Deze website maakt gebruik van cookies. Klik hier voor meer informatie.      Sluiten
 

Artikelen van Marinus Schoen

Artikelen van: Marinus Schoen
Laatst geplaatste artikel: zondag 17 mei 2009
Totaal aantal artikelen: 64
Resultaten:61 - 64 van 64
\.
Foto: Stichting Bedijs
Enkhuizen, Oude Bosschschool, kleuterklassen juli 1949.  Op naar de lagere school !

Bovenste rij v.l.n.r.:
Juffrouw Anneke Vos (hoofd); Joke de Graaf; Ria Elbertsen; Annie van Heusden; Wil Mazereeuw; jongen ?; Anneke Frese; Grietje Abbekerk; Simon Dekker; Tineke Tilstra; Ebe Kloosterman; Gré van der Molen; Jan van Dok; juffrouw Betty Huitema.

Tweede rij van boven v.l.n.r.:
Nico de Jong; Hilda Sandstra; Tonnie Sandstra; Aafje Willems; Jan Roosendaal; Bep de Graaf; Karel de Boer; Wil Kwast; Jan Kees van Marle; Nora Steen.

Derde rij van boven, zittend v.l.n.r.:
Wiggert Brouwer; Annet Sandstra; Robbie Boon; Froukje Schenk; Bauke Muskee; Dinie Harder; Frits de Vries; meisje Wolbers?; Kees Bruul; Jaap Brouwer; Herman Domna; juffrouw Joke ?.

Onderste rij, zittend op de grond v.l.n.r.:
Ab Putting; Rinus Schoen; Jan Zwier; Ab Haaima; Simon Bok; Jaap Groot; Jan Lub; Jan Blom; Jaap Paartman; Fred Noordeloos.

op 21/4/09
Onderwerp: Anekdotes 1 reactie Tell a friend 5521 Clicks Ongepast  
\.
Bij ons in de buurt, in de Paktuinen, daar waar nu de Nieuwe Doelen staat, stond de muziektent van de stad Enkhuizen. Muziekkorpsen gaven er in de zomeravonden van de jaren vijftig af en toe concerten, maar dat was aan ons niet besteed, wij kinderen lagen dan in bed. Onze ouders en vele van de buren zaten op hun eigen stoelen op het trottoir te luisteren naar de muziek.

Rond de muziektent waren bosjes en struiken waarin we hutten hadden gemaakt om ons in te kunnen verstoppen of om in te vergaderen over wat we zouden gaan spelen. In de muziektent speelden we ook. Brede, hoge witte pilaren droegen het dak van de muziektent en achter die pilaren speelden we verstoppertje. Onder de vloer van de muziektent waren de stoelen en lessenaars van de muzikanten opgeborgen. Een paar loszittende planken in die vloer werden er door ons uitgelicht en we lieten ons zakken in de aarde donkere ruimte. Het was daar beneden net een circuspiste. Je kon langs een opstaande betonnen rand helemaal in de rondte rennen van de tent. Wel gebukt, want het was laag en een betonnen balk die de vloer droeg van de muziektent had een scherpe rand waar we wel eens behoorlijk mee kennis maakten. Binnen de ronde betonnen rand, in de piste zogezegd, lagen de stoelen en de muzieklessenaars netjes opgestapeld. Niet voor lang, want wij bouwden van de lessenaars en stoelen hutten. In die hutten woonden wij zogenaamd en gingen bij elkaar op visite.

Altijd als we aan het spelen waren gunde ik mij geen tijd om naar de wc te gaan. Want meestal was het zo dat als ik terug kwam van een wc bezoek iedereen gevlogen was en het spel uit. Maar ja, helemaal niet gaan kon ook niet, ik moest nu toch echt en hees mij op uit het gat in de vloer van de muziektent en riep naar de anderen dat ik zo weer terug zou zijn.

Ik heb het wel over een wc, maar dat was het niet. Op de plaats achter ons huis, helemaal achteraan tegen de schutting van de buren stond onze houten plee. Binnenin de plee zat je op een brede, houten plank met in het midden een rond gat waaronder een ton stond. In die ton, die door een houten schot aan het zicht was onttrokken, kwam alles terecht. De ton werd wekelijks vervangen met een lege door iemand van de gemeentereiniging. De man van de gemeentereiniging droeg de ton op een leren lap op zijn schouder door de gang van ons huis naar de tonnenwagen die in de straat stond. Toiletpapier hadden we niet. Oude kranten en radiobodes werden netjes aan repen gescheurd, de repen papier op elkaar gelegd, een gaatje erin geboord, een touwtje er doorgestoken en aan een spijker aan de wand van de plee werd de bundel opgehangen. We veegden de billen dus met het ‘laatste nieuws’. Voordat we naar bed moesten brachten we eerst een bezoek aan de plee. In de winter was het koud en donker en er was geen licht in de plee. Als een haas liep je in het donker over de plaats naar de plee, deed het haakje op de deur en dan hoorde je soms vreemde of enge geluiden. Bang rolde je wel eens een krant op en stak deze in de fik en hield die als een toorts omhoog om je bij te lichten. Was je klaar dan gooide je de brandende krant achter je gat door het ronde gat in de ton. Sissend doofde die krant dan maar soms ook niet en sloegen de vlammen uit het gat en hoopte je maar dat de houten plank waarop je net nog zat geen vlam zou vatten. En ja hoor, toen ik na het pleebezoek terugkwam bij de muziektent was iedereen gevlogen. Zo ging het nou altijd, ik slenterde maar naar de haven.

De grote mensen van de buurt kwamen die dag van hun werk en gingen nog even buiten zitten, het was mooi weer. Een van de jonge dames die in de broodfabriek werkte zat voor haar ouderlijk huis tegenover de muziektent en ze leek wel een huilend kind te horen. Ze vroeg de andere buren om mee te luisteren en ja, zij hoorden het ook. Ze zochten in de struiken rond de muziektent en aan de waterkant, maar zagen niemand. Het huilen werd luider en leek wel uit de muziektent te komen, dacht de jonge dame. Op haar tenen staand keek ze in de tent, niemand te zien. Ze klom over de balustrade de tent in, liep naar het gat in de vloer en stak haar hoofd in de donkerte. Duidelijk hoorde ze het kind huilen en alvorens zich in het gat te laten zakken riep ze eerst haar broer om haar te helpen. Beneden in de donkerte zocht ze bukkend naar het kind en toen ze het gevonden had reikte ze de kleuter door het gat aan haar broer. Ze brachten het jongetje snel naar huis waar zijn ongeruste ouders ontdaan het verhaal aanhoorden.

Nee, ik voelde me niet schuldig. Het jongetje zat in een door ons gebouwde hut en ik had ze gevraagd daar te blijven tot ik terug was. Hadden ze maar niet weg moeten gaan toen ik op de plee zat, zij waren hem vergeten, niet ik.

\.
Naast elkaar, zij aan zij, werkten staand aan een lange tafel de palingsnijders in de vishal aan de haven van Enkhuizen. Aal, dood na een hevige strijd in het zout, werd uit een vat op de tafel gesmeten waar de palingsnijders ze een voor een beetpakten. Met een scherp mesje werd de paling opengereten en in één handige beweging het hele darmstelsel uit de paling verwijderd. De hoeveelheid palingdarmen die na verloop van tijd op tafel kwam te liggen werd bij elkaar geveegd in een teil. De volle teil met palingdarmen gooiden de visverwerkers zo de haven in. En even later weer een teil en nog een. Zeemeeuwen vlogen krijsend af en aan en pikten vele van die darmen op uit het water.

‘Je gaat niet in de haven zwemmen hoor’, zei mijn moeder, die wist van de palingdarmen. ‘Nee…hee’, zei ik. Het was warm en even later zwommen mijn broertje en ik in de haven. Snel verscholen we ons achter een meerpaal toen moeder op haar opoefiets met de keukenschort nog voor speurend langs de haven fietste. Ze zag ons gelukkig niet.

Jelle, de rooie Urker, liep langs. Hé, smerige Urker, mogen we bij je in de broek wonen’, schreeuwden we vanuit het water. Urkers droegen broeken met van die enorm wijde pijpen, waarin elke pijp nog wel een mannetje bij kon. Daar bespotten we de Urkers altijd mee.
Sinds ik had gezien hoe Jelle zijn muts bovenop een spreeuw gooide die niet meer kon vliegen, het beestje vastpakte, de kop van de romp scheurde en het onthoofde vogeltje in tweeën weer weggooide, schold ik hem verrot. Wel op afstand, want ik was als de dood voor hem. ‘Ik verzuip je nog wel een keer’, schreeuwde Jelle terug en liep naar zijn botter.

Opoe…oe, riep ik luid voor de deur van het huis van mijn grootouders die aan de Havenweg  woonden. Ik kon niet bij de bel en moest wel hard roepen anders hoorden ze me niet, want ze woonden ’s zomers in de achterkamer aan het eind van de gang en opa was zelfs stokdoof. Wij woonden bij hun om de hoek in de Spoorstraat, ik kwam vaak bij ze.
Als we thuis iets aten wat ik niet lekker vond vroeg ik opoe of ik bij haar mocht eten. ‘Wat eten jullie dan, vroeg opoe? ‘Bruine bonen en die lust ik niet’, zei ik. ‘Wat eten jullie?’, vroeg ik ‘Gele bonen’, zei opoe. ‘O, mag ik dan bij jullie eten?’ Dat was goed. ‘Kom vanavond maar, wel even thuis zeggen hoor’, riep opoe nog.

Jelle zat in zijn botter een vislijn te spleten. Ik kuierde over de planken van de steiger die rond de haven liep. Sprong een paar keer van de steiger op de wal en met iedere sprong probeerde ik verder op de wal te komen. Opeens werd ik in mijn nek gegrepen en meegesleurd.

‘Nou ga ik je verzuipen’, zei Jelle met een van zweet glimmend gezicht. Hij veegde een paar rooie krullen onder zijn muts en sleepte me over de planken van de steiger naar zijn botter. Beresterk was Jelle, ik worstelde en kronkelde om los te komen, maar het lukte niet.

Op de voorplecht van zijn botter gekomen pakte Jelle me bij mijn enkels en liet me langzaam met mijn hoofd naar beneden naar het water zakken. Met mijn armen vooruit gestrekt gleed ik langs de scheepswand en nergens was houvast. Onderaan bij de waterlijn zat een verdikt randje aan het schip en met gespreide vingers probeerde ik me wanhopig tegen te houden, wat niet lukte. Mijn haren raakten het water en ik was overtuigd dat mijn verdrinken stond te gebeuren. Met een ruk werd ik opeens naar boven gehesen, kreeg een schop onder mijn kont en Jelle joeg me met natte haren de steiger op. Gelukkig kon ik er ver vanaf springen, dat had ik net nog geoefend en rende weg.

Een poosje later liep verderop een jongetje van een jaar of zes op dezelfde steiger. ‘Mag jij dat wel, zo dicht bij het water?’, vroeg ik. ‘Als je er in valt verzuip je’, zei ik. Ik greep het jongetje vast bij zijn enkels en hield hem op zijn kop boven het water. Tot mijn schrik gleed hij uit mijn handen en plonsde de haven in. Snel sprong ik van de planken, hield mij op de schuine walkant vast aan een dot gras en toen het jongetje onder de steiger krabbelde kon ik hem grijpen. Ik viste hem uit het water en net toen hij druipend op de wal stond, zag ik een buurvrouw boven op de Dam staan kijken. Ik schrok me wezenloos, zou zij alles gezien hebben? Maar nee, ze zag alleen hoe ik het jongetje uit het water haalde.

‘Dat is een jochie van de Breedstraat’, zei ze, ‘breng hem maar gauw naar huis’. Het jongetje zei de hele tijd niks, maar huilde ook niet toen ik hem naast mij lopend naar huis bracht. Op de Breedstraat kwamen direct een paar kinderen aangehold die vertelden waar het jongetje woonde.

Ik klopte op het raam van het huis, bij de bel kon ik niet. Zijn moeder deed open, ze keek ontzet naar haar druipende kind. ‘Ja’, zei ik, ‘hij is in de haven gevallen’. De moeder duwde het jongetje naar binnen en zei tegen mij, ‘kom ook maar even binnen’. In de kamer liep ze naar de schoorsteenmantel, veegde wat geld dat daar lag in haar hand en gaf het aan mij. ‘Bedankt voor het thuisbrengen’, zei ze. Buiten telde ik het geld. Wel vijfentwintig cent! Ik, die nooit een cent bezat, wat een weelde. Van dat geld kon ik mooi naar de film van Jeugdbelangen in de Muntbioscoop, dat kostte een kwartje. Er draaide een film met Abbot & Costello, een lachfilm. Na de film ging ik naar opa en opoe om de ‘gele’ bonen te eten. Bleken het gewoon bruine bonen te zijn. Gadverdamme, maar durfde niks te zeggen.

\.
Bonenwagen Sluis en Groot Foto Kroniek van Enkhuizen
Na lang zeuren mocht ik lekkere, verse kadetjes halen in de bakkerswinkel bij ons aan de overkant in de Spoorstraat. Ik rende de lange gang in naar de voordeur van ons huis en moeder riep nog: ‘Denk erom bij het oversteken’. Een klap, een flits en was toen even de weg kwijt. In de haast was ik tegen een boom opgelopen die daar toch al jaren stond, schuin voor onze voordeur. En toch is dat mijn geluk geweest.

De bonenwagen, een open laadwagen op luchtbanden van een plaatselijke zaadfirma kwam, door twee vurige zwarte paarden getrokken juist de Spoorstraat in denderen. De man op de bok sloeg met knallende en zwiepende zweep boven de paarden en die trokken de wagen vol geladen met zware zakken bonen en erwten in vliegende vaart door onze straat.

Het kleine, krullige hondje van de buren uit de bakkerswinkel aan de overkant ontsnapte uit de winkel en rende de straat op, onder de rijdende bonenkar door en kwam nog net onder één van de achterwielen van de wagen. Het hondje rolde om en om en rende toen met een bloedgang weer terug de winkel in. Toen ik weer een beetje bij mijn positieven was en in de bakkerswinkel stond lag het hondje dood voor de broodkist en de bakkersvrouw en ik er snikkend bij. Zij huilde om het hondje en ik om de zere buil op mijn kop.

Naast de bakkerswinkel was een tabakswinkel. Het gezin van de tabakswinkel had ook een hond, een prachtige Schotse collie. Op een dag had die collie een buurjongen gebeten en dat had hij beter niet kunnen doen. De vader van de gebeten jongen zwoer wraak.

Het gezin van de sigarenboer woonde in een huis tussen de tabakswinkel en hun lunchroom in, die zij ook bestierden. Het was een aaneengesloten gebouw, je kon vanuit de tabakswinkel door het woonhuis naar de lunchroom.

Een mooie zomerdag, het was heel druk in de lunchroom. De sigarenboer was met vrouw en personeel druk aan het werk. Iedereen was het bijtincident met de hond allang vergeten. De Schotse collie lag met opgeheven kop, de voorpoten elegant gevouwen over het kozijn, trots en onbewaakt in het open raam van het woonhuis. En kreeg toen een mes in de strot. De vader van de gebeten jongen liep zonder blikken of blozen zelfverzekerd kaarsrecht door en veegde zijn mes schoon. De collie rochelde zijn laatste adem uit. Tussen de families is het niet meer goed gekomen.

Veel erger was het toen wij aan het havenhoofd speelden en daar een man zagen die een grote steen gewikkeld in een stuk visnet vastbond aan de halsband van zijn hond. Daarna gooide hij de hond met steen en al de haven in. Het beest kwam nog wel boven water en trappelde als een gek, de ogen in paniek ronddraaiend in zijn kop. Lang hield de hond het niet vol en verdween in de diepte. Ontzet keken wij van de hond naar de man en liepen toen hard weg. Stel je voor dat hij ons ook de haven in zou gooien omdat wij hadden gezien wat hij had gedaan. Later zagen wij de hond helemaal opgezwollen drijven in de rommelhaven.

Een buurjongen vroeg mij of ik met hem meeging hun hond wegbrengen. Hij moest naar de gemeentegarage op de Breedstraat en dat was best een eind weg. Dirkie, de hond liep vrolijk kwispelend met ons mee. Bij de gemeentegarage was een man die vroeg wat we kwamen doen. ‘Mijn vader wil de hond niet meer’, zei de buurjongen. De man liep met Dirkie naar een witte kast in een hoek van de garage. Hij deed de klep open, het hondje kreeg een halsband om leek het, en zette het dier in het kastje. De klep met daarin een raampje ging dicht en we zagen Dirkie door het glas, niet begrijpend om zich heen kijken. Opeens, iéééps, een sprong en daar lag Dirkie met zijn tong uit zijn bek op de bodem van het kastje. Hij was geëlektrocuteerd. De man van de gemeentereiniging haalde de dode hond uit het kastje en gooide deze in de vuilniswagen. Zo ging dat, toen…

Resultaten:61 - 64 van 64
Volg ons via RSS
Volg ons op Twitter
Volg ons op Facebook
Volg ons op Youtube