Deze website maakt gebruik van cookies. Klik hier voor meer informatie.      Sluiten
 

Artikelen van Marinus Schoen

Artikelen van: Marinus Schoen
Laatst geplaatste artikel: woensdag 14 oktober 2009
Totaal aantal artikelen: 64
Resultaten:51 - 60 van 64
\.
Rinus Schoen (blonde) 1942 en Klaas Schoen 1944
Boeginezen, een volk van het Indonesische eiland Sulawesi (Celebes) waren ook al in de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) tijd ervaren scheepsbouwers, zeevarenden en handelslieden. Zij hadden handelsvestigingen op Sumatra, Kalimantan (Borneo) en Sumbawa. Zij vormden een machtsfactor waarmee de VOC terdege rekening moest houden. Soms werd er met de Boeginezen samengewerkt, maar ook maakten zij het de Nederlanders bijzonder lastig. Boeginezen kreeg een reputatie van zeerover. Door toedoen van Boeginezen leed de VOC soms aanzienlijke verliezen en werd er wel eens een complete bemanning van een zeeroversschip gevangen genomen en vervolgens als slaaf verkocht.

In juni 1722 vertrok het fluitschip Huis de Vlotter van de rede van Texel en arriveerde op 3 februari 1723 te Batavia. Er volgden enkele maanden waarin het schip ladingen vervoerde tussen diverse eilanden, totdat op 24 november 1723 de terugreis naar Patria begon. Aan boord waren twee passagiers, de buiten kwaliteit en gage gestelde onderstuurman Barend Bakker en de blinde ex-timmerman Jan Gietenmaker. Laatst genoemde zou ‘overvaren’, waarvoor daartoe gestelde transport- en kostgeld werd betaald. Het eerste gedeelte van de reis heeft Jan Gietenmaker tal van moeilijkheden en ongemakken op eigen kracht doorstaan. Wat zich vervolgens in de weken na aankomst op Kaap de Goede Hoop (11 maart 1724) met hem heeft afgespeeld, valt niet precies te achterhalen. Door ouderdom, blindheid en de tot dan toe doorstane ontberingen werd hij op Kaap de Goede Hoop verzorgd in het hospitaal. Daar kreeg hij de gelegenheid om zich te verzekeren van fysieke hulp en bijstand voor de laatste etappe van de reis.

Johanna van Romond, weduwe van hospitaalchirurgijn Pot op Kaap de Goede Hoop, bood Jan Gietenmaker aan om één van haar slaven te kopen: Cupido van Bougis. Deze ‘slavejongen’ kende enkele woorden Nederlands en had de blinde timmerman in het hospitaal verzorgd. Bougis, een verbastering van Boeginees, was een slaaf uit Celebes die op de Kaap terecht was gekomen. Het meenemen van slaven naar Patria was aan regels gebonden. Gietenmaker moest voor de koop toestemming vragen aan de bevoegde instanties op de Kaap. Zijn verzoek werd toegestaan en op 2 april lichtte Huis de Vlotter het anker.

Op 6 juli 1724 arriveerde in een vloot van 21 schepen Huis de Vlotter op de rede van Texel. Gegevens over sterfte onder de bemanningsleden ontbreken. Het overlijden van Jan Gietenmaker is in de archieven, ook na 1724 niet terug te vinden. Zodat niet is uitgesloten dat hij de reis ondanks de bijstand van zijn slaaf niet heeft overleefd.
Gezien de omvang van de vloot vertrok een groot aantal bewindhebbers naar Texel waaronder Frederik Lakenman van de VOC Kamer van Enkhuizen. De bewindhebbers dienden zich voorzien van voldoende gabuleurs (verantwoordelijk voor het overladen van de goederen op kleinere schepen voor vervoer over de Zuiderzee) en sjouwers, zo spoedig mogelijk op de hoogte te stellen van de toestand van ladingen, bemanningen en passagiers. Wellicht is Lakenman ook aan boord gegaan van Huis de Vlotter en had daarbij het eerste contact plaats met de slaaf Cupido van Bougis.

In het jaar 1724, het jaar waarin Cupido van Bougis in Nederland arriveerde verscheen het eerste deel van het bekende boek Oud en Nieuw Oost Indiën van predikant Francois Valentijn (Dordrecht, 1666) die van 1685 tot 1713 in Indië verbleef. Bewindhebber Frederik Lakenman was onder de indruk van de schrijver en vernoemde naar hem zijn Indische slaaf. Op 20 februari 1725 werd door de gereformeerde predikant Henricus Schainck gedoopt: ‘Cornelis Valentijn, bejaerde (lees volwassen) gewesene slaef.’ Op het moment van zijn doop woonde Cornelis Valentijn in huis bij de vooraanstaande Enkhuizer regent Frederik Lakenman. In notariële akten wordt Cornelis Valentijn aangeduid als de ‘lijfknecht’ van Lakenman. Op zijn sterfbed bedacht Lakenman zijn vroegere lijfknecht bij testament (29 mei 1729) met een gemeneland obligatie van 603 gulden. Dit bedrag kon Cornelis goed gebruiken, temeer daar hij op 24 april 1729 was getrouwd met Trijntje Jacobs. Op 2 oktober 1763 trouwde Cornelis Valentijn voor de tweede keer, met Pietertje Jans de Vries, nadat zijn eerste vrouw Trijntje een jaar eerder was overleden. Ook de kinderen uit zijn eerste huwelijk zijn allen vóór zijn tweede huwelijk overleden. In 1766 en 1767 werden uit dit tweede huwelijk twee dochters geboren die beiden na een maand overleden.

Op 26 juni 1768 werd ten slotte een zoon gedoopt: Jan Valentijn. Op vrijdag 31 maart 1769, om 1 uur ’s middags blies Cornelis Valentijn (alias Cupido van Bougis) de laatste adem uit.

In mei 1788 trouwde Jan Valentijn, nog geen twintig jaar oud, met Maritje van de Berg. Zij zouden acht kinderen krijgen, waarvan er slechts twee jong stierven. Drie jongens en drie meisjes Valentijn zijn in het huwelijk getreden.`

Deze tekst is in oorspronkelijk vorm gepubliceerd in Steevast 1993 jaaruitgave van de Vereniging Oud Enkhuizen.

Eén van de drie zonen van Jan: Gerrit Valentijn, geboren 25 mei 1803, trouwde op 12 december 1824 met Magteltje Paartman en zij kregen drie kinderen. Eén dochter Maria en twee zonen, Willem en Frederik.

Deze dochter Maria Valentijn, geboren 11 november 1838 trouwde 25 december 1862 met Pieter Schoen, geboren 3 november 1838. Zij kregen vier dochters en één zoon, Pieter, hij werd geboren op 13 maart 1872.

Deze Pieter Schoen (1872) trouwde op 25 mei 1904 met Ebeltje Evelina Fijma (geb. 26 oktober 1879). Zij kregen zes kinderen, waaronder zoon Marinus Schoen (geb. 24 januari 1910).

Marinus Schoen (1910) trouwde 11 juli 1935 met Marijtje Koedooder (geb. 14 juni 1914) en kregen vijf zonen. Als eerste: Pieter Schoen (geb. 3 november 1935), tweede: Cornelis Schoen (geb. 18 augustus 1937), derde: Marinus Schoen (schrijver dezes, geb. 11 november 1942), vierde: Klaas Schoen  (geb. 16 februari 1944), vijfde: Hans Schoen (geb. 26 mei 1947).

Waarom de broers Schoen niet allemaal gelijken moge dus duidelijk zijn.

\.
Jong personeel drij. Posthuma eind jaren '50 begin '60. Bovenster rij: Mieke Visser, Akkie Visser, met pet Gerrit Pieters. Onderste rij: Lies Visser, Wim Dijkstra, Jenny Valk en Dineke Bok.
Drukkerij Over de Linden/Posthuma failliet.
Vandaag lezen we dat helaas in de Enkhuizer Courant. Ook stond er te lezen dat beide drukkerijen stevige concurrenten waren van elkaar. In 1957 trad ik in dienst bij drukkerij Posthuma, toen nog gevestigd aan de Breedstraat tegenover het stadhuis.


Als leerling handzetter moest ik regelmatig naar drukkerij Over de Linden om het een en ander van ze te lenen of terug te brengen.

Het grafische vak was een apart vak waar een 12-delig rekenstelsel werd toegepast. De cicero maat (ook Augustijn genoemd) bestond uit 12 punten en alles was in cicero lengte. Een tabel maken bijvoorbeeld was een ingewikkeld smoutje dat je maakte met koperen haarlijnen, 1- en 2- puntslijnen, dubbele haarlijnen of stompfijne lijnen, 2- of 3 punts volvette lijnen, in zoveel cicero lengte en vulde je op met loden holwit. Letters in spiegelschrift op z’n kop lezen, etc. Voor een leek eerst niet te bevatten. Je werd dan ook regelmatig in de maling genomen en naar Over de Linden gestuurd om bijvoorbeeld een ons rasterpuntjes of een elektrische corrigeertang te halen.

In de Torenstraat waar toen drukkerij Over de Linden was gevestigd stapte je de deur van de zetterij binnen (nu stap je daar café de Lange Jan in) en liep naar de chef zetterij Ger van Dam. Hij stuurde je met een stalen gezicht door naar de heer Lub en die verwees je naar Jan van Dam de machine zetter. En een lol dat ze hadden. Beschaamd droop je af maar later deed je hetzelfde met de volgende leerling. Bij het samengaan van beide drukkerijen werkte ik daar niet meer, maar weet wel dat niet alleen de drukkerijen samengingen maar ook, middels het huwelijk, een dochter van directeur Posthuma en een zoon van directeur De Jong van drukkerij Over de Linden.

Van stevige concurrentie, zoals ook in het bericht stond te lezen heb ik nooit iets gemerkt, eerder van collegiale vriendschap.

\.
Foto "Modern" Noorderweg Enkhuizen
Deze foto vond ik in de nalatenschap van mijn familie. Achterop staat: Foto "Modern" Noorderweg Enkhuizen.

Jan de Boer schrijft op de Kroniek van Enkhuizen over Trien Bakker met haar fotoatelier aan de Noorderweg. Wellicht is deze foto door haar gemaakt.
Maar ter gelegenheid waarvan, wanneer en wie erop staan is mij niet bekend. Wie wel?

Trien Bakker (heel oneerbiedig) noemden we vieze Trien. Ik zie haar zo weer fietsen met haar onverzorgde uiterlijk, lange jas en altijd haar baret op het hoofd. Ze kwam vaak naar de haven en schepte wat van het puf zo in haar fietstas (voor haar kippen zoals Jan de Boer in zijn prachtige verhaal over haar schrijft). Wij kinderen waren altijd een beetje bang voor haar, maar dat was achteraf niet nodig, want ze had een goed hart, volgens De Boer. 

Zelf zocht ik soms in het puf naar een verdwaalde paling en als ik er dan een aantal had uitgepikt bracht ik die naar bevriende buren in de Spoorstraat die er gek op waren. Zal vast wel een beloning  hebben gekregen, want voor niks gaat de kat dood.

\.
't Suud van Enkhuizen
Havenkwartier september 1952. ‘Mogen we nog even buitenspelen?’, vroeg ik mijn ouders na het avondeten. Meestal mocht dat niet, alleen soms in de grote vakantie. Nu was het wel geen vakantie, maar nog wel erg mooi weer. Het mocht, een halfuurtje. Mijn broertje en ik renden naar buiten op zoek naar speelgenootjes.

We gingen boefje en agent spelen. ‘Iene miene mutte, tien pond grutte, tien pond kaas, iene miene mutte is de baas’, maakte uit wie de agenten en wie de boeven werden. Eén van de buurmeisjes en ik werden de boeven en de rest werd agenten die ons moesten zoeken en proberen te vangen nadat we eerst een voorsprong hadden gekregen.

Wij boeven renden direct naar de bosjes op het Landje van Top waarin ook grote bomen stonden en klommen in een hoge boom. Bovenin de boom tussen de bladeren verscholen zaten we op een tak en hielden ons muisstil. Echter, de tak waarop we zaten brak af en we vielen brullend omlaag. Het buurmeisje bleef met haar gebreide jurk aan een van de onderste takken hangen en mankeerde daardoor niets maar ik klapte rechtstreeks op de grond. De lucht sloeg uit mijn lijf en kon even geen kik meer geven. Toen ik enigszins op adem kwam en erge pijn in mijn linkerarm voelde riep ik om mijn moeder, maar een buurvrouw kwam aangesneld en wilde mij ondersteunen op weg naar huis. Dat was mijn eer te na en ik liep mijn linkerarm zelf ondersteunend naar huis in de Spoorstraat.

Moeder vertrouwde het niet erg, zag ik dat ik echt veel pijn had en vond dat we maar naar de dokter moesten gaan. Bij haar achterop de fiets zittend reden we over de oude Wilhelminabrug, daarna met een rotgang het Venedie af rechtdoor de Van Bleiswijkstraat in naar dokter Van der Heide. Die was niet thuis, maar zijn vrouw zei, ‘kom maar even binnen, dan zal ik er wel even naar kijken’. Blouse uit, hemd uit, en dat deed pijn, ik kon mijn arm haast niet bewegen. De vrouw van de dokter stond het ook niet en zei tegen mijn moeder dat de dokter rond tien uur ’s avonds thuis zou zijn. Hemd aan, blouse weer aan en terug naar huis achterop de fiets. De helling van het Venedie kon moeder met mij achterop niet nemen en ik moest van de fiets afspringen met mijn zere arm.

Thuis zat ik doodstil op een stoeltje aan een tafeltje dat onze vader voor ons had getimmerd. Aan dat tafeltje speelden wij altijd. Nu kon ik mijn pink niet eens bewegen, zoveel pijn deed het. Moeder vroeg of ik wat wilde drinken of een koekje wou hebben, maar het kon gewoon niet, als ik even bewoog, hield ik het niet van de pijn.

Tegen tienen weer bij moeder achterop de fiets. Ik was nog nooit zo laat opgebleven. Weer over de Wilhelminabrug het Venedie af naar de dokter. Hij was thuis. Mijn blouse en hemd uit en de dokter keek heel bezorgd. Moeder moest maar met mij naar het ziekenhuis gaan, vond hij. Hemd en blouse weer aan en daar ging ik achterop de fiets naar het Snouck van Loosenziekenhuis in de Vijzelstraat. In het ziekenhuis lag ik op een harde tafel, moest dan zus en dan zo gaan liggen, er werden röntgenfoto’s gemaakt. Op een gegeven moment hoorde ik iemand zeggen dat ik in het ziekenhuis moest blijven. Toen zette ik het op een brullen, want dat wilde ik niet. In het ziekenhuis ging je dood wist ik, want mijn opoe moest er naar toe en was daar dood gegaan. Een buurvrouw voor wie ik wel eens boodschappen deed ging er dood en ook onze melkboer, die elke dag bij ons aan de deur kwam was er gestorven.

Ik heb zeker een spuitje gekregen want toen ik weer een beetje bij mijn positieven kwam lag ik in een bed met mijn bovenarm ingetapet. Bij de elleboog zat een klein plankje waar een touw uitstak. Aan dat touw zat een ketting vast die over een aan het bed bevestigde katrol liep en onderaan de ketting hing een zwaar gewicht. Er bleek een spier te zijn gescheurd in mijn bovenarm.

Ik lag op de kinderzaal met kinderen die geopereerd waren of nog moesten. Bij een jongen die naast mij lag was net zijn blindedarm verwijderd en hij moest uit de narcose komen. De zuster tikte hem zachtjes op zijn wangen en verdwaasd keek hij haar aan. ‘Waar ben ik?’, vroeg hij heel sloom. ‘In het ziekenhuis’, zei ze. ‘Wie bent u?’, vroeg hij met een lange uithaal. ‘Zuster Stoop’, zei de zuster. ‘Strrroop? Hmm, lekker, zei hij heel lijzig. Ik hikte van het lachen.

Dat gewicht aan mijn arm moest een beetje boven de grond zweven. Omdat het trekken van dat gewicht pijn deed aan mijn arm schoof ik zoveel mogelijk naar de kant van het bed zodat het gewicht op de grond rustte. De zuster greep mij in de lurven en plaatste me weer in het midden van het bed. Toen ze daarna weer met die jongen naast mij in de weer was schoof ik voorzichtig weer naar de kant. De zuster werd boos, schoof mij weer terug in het midden en deed het hek aan de rechterkant van mijn bed omhoog. Dat was een straf, dat was een vernedering, ze kleineerde me, want alleen kleuters op de zaal lagen in een bed met de hekken omhoog. Met mijn grote teen kon ik het lipje bereiken aan het voeteneind van het bed en met mijn rechterhand het bovenste lipje die het hek vasthielden. Ik lichtte de lipjes op en het hek viel met een donderende klap naar beneden. Iedereen schrok zich een ongeluk, de jongen naast mij was gelijk uit zijn narcose. De zuster kwam woest op me af, en ik vastgebonden en geen kant uit kunnende, gaf ze mij een draai om de oren en rukte het hek weer omhoog. Voor straf zette ze een scherm rond mijn bed en mocht ik niemand meer zien. Lig je in het ziekenhuis, krijg je nog een klap voor je kop ook.

Mijn broertje kwam samen met een buurjongen op bezoek tijdens het bezoekuur en het scherm werd weggeschoven. De buurjongen had een zak met peren voor mij meegebracht. Het hek van mijn bed was nog steeds omhoog. Al pratende en lachende sloeg en wiebelde ik zonder erg met die zak peren tegen dat hek, en opeens…. blubbb, daar vielen de peren in blubber uiteen op de grond. Ze waren zonder erg tot moes geslagen en door de papieren zak heen geweekt. Na het bezoekuur kwam de zuster de ronde doen en zag de smurrie op de grond. ‘Wat is dat?’, vroeg ze. ‘O’, zei ik, ‘’een buurjongen die op bezoek kwam vertelde ik dat je ook geslagen wordt in het ziekenhuis en werd toen misselijk.’ Het leek net echte braaksel. Boos is ze een emmer met sop gaan halen en heeft de boel opgeruimd.

Na drie weken mocht het verband van mijn arm. Heel grote blaren hadden zich onder het verband gevormd. Ik mocht gerust wel even huilen, zei de zuster, want met het verwijderen van het verband trok ze de blaren open en dat deed verrekte pijn. Maar lang niet zoveel pijn als toen ik thuis aan ons tafeltje zat, en toen huilde ik ook niet.

op 1/9/09
\.
Harddraverij foto Kroniek van Enkhuizen
Begin jaren vijftig waren wij kinderen van het Havenkwartier ons weken van tevoren al aan het voorberijden voor de harddraverijdag. We vroegen onze moeders om lege garenklosjes, spijkerden er vier spijkertjes op en voor restanten wol gingen we de hele buurt langs, de kleur maakte niet uit.

Op die garenklosjes punnikten we leidsels, hele slierten in allerlei kleuren. De een werd ingespannen, de ander mende en op het ‘op uw plaatsen, een, twee, drie klaar…. af,’ draafden we om het hardst door de Paktuinen.

Een week voor de grote dag sloeg mijn vader, die bij de Gemeente werkte, houten palen in de grond langs de baan, spande daartussen een draad waar het publiek achter moest blijven tijdens de race. Maar het mooiste van alles was de tribune die langs de baan werd gebouwd. Als de werklui weg waren was de tribune van ons. We speelden er tikkie, verstoppertje, sprongen van bank op bank, renden en rausden met een rotgang door de tribune en dat mocht niet. Daarom werd er een wacht aangesteld, de oude heer Bok. Hij moest ons uit de tribune houden. Als de oppasser aan de ene kant in de tribune stond zongen wij in koor aan de andere kant een populair liedje in die tijd:

"Bokkie, bokkie, bokkie bè", de bok zei niets maar iedereen riep bèhh…

De oude Bok rende op zijn klompen op ons af. Wij sprongen op de banken, wurmden ons door de kieren van het zeildoek aan de achterkant van de tribune en lieten ons daar zo in de bosjes vallen. Dat durfde de oppasser niet.

Even later zongen we opnieuw ’bokkie bè’ aan de andere kant van de tribune en schoten in de opening van de vloerverdiepingen tot onder in de tribune toen hij weer op ons afkwam. Hij rende halverwege toen we hem beentje lichtten en de oude Bok lag geveld.

Dat moet je natuurlijk niet doen als je vader bij de Gemeente werkt want dan ben je altijd de klos. Pa maakte de klomp van de heer Bok met een ijzeren bandje om de kap en ik moest mij bij pa in de schuur melden om mijn verdiende loon in ontvangst te nemen. De straf om naar bed gestuurd te worden was niet zwaar genoeg vond hij. Mijn god….

Het draven zelf op de grote dag had eigenlijk niet zo onze aandacht. De dag na harddraverij was belangrijker. Dan zochten we voor het naar school gaan naar geld dat misschien verloren was bij de totalisator of bij de pisbak. Eén keer vond ik zelfs een gulden en schrok ervan, maar hield het wel stil. Toen mijn broertje en ik naar school liepen vroeg ik hem wat hij liever had, een karamel of een chocolade reep. ‘Een reep vanzelf’, riep hij. ‘Die krijg je van mij, na school gaan we er een kopen’, zei ik en liet hem de gulden zien.

Na school kochten we bij snoepwinkel Swidde in de Westerstraat vijf repen en bij Boekestein de banketbakker twee grote brokken speculaas. Na één brok speculaas waren we al misselijk en hadden dat andere brok en de repen thuis maar aan moeder gegeven. Dat hadden we beter niet kunnen doen want in plaats dat ze blij was werd ze boos. Niet dat ze de gulden aan de rechtmatige eigenaar terug had willen geven, die was toch niet aan te wijzen, maar ze had er gas muntjes van kunnen kopen voor in de gasmeter, zei ze, die waren bijna op.

Een dag later, toen we met de halve buurt weer aan het geld zoeken waren klonk er opeens: ‘Een NEDERLANDSE rijksdaalder!’ Waarom ze dat riep is mij nog steeds een raadsel, want laat staan dat we ooit een rijksdaalder hadden gezien, een buitenlandse al helemaal niet, als die al bestond. We stoven op haar af en warempel, ze zwaaide triomfantelijk met het blauwgrijze papiertje.

In die tijd had je papieren guldens en rijksdaalders. De guldens waren lichtbruin en de rijksdaalders blauwgrijs. Opgewonden en in optocht gingen we de stad in naar ijsboer Piet Oud en de gelukkige vindster gaf ons allemaal een ijsje. Daarna met zijn allen rennend door de Westerstraat naar banketbakker Boekestein en daar aten we allemaal een taartje. Bij snoepwinkel Swidde werd de rest van het geld omgezet in toverballen. Daar had je wat aan, kon je lekker lang op zuigen, uit je mond halen en de anderen laten zien welke kleur je nu weer ‘getoverd’ had.

Wat een feest gaf zo’n harddraverijdag, trouwens nog steeds!

\.
Aaf Bijl, Joop Knukkel, Reini de Vries werkten bij drukkerij Posthuma in 1959
Als de heer Volgers tot een markante Enkhuizer behoort, kunnen we toch ook niet om Joop Knukkel heen. De Tijger in de Raad van Enkhuizen werd hij genoemd. Joop heeft voor een nieuwe liefde Enkhuizen verlaten, maar ik neem aan dat zijn hart er nog steeds naar uitgaat.

Joop ken ik van toen wij samen bij drukkerij Posthuma werkten (1957-1959, in die tijd tegenover het Stadhuis). Ook Aaf Bijl (later Rieuwerts) werkte daar. Toen dachten ze beiden waarschijnlijk al, je kunt beter aan de overkant zitten, dat ze inderdaad ook lukte. Aaf Bijl als raadslid voor de Partij van de Arbeid en Joop Knukkel als raadslid voor de CPN. Joop kwam zelfs op het pluche en was jarenlang wethouder. Sociaal bewogen als Joop was werd hij door menigeen op straat aangeklampt voor een oplossing van hun problemen.

Verschillende Enkhuizer wethouders kregen vanwege hun verdienste een straat of steeg naar zich vernoemd. Denk aan het wethouder Westdorppad, wethouder Visserpad, wethouder Stapelstraat, wethouder Vosplein, Piet Rodenburgplein, etc. Mij nog het gekrakeel herinnerend over het Hoerenjacht steegje, een steeg die van de Westerstraat naar de Waagstraat loopt, een naam die bij menigeen niet in goede aarde viel, stel ik voor om deze steeg om te dopen in de Tijger Knukkelsteeg! Opdat Joop niet wordt vergeten.

\.
Spoorstraat 21, Enkhuizen, pand waar in de jaren vijftig een dames- en herenkapsalon was gevestig, waar boven het kappersgezin woonde met vijf dochters. Foto: M. Schoen, augustus 2010.
In de Spoorstraat waar wij begin jaren vijftig woonden was ook een kapsalon, dames en heren zaak. Buurvrouw, samen met nog een andere kapster, kapten de dames en buurman knipte en schoor de heren. Het kappersgezin had toen vijf dochters en ons gezin vijf jongens. Ook wij werden om de zoveel tijd geknipt door buurman kapper. Op een hoge stoel gezeten met een laken om je nek werd je door hem met een schaar en een handtondeuse geknipt. ‘Ik knip je oor eraf’, dreigde buurman, ‘want je hebt mijn dochters gepest.’ Ik kreeg het benauwd en ontkende. ‘Als je dat nog één keer doet dan knip ik niet alleen je oor eraf, maar sluit je ook samen met Hector op in de kast onder de trap. Hector was hun herdershond en die was niet voor de poes. Ik beloofde beterschap.

De kapper had achter zijn huis een ren met kippen. Hoe of het was afgesproken weet ik niet maar moeder kreeg om de zoveel tijd een schaaltje met eieren van de kappersburen. Moeder lette nu extra goed op dat de dochters van de kapper niet door ons werden gepest. Ik ben toen zelfs nog met een van die meisjes getrouwd. Het was de tweede dochter in het gezin, op haar was ik een beetje en sjouwde soms met haar de hele stad door als zij boodschappen moest doen bij klanten die weer bij hun in de kapperszaak kwamen. Ik hielp het buurmeisje dan haar grote, zware leren tas te dragen. We trouwden als volgt: met de halve buurt gingen we naar het Snouck van Loosenpark en stopten daar onze zakken vol met van die roze bloemblaadjes die er in hopen onder de bomen lagen. Weer terug aan de haven liep ik met het bewuste buurmeisje gearmd een trap af aan de haven en de andere buurtkinderen strooide dan die bloemblaadjes over onze hoofden. Daarna aten we een paar appels, gepikt uit de fruittuin die naast het park lag. Wel hadden we in de fruittuin in onze korte broek nog door een veld brandnetels moeten rennen toen de bewaker achter ons aanzat.

Bij de groenteboer op de hoek van de Spoorstraat / Havenweg stonden groenteblikken keurig als een piramide opgestapeld in de etalage. In het kozijn van de etalage zaten kleine luchtgaten afgeschermd met gaas. Met een stok uit de bosjes ragden we door het gaas in de luchtgaten en stootten de piramide om. De vrouw van de groenteboer die in de winkel klanten aan het helpen was kreeg een aantal van die blikken op haar voet en die voet zat al in het verband. Waar ik niet aan had gedacht was dat de groenteboer zijn vrouw een nicht was van mijn vader. Ik lag dan ook al heel gauw in de bedstee. De dochter van de kapper, waar ik net voor het omstoten van de blikken mee was getrouwd, kwam een schaaltje eieren brengen voor moeder. ‘Kijk’, zei mijn moeder en ze deed de deuren van de bedstee een stukje open, ‘daar ligt je bruidegom’. Ik schaamde me dood, zat nog liever met Hector in de trapkast.

De leverantie van eieren door buurman kapper was gestaakt. Mijn oudste broer had met behulp van een sterk brille glas, dat hij van een oude buurman had gekregen, alle kammen die bij de kapper in de etalage lagen omgekruld. Met het brille glas ving mijn broer de zon op en richtte een felle straal door de etalageruit op de kammen. Het was een fascinerend gezicht hoe de kammen, zonder dat je ze aanraakte, kronkelden en prachtig omkrulden. Helaas konden de haren met deze kammen niet meer worden gekamd. De kapper had de politie erbij gehaald en de schade moest worden vergoed. Ook mochten zijn dochters niet meer met ons spelen, want wij hadden de zwarte duivel in onze ziel, zeiden ze. Wat ze daarmee bedoelden begreep ik niet, maar het was vast heel erg.
De kinderen van de kapper gingen naar een Rooms Katholieke school en wij naar een Openbare. De herfstvakantie van onze scholen liep niet gelijk, wij hadden in oktober kachelzet vakantie. Dan werd de kachel die het schoollokaal in de winter moest verwarmen weer geplaatst en katholieken hadden herfstvakantie rond 1 november, de dag van Allerheiligen. Op die Rooms Katholieke school gaven nonnen les, dat vonden wij heel raar, maar er was ook een gewone juffrouw. Nou ja gewoon, ze was behoorlijk dik.

Omdat de dochters van de kapper toch niet meer met ons mochten spelen, brachten we in onze herfstvakantie een bezoek aan hun school. We scandeerden voor het raam van de dikke juffrouw:

Ken je juffrouw dikke bil
Dikke bil zo hiet ze
Zeven scheten liet ze
Elke scheet woog honderd pond
Dat is juffrouw dikke kont


We zagen de kinderen in haar klas besmuikt lachen en de juffrouw trok woest de gordijnen dicht. Maar goed, ik heb het geweten.

We gingen toen maar weg en keken daarna bij een slagerij, die bijna naast die school was, plat op onze buik liggend onder de poort door. De deuren van de slachtplaats stonden wijd open en een varken liep er voor, vastgebonden aan een boom. Het varken werd door de slager losgemaakt en hevig tegenstribbelend naar binnen getrokken. Op de gladde vloer van de slachtplaats gleed het varken uit en zakte door zijn poten. Een andere man danste met een ijzeren pin in zijn ene hand en een houten hamer in de andere om het varken heen. Het varken krijste hevig en opeens sloeg de man met de hamer de pin in het varken zijn kop. Toen gilde het varken nog harder maar de slager sneed met een groot mes de keel van het varken door en het bloed gutste eruit. Ontzet en dodelijk verschrikt vlogen we weg.

Na de herfstvakantie moest ik me op school melden in de kamer van het hoofd. Daar werd je af en toe onderzocht op hoofdluizen door een zuster van het Groene Kruis. Ze ging dan met een fijne kam met scherpe punten heel strak door je haren. Het deed soms gewoon pijn, nee zachtzinnig deed ze dat niet. Maar nee, niet de zuster maar het schoolhoofd wachtte me op. Een van de dochters van de kapper die bij de dikke juffrouw in de klas zat had haar verteld wie wij waren en op welke school wij zaten. De meester vroeg heel streng van wie ik zulke versjes leerde. Je kon beter niet ontkennen, want je kreeg zo een lel van hem. Ik zweeg en keek naar de grond. ‘Nou?’, zei hij. ‘Kweet niet, meester,’ fluisterde ik. Kon toch slechts zeggen: ‘van mijn vader, die had mij wel meer een versje geleerd dat niet door de beugel kon en ik in mijn onschuld voor mijn grootouders zong. Maar dit versje begreep ik donders goed. Voor straf moest ik een week lang elke dag nablijven en strafregels schrijven. We zongen het versje toch met meerdere kinderen? Alleen ik werd eruit gepikt en gestraft. Zou het dan toch de zwarte duivel zijn?

\.
In de jaren vijftig van de vorige eeuw gold een leerplicht tot en met veertien jaar. Na de zes klassen van de Lagere School was je nog twee jaar leerplichtig. Lang niet iedereen ging na de lagere school naar de Ambachtschool, ULO of HBS, scholen die Enkhuizen rijk was.

De VGLO (Voortgezet Lager Onderwijs) in de Bosschool aan het Bosplein in Enkhuizen volgden de leerlingen op bijgaande foto.

Achterste rij v.l.n.r.: Klaas Schoen; Annie Planting; Ebe Kloosterman; Roel Huisman; Gerrit van Nijendaal; Arie de Graaf; Siem Tol; Cor Roosendaal; Jan Brouwer; …? Mantel;  Kees …?

Tweede rij v.l.n.r.:  Trientje Vis; Tinie Reuvers en bukkend Piet Franken (Bielsma).

Voorste rij v.l.n.r.:  Nelly Koorn; Froukje Schenk; Rinus Schoen; Nico Jan Waalkens; Hennie de Jong; Harry Kolk; Corrie Klopper; Arend Kouwenhoven; Jildert van der Horst.

op 23/7/09
\.
Het loodtijdperk is voorbij. V.l.n.r: Bart de Vries, Arie v.d. Sloot, Erwin Schoen, Arjen Smit (alleen gezicht) en Rinus Schoen achter de zetmachine.
De Kroniek van Enkhuizen laat o.a. vele tijdperken zien die voorbij zijn. Als je de prachtige informatie borden bekijkt die in de stad zijn opgesteld vervult je dat met weemoed. Er staan zelfs mensen op afgebeeld die ik (1942) herken en sommigen ook goed heb gekend.

Bijgaande foto laat een tijdperk zien dat ook voorbij is. Het loodtijdperk in de grafische industrie. Mijn grootvader uit 1872 leerde dezelfde indeling van de letterkast als ik, hij wist mij in 1957 nog precies de indeling te vertellen toen ik als leerling handzetter was begonnen. Een bedrijfstak gaat honderden jaren op de zelfde wijze mee en opeens is het voorbij.

De foto laat zien hoe de Intertype loodzetmachine van de ruim honderd jaar bestaand hebbende drukkerij J.W. de Graaf BV (toen gevestigd in de Westerstraat) door het toenmalige personeel wordt verwijderd. Ikzelf probeer de machine nog tegen te houden in de Molenweg maar mijn oudste zoon (voorovergebogen) duwt hem resoluut de straat op. Weg ermee! Het offset tijdperk was begonnen.

op 20/5/09
\.
Spoorstraat Enkhuizen Foto Kroniek van Enkhuizen
Grotere jongens van onze buurt het Havenkwartier waren begin jaren vijftig wezen knokken in de Sint Jansstraat buurt. Lange stokken die goed konden zwiepen werden daarvoor uit de bosjes rond de muziektent gerukt en stokken waar een punt aan werd geslepen, dienden als speer.

Een verkeerd geworpen speer kwam tijdens het gevecht nog tegen het hoofd terecht van een jongen uit onze eigen buurt. Hij was bloedend en huilend naar huis gegaan, maar toch had onze buurt gewonnen. Daarom durfden wij, de jongere garde, de overwonnen buurt te verkennen. We zagen er wel kinderen, maar zij hielden zich gedeisd.

Een gedeelte van de Boschschool daar, was een groot vierkant gebouw en aan drie kanten ommuurd. We klommen op de schoolmuur en via een regenpijp kwamen we op het dak van de wc’s. Vandaar verder klimmend langs een andere regenpijp naar een brede dakgoot die om het hele gebouw liep. Vanuit die dakgoot gingen vier daken schuin omhoog, net als bij een boerderij, alleen deze eindigden niet in een punt maar was bovenaan afgevlakt, een plat dak en enigszins verdiept, daar kon je staan.

Midden in de vier schuin oplopende daken waren brede, zinken dakgoten die we ons vasthoudend aan de rand opliepen, om er bovenaan weer van af te glijden als op een glijbaan. Met stijf gestrekte benen gleden we naar beneden om te stuiten op de dakgoot die om het gebouw liep. Je moest niet met zijn tweeën achter elkaar glijden anders kon de achterste op de voorste botsen en die zou voorover kunnen kieperen over de dakrand en te pletter vallen op de tegels van het plein.

Alle vier de dakgoten hadden we geprobeerd toen ik ‘Politie’ hoorde. Ik vloog via de regenpijp terug op het dak van de wc’s en langs de andere regenpijp was ik zo weer beneden. Met een onschuldig gezicht zat ik op de schoolmuur toen een agent op me af kwam. Hij kon niet gezien hebben dat ik op het dak was. Het bleek echter dat een collega agent van hem aan het plein woonde. Deze lag ziek in bed voor het raam en had ons gezien.

De agent die mij naderde was al ingelicht. ‘Wat moest jij op het schooldak?’, vroeg hij. ‘Niks’, zei ik. Jullie gaan onmiddellijk mee naar het bureau’, zei hij. Eén voor één kwamen mijn buurtgenoten ook van het dak en onder luid gejoel van de kinderen van de St. Jansstraat buurt moesten wij achter de fiets van de agent aanhollen naar het politiebureau in de Westerstraat. En dat deden we ook nog! Voor hetzelfde geld waren we allemaal een kant uitgestoven en ontsnapt.

Op het bureau gekomen kregen we eerst een ruk aan het oor, daarna een draai om de oren en werd onze naam gevraagd. We moesten twee aan twee ieder apart in een hoek van de garderobe, het portaal en de gang staan en drie van ons in de kamer waar de agent zat. De oudste van ons groepje moest in een cel want die lachte teveel (van de zenuwen). Wij stonden muisstil in de hoek en durfden niet naar elkaar te kijken.

Toen er een andere agent in het bureau kwam kregen we opnieuw een ruk aan het oor, een pets voor de kop en werd weer je naam gevraagd. Een poosje daarna kwam er nog een agent bij en het hele ritueel herhaalde zich. Na verloop van tijd moesten we één voor één voor de drie agenten verschijnen en plechtig beloven dat we nooit meer op het dak van school B zouden klimmen. Want daarmee konden we de boel vernielen en dan moesten onze ouders opdraaien voor de schade. ‘En dat willen jullie toch niet hè?’ vroegen ze heel bars en probeerden ons daarbij aan het huilen te krijgen. Alleen bij de kleinste lukte dat en die mocht dan ook als eerste weg.

Eenmaal weer buiten gekomen waren we euforisch. We hadden in het politiebureau gezeten! We waren helden! De helden van het Havenkwartier en we hadden niet eens gevochten. Iedereen wilde weten hoe het was geweest op het bureau. Hoe was het mogelijk dat ze allemaal al wisten dat we waren opgepakt. Ja…, alleen onze ouders ook. Mijn broertje en ik gingen linea recta naar bed. Erger straf was niet te bedenken.

Resultaten:51 - 60 van 64
Volg ons via RSS
Volg ons op Twitter
Volg ons op Facebook
Volg ons op Youtube