

Op het Sybrandsplein gekomen ontdekten we dat het bezaaid was met donker bruine granaatscherven, we waren wel verbaasd maar schrokken daar niet van. Via de Vijzelstraat kwamen we op de Wegjes, hier kwamen we een man tegen met een stuk van zijn arm er af en een huilend kind van een jaar of vijf naast zich, we liepen verder en gingen de hoek om naar de van Bleiswijkstraat. Hier kwam een blank gelakte bakfiets aan rijden met daarop zittend een jongen, welke Cees Schuijt was, die luid huilde en zijn been miste. Natuurlijk schrokken we, maar we liepen verder over het Venedie, naar de Paktuinen.                               

In de Paktuinen was de brandweer aan het blussen bij de timmer-en schilderwerkplaats van de werf . We mochten niet verder komen en liepen terug, linksaf naar de haven. We liepen richting visafslag en zagen daar diverse zwaar beschadigde huizen oa. van het toenmalige café Planting. Betonnen trappen van het dijkje waren volledige over de kop geslagen en er lag veel puin op straat. Maar veel mensen zag je niet op straat. We liepen door naar de Drommedaris en liepen er onder door. Wat ons gelijk opviel was, dat er zich op de muur een flinke bloedvlek bevond met haarresten. De brug was grotendeels verwoest, een groot deel van de kademuur was weggeslagen en het huis op de hoek aan de overkant lag in puin. Wat me verbaasde was, dat het huis, waar mijn grootouders de Graaff hadden gewoond, nagenoeg onbeschadigd was. Verder was er veel schade aan de poort en de muur van de Drommedaris aan die kant.

Omdat we niet over de brug konden, liepen we weer terug via de haven naar de Paktuinen.  Hier aangekomen zagen we aan de linkerkant, bij de garage van de Ruiter (de Zwaluw), mensen bezig die iets naar binnen brachten. We gingen kijken en bij de deuropening aangekomen, zagen we aan de linker- en rechterzijde rijen van lichamen liggen onder kleden. We werden weggejaagd en danig onder de indruk van wat we allemaal hadden gezien, liepen we in een soort droomtoestand via het Venedie weer naar huis waar we waarschijnlijk ons verhaal deden. Natuurlijk hoorde je niets anders dan praten over het bombardement en ving je ook op wie er waren omgekomen. Het meest schrok ik dan ook dat mijn schoolvriendje Kees Smit was gedood en ook van de postbode Kees Pruis, die vaak bij ons langs kwam en steevast een praatje met mijn moeder maakte. De laatste was onder de Drommedaris gedood, toen hij waarschijnlijk schuilde tegen de bommen.

De volgende dag op school, werd er door de onderwijzer over gesproken. Omdat ik op de Timothëus school zat, werd er gebeden voor Keesie Smit, de vader van Henk Kenter en voor alle anderen.

Omdat ik in de Kruislaan woonde en de Noorderweg en omgeving ons speelterrein was, heb ik alle begrafenissen langs zien komen. Dit was enige dagen lang, de ene rouwstoet na de andere. Volgens de gegevens waren er 23 burgers omgekomen, maar volgens mij waren er ook nog een paar jongens van de ,,Jugendsturm,, gedood. Al deze begrafenissen waarvan sommige met tromgeroffel, hebben op mij enorme indruk achter gelaten. De begrafenis van Keesie Smit, heb ik niet willen meemaken, daar ik dit gewoon niet kon. Maar ik werd er mee geconfronteerd, toen deze plotseling langskwam,met de kinderen van mijn klas. Ik verstopte me in de poort van mijn ouders, maar keek stiekem om de hoek toen de stoet voorbij de Kruislaan kwam.

Was het in bepaalde kringen van Enkhuizen bekend, dat er gebombardeerd zou worden? Dit heb ik me wel eens afgevraagd, omdat ik kort na de oorlog iemand heb horen vertellen, dat tijdens het bombardement, op het dak van het Prorege gebouw, mensen uit vreugde stonden te dansen, toen er gebombardeerd werd.

Dit is natuurlijk geen leuk verhaal, maar ik moet er vaak aan denken als ik lees dat, o.a. Nederlandse vliegtuigen tegenwoordig bombarderen en er zoveel burgers omkomen!

Jan de Boer.

op 5/10/09
\.
Paard van Trien Bakker omstreeks 1946, op de Noorderweg
Mijn naam is Jan de Boer, ik ben geboren op Kruislaan no. 1 op 22 aug. 1935, mijn vader was compagnon van het toenmalige aannemersbedrijf Bruinsma & Gebr. de Boer. Momenteel wonen we in Friesland, maar we kunnen, als we een paar kilometers rijden, toch de Zuidertoren zien! Het aannemersbedrijf was gevestigd op de Noordergracht nr.1, in het pand waar nu radio Enkhuizen is gevestigd.

Tegenover het bovengenoemde pand woonde Trien Bakker, zoals ze altijd werd genoemd. Ik heb haar niet anders gekend dan dat ze weduwe was, want ik heb altijd begrepen dat haar man vroeg was overleden. Wel heb ik via Trien, foto’s van deze man gezien en ik vond het destijds een deftige verschijning. Zijn naam was meen ik iets van Kempenaar. Trien was fotograaf en haar winkel met atelier was in het pand op de Noorderweg, terwijl ze boven haar woongedeelte had.
 
Destijds heb ik gehoord dat Trien een vakbekwame fotograaf was, maar na het overlijden van haar man ging het bergafwaarts met haar. Ze vervuilde, het pand ging achteruit en ze nam veel katten en kippen in huis. Achter haar winkel was een tussenkamer, daarna een flink atelier en daar achter nog een schuurtje. Ik heb haar nooit anders gekend dan met de zelfde alpinomuts op haar hoofd en lange kleding.
 
Doordat Trien iedere dag wel één of meerdere keren in de werkplaats van mijn vader kwam, omdat ze graag mot (schaafsel) van de machine of wat brandhout wilde hebben, kende ik haar wel goed. Het was ondanks dat ze op flinke afstand was te ruiken, een aardige vrouw, die erg veel van beesten hield en kinderen leuk vond. Niet iedereen mocht bij haar binnenkomen, maar mijn broer en ik kwamen er veel. We hielpen haar met de beesten en andere klusjes of we speelden een spelletje domino in de tussenkamer.
 
Het was in de oorlog dat mijn broer en ik met Trien in de tussenkamer een spelletje deden, totdat we plotseling boven een behoorlijk gestommel hoorden. Trien vloekte (wat ze nooit deed) en ging even weg. Ze kwam weer beneden, ze zei niets en mijn broer en ik vroegen niets. Zelfs met mijn  broer sprak ik er verder niet over, maar zelf had ik het idee dat Trien iemand boven had wat wij niet mochten weten. Door onze ouders waren we er meerdere malen zeer nadrukkelijk op gewezen, dat we nergens en tegen niemand ergens over mochten praten en dat we niemand mochten vertrouwen, zelfs onze buren niet.
Na de oorlog kwam uit dat bij Trien mevrouw Snijders was ondergedoken. Is Trien hier nog voor geëerd? Heb ik later nog wel eens gedacht.
 
Opmerkelijk is dat na de oorlog de vrouw van de burgemeester in de oorlog met haar jongste dochter bij Trien werd ingekwartierd. Als kind vond ik dit toen niet leuk voor deze vrouw, maar er zijn wel meer dingen in deze dagen gebeurd wat niet fraai was.
 
Trien stond ook bekend om haar zelf gemaakte zalfjes en drankjes. Bijvoorbeeld  haar witte, iets korrelige brandzalf, die naar eigen ervaring nog hielp ook. Verder probeerde ze wel beesten te genezen.
Mijn broer en ik kregen in haar tussenkamer een keer een geklutst ei met vieux. Het glas was wel erg vuil, maar we hebben het wel opgedronken, want het was oorlog en Trien zei tegen ons, dat is erg goed voor je Broer. Ze zei altijd Broer tegen ons. Bovendien viel het vuil en de reuk ons niet meer zo op.
 
Na de oorlog kreeg Trien steeds meer kippen, ze liepen door het gehele huis en ze zaten zelfs boven voor de ramen. Als voer voor de kippen gebruikte Trien ook veel puf van de haven. Dit was spiering en sprot, die toen in grote hoeveelheden door de vissersschepen werd aangevoerd.
Natuurlijk gaf dit overlast voor de omgeving, want er bleef ook veel puf liggen, wat begon te stinken. De buren klaagden bij de gemeente, die maatregelen ging nemen. Trien vroeg ons om even te helpen met kippen vangen en ze onder de vloer van haar atelier te doen. Het luik ging dicht en de kippen deden in het donker geen bek meer open. De volgende dag kwam iemand van de gemeente controleren en zag dat er nog maar een paar kippen waren zoals afgesproken. Na de controle ging het luik weer open en de kippen kwamen weer rustig te voorschijn. Maar later kwamen er weer klachten en Trien moest echt kippen ruimen.
 
Mijn vader was op 27 augustus jarig en we hadden veel visite. Het was al donker en plotseling kwam Trien bij ons achterom. Omdat ons kippenhok op dat moment leeg was, vroeg Trien aan mijn vader of ze een paar kippen in ons hok mocht zetten, want ze kreeg weer controle. Dit mocht en Trien ging haar gang zonder dat iemand er verder aandacht aan schonk. De volgende morgen al vroeg werden we wakker door een enorm gekakel. Toen we gingen kijken bleek ons kippenhok werkelijk barstend vol te zitten met sterk vervuilde kippen.
Dit kon natuurlijk niet en Trien haalde later de kippen weer weg, op een stuk of zeven na, die we mochten houden en die uit dankbaarheid enorm veel eieren hebben gelegd.
 
Mijn broer en ik zijn ook nog een keer met Trien naar de koeienmarkt in Purmerend geweest.
Ze vond het leuk om dit een keer met ons te doen, ’s morgens heel vroeg op en met de trein naar Purmerend. Ik kreeg de indruk dat Trien daar een bekende verschijning was, want ze had veel aanspraak. Aan het eind van de dag kregen we van Trien een paar kuikens en dat vonden we prachtig. Voor ons een leuke dag, die ik nog niet ben vergeten.
 
In ongeveer 1946 kreeg Trien een paard, het paard was waarschijnlijk niet zo jong meer want het liep niet zo vlot. Voor de jeugd in de omgeving was het toch wel iets bijzonders en het paard trok dus veel aandacht.
Mijn broer en ik mochten het paard vaak verzorgen en hadden in het schuurtje achter het atelier een stal ingericht. Het paard ging naar binnen via de winkel, door de tussenkamer en het atelier naar zijn stal. Langs het huis ging niet want alles was zwaar begroeid en dus een wildernis. Dit paard heeft Trien naar ik schat ongeveer een jaar gehad en toen heeft ze het weggedaan. Toen ik vroeg waar het paard naar toegegaan was, vertelde ze dat het met de boot naar Urk was gegaan, maar dat ze het wel zielig vond dat het paard aan boord zeeziek was geworden. Ook voor mij was dit alles prachtig.
 
Natuurlijk is er wel meer over deze vrouw te vertellen. Dit zijn voor mij een paar herinneringen van een markante inwoner van Enkhuizen met een goed hart.
 
 
Jan de Boer uit Friesland.


Kinderen op de foto van links naar rechts boven:
Met bril ? , Jan Bouwman, Jan de Jong, met bril ? , Piet de Boer links van paard, rechts van paard Jaap Zwier, Jan de Boer, Rein de Jong, links van de Jong meisje en rechts jongen van de Wolf van de Noordergracht, uiterst rechts? , op paard Siebe de Wolf van Noorderweg en daar achter Sjaak Ekkerman,  twee jongens voor Jan Bouwman  ?? , jongen voor Jan de Jong naam niet meer bekend maar woonde op Noordergracht. De kinderen bij Jan Bouwman waarvan de namen niet bekend zijn, kwamen naar mijn mening uit de omgeving van de Wortelmarkt.



Volg ons via RSS
Volg ons op Twitter
Volg ons op Facebook
Volg ons op Youtube