Deze website maakt gebruik van cookies. Klik hier voor meer informatie.      Sluiten
 

Artikelen van Marinus Schoen

Artikelen van: Marinus Schoen
Laatst geplaatste artikel: maandag 31 mei 2010
Totaal aantal artikelen: 64
Resultaten:41 - 50 van 64
op 31/5/10
\.
V.l.n.r.: Pieter Schoen (1935); Marinus Schoen (1942); Marijtje Schoen-Koedooder (1914); op haar schoot Klaas Schoen (1944); Cornelis Schoen (1937).
Persoonlijk herinner ik mij niets van de Tweede Wereldoorlog daar ik van 1942 ben. Wel hoor je verhalen en anekdotes uit die tijd in de familie en een daarvan was, dat mijn vader eind 1943 in Duitsland te werk was gesteld en er daarom niet bij was toen mijn broertje in februari 1944 geboren werd.
Moeder ging na de geboorte van haar vierde zoon met het gezin op de foto, om die foto naar haar man te kunnen sturen.  

Hagen
Toen ik al volwassen was en ook een paar keer in Duitsland was geweest vroeg ik mijn vader waar hij nou precies werkte in Duitsland tijdens de oorlog, dat bleek in Hagen te zijn. Hij vertelde, dat toen het er naar uitzag dat Duitsland de oorlog ging verliezen, hij in januari 1945 met enkele mede arbeiders is gevlucht en helemaal lopend op huis aan ging. Het was een chaos in die tijd, vertelde hij, er werd niet veel meer op ons gelet en door zich telkens bij gevaar te verschuilen en geholpen door en overnachtend bij boeren zijn ze ontkomen. Mijn vader meldde zich eerst, voor hij naar huis ging, bij mijn grootmoeder in Bovenkarspel waar jongere broers van mijn moeder nog thuis woonden. Eén van die broers ging naar de Spoorstraat in Enkhuizen om mijn moeder te verwittigen van de komst van mijn vader.

Trauma
Mijn broertje in februari 1944 geboren, was dus bijna een jaar oud in die tijd en sliep in een ledikantje voor de bedstee waarin mijn moeder sliep. Bij het opstaan zag hij haar altijd als eerste. Maar de dag nadat mijn vader was gearriveerd en ‘s morgens de bedstee deuren zich openden kreeg hij de schrik van zijn leven toen bleek dat mijn vader daar ook in lag, nog ongeschoren en met verwilderde haren. Een trauma is dat voor mijn broertje geweest en heel lang was hij schuw tegenover onze vader. Zelf herinner ik mij nog, dat als mijn moeder even weg was en wij alleen waren met vader, mijn broertje niet naar hem keek en als de kamerdeur dan openging, hij snel opkeek of mijn moeder binnenkwam en zo niet, dan liet hij zijn kopje weer hangen. Nadat mijn allerjongste broertje in 1947 was geboren ging zijn trauma over en konden hij en mijn vader later zelfs het beste met elkaar overweg.

Neefje
Een ander gegeven in mijn familie uit de Tweede Wereld oorlog is het omkomen van ons neefje Gerrie Smit tijdens het bombardement op Enkhuizen van 15 maart 1945. Het gezin van mijn tante, zuster van mijn vader, woonde in Egmond aan Zee en was uit veiligheid overwegingen geëvacueerd naar Enkhuizen. Met haar kleuterzoontje Gerrie en baby dochter Ina logeerde ze bij haar ouders, mijn grootouders, aan de Havenweg in Enkhuizen. Het bewuste bombardement veroorzaakte vele doden en gewonden, niet alleen ons neefje maar ook persoonlijke vriendjes van mijn oudere broers met wie zij dagelijks speelden.

Distributiebonnen
Mijn moeder had vóór dat bombardement bij háár moeder, onze opoe in Bovenkarspel haar distributiebonnen vergeten, bonnen die je nodig had om nog enigszins aan levensmiddelen te kunnen komen. Met mijn broertje in de kinderwagen, ik er bovenop en mijn oudste broer er naast lopend was ze op die bewuste middag naar Bovenkarspel gelopen om die bonnen op te halen. Mijn één na oudste broer was bij een tante in de Maelsonweg met een neefje daar aan het spelen. Mijn geëvacueerde tante was die bewuste middag ook in de Maelsonweg bij haar zus op bezoek, háár kinderen waren bij mijn grootouders aan de haven gebleven. Toen de bommen vielen had mijn tante een voorgevoel en gilde de naam van haar zoontje. Het voorgevoel was juist geweest, om veiligheidsredenen geëvacueerd uit Egmond aan Zee omdat daar voor een invasie werd gevreesd komt je kind om in Enkhuizen tijdens een bombardement van Engelse vliegtuigen. Het door mijn moeder vergeten van de distributiebonnen heeft hoogstwaarschijnlijk het leven gespaard van mijn oudere broers, want zij hadden anders ook beslist aan de Haven gespeeld met hun neefje Gerrie en buurtgenootjes.

op 2/5/10
\.
Ander buurmeisje, Alie de Haan en Rinus Schoen vlak na de Tweede Wereldoorlog, staan voor de plek waar nu de Nieuwe Doelen is. Vaag op de achtergrond de Overhaal van Wachtendonk.
Geld mocht ik niet aannemen als ik boodschappen deed voor de buren in het Havenkwartier. Dat kon ik niet laten en pakte rustig de stuiver aan die een oudere buurvrouw mij begin jaren vijftig gaf. Die stuivers bewaarde ik in een leeg schoon gemaakt Erdal schoensmeer blikje op een plank in de bedstee waar ons speelgoed lag en spaarde tot ik een kwartje had. Met dat kwartje ging ik naar kruidenier Sweer de Graaf aan de Havenweg en kocht er geen snoep voor maar een ei. Eén ei voor vijfentwintig cent! ‘Eigenlijk kost het ei 26 cent’, zei buurvrouw De Graaf in de winkel, ‘maar vooruit, omdat jij het bent’. Thuis at ik dan een gekookt ei want dat kwam niet vaak voor in die tijd.

Autobus
De buurvrouw van wie ik af en toe een stuiver kreeg voor het boodschappen doen was een bevriende buurvrouw. Zij nam mij wel eens mee naar haar dochter die in Venhuizen woonde.  We gingen dan met een autobus wat ik heel avontuurlijk vond en ik speelde daar met haar kleinkinderen. Deze ‘oude’ buurvrouw was de eerste dode die ik in een kist zag liggen. Ik vond haar toen ze dood was er lang niet zo oud uit zien dan toen ze nog leefde. Ze was meestal in het zwart gekleed en nu lag ze daar in haar nachtjapon, vandaar misschien. Busreisjes maakte ik toen niet meer.

Jamin
Ja, toch nog wel. Ik kreeg last van opgezette klieren in mijn hals, dat ging maar niet over. Dokter Van der Heide uit de Van Bleiswijkstraat had er al eens naar gekeken en besloot om er in te gaan snijden. ‘Als je niet huilt’, beloofde moeder, ‘krijg je een lolly van Jamin’. Ik huilde dus niet toen zonder verdoving in mijn hals werd gesneden en de dokter er pus, etter en bloed uitdrukte. Een gaasje werd er met een pleister opgeplakt en op naar Jamin in de Sint Jansstraat waar winkeljuffrouw Veenstra mij een lolly liet uitzoeken.

Café
Mijn hals wilde maar niet beter worden en op een dag werd ik door mijn moeder in een autobus van de NACO gezet. Ze vertelde dat in Bovenkarspel, waar mijn opoe woonde, deze ook in de bus zou stappen en bij me zou komen zitten. Gelukkig zag ik opoe staan bij de halte voor het Roode Hert en samen gingen we naar Hoorn. In Hoorn liep zij met mij een café binnen waar aan een tafeltje een man zat. Die man deed het verband van mijn hals, zei wat tegen mijn opoe en zij gaf hem geld. Ze kreeg van de man een glazen pot gevuld met een groen spul en deed die in haar tas.

Geitenmelk
Ik moest aan de fistelpot. Een lepel van dat groene spul, gewikkeld in een zoete ouwel, want het smaakte heel vies, moest ik opeten. Werd er zelfs ’s nacht voor wakker gemaakt. Of dat geholpen heeft weet ik niet want ik moest voor de kwaal ook geitenmelk drinken. Samen met een van mijn oudere broers haalden wij dat bij een boer op het Hemeltje. Niet te drinken die geitenmelk vond ik, zo’n vieze smaak. Ook moest ik voor de kwaal in het Snouck van Loosenziekenhuis onder de hoogtezon. Om de beurt begeleidde een van mijn oudere broers mij daarheen. Uiteindelijk ben ik toch genezen van die opgezette klieren. De grootste klier was ikzelf, zeiden mijn broers altijd.

Kruidenierswinkel
Dat was toch niet helemaal waar, denk ik. Want als de kruidenierswinkel aan de Havenweg gesloten was vroeg Gerrie, dochter van de kruidenier, mij wel eens of ik het kind van haar vriendin Afie v.d. Veen wilde spelen. We gingen dan winkeltje spelen. In hun winkel had je twee toonbanken, aan de ene werden kruidenierswaren verkocht en aan de andere, er recht tegenover, tabakswaren. Ik speelde het kind van Afie en woonde met mijn ‘moeder’ achter de tabakswarentoonbank. We gingen boodschappen halen bij Gerrie die achter haar toonbank stond. Ze sneed echte plakjes kaas van de grote kaas, woog een aantal zuurtjes in een papieren zakje en ook een paar koekjes werd aan ons meegegeven. Het is dat we achter de tabakswarentoonbank ook alles écht opaten, anders deed ik niet mee.

op 31/3/10
\.
Haven van Enkhuizen, op de achtergrond het Station. Geschilderd door dhr. Mulder, destijds congièrge van de HBS. Dhr. Mulder woonde toen in de Prinsenstraat. Schilderij en foto van M. Schoen.
Op een zondag, midden jaren vijftig besloten we te gaan varen. Maakten de vlet los die achter een kotter lag in de haven van Enkhuizen en we hielpen de halve buurt van het Havenkwartier de boot in. Het vervelende was dat mijn broertje en ik ook nog de oppas hadden op ons jongste broertje. Ook andere buurtkinderen hadden de oppas op kleintjes uit hun gezin. We zetten het kleine grut in een lege viskist in het midden van de vlet en roeiden de haven uit.

Monster
Op het IJsselmeer hing een floers, het was nevelig, je kon niet ver zien. Het leek wel of daar iets boven de nevel uitstak, we konden het niet thuisbrengen. We roeiden dichterbij, het leken wel armen, tentakels van een monster. Het woord monster was nog niet gevallen of er brak paniek uit in de boot. Weg, weg, gilden de kleintjes. Zelf stonden we het ook niet erg en roeiden richting de Zuiderdijk die we zagen opdoemen boven de nevel. Later bleek het ‘monster’ een zandzuiger te zijn van de Zuiderzeewerken.

Politie
In het gras bovenop de Zuiderdijk stond een buurvrouw met haar fiets aan de hand te krijsen of haar dochtertje ook in de vlet zat. We hadden het meisje juist in de viskist naar beneden geduwd om dat te ontkennen, toen ze juichend opsprong en naar haar moeder zwaaide. Over haar toeren riep de buurvrouw dat we naar de haven terug moesten roeien en dat politie met de eigenaar van de boot daar al op ons stond te wachten. We roeiden langs de Spoorhaven naar het Havenhoofd en zagen bij de sluis al een agent staan samen met de eigenaar van de vlet en enige ouders. Gelukkig, mijn ouders zag ik niet. Beducht voor de straf die te wachten stond begonnen enkele kinderen te huilen en wilden bij het Vuurtje uit stappen. Nee, samen uit, samen het gedonder.

De krant
De politieagent hielp ons aan de kade één voor één uit het bootje en sprak ons bars toe, vroeg onze namen en daarna maanden de aanwezige ouders hun kroost snel naar huis, waar de straf wachtte. Mijn broertje en ik ontsprongen de dans.
Een paar dagen later las onze moeder in de Enkhuizer Courant dat er opgeschoten jeugd een bootje had ontvreemd in de haven en er het IJsselmeer mee was opgevaren, ’zich van geen gevaar bewust’ stond er bij. ‘Zou dat edele stel van ons daar ook bij zijn geweest?’, opperde mijn moeder zo terloops tegen mijn vader.

Straf
Toen mijn broertje uit school thuis kwam stelde zij hem diezelfde vraag. En mijn broertje kon niet liegen, je zag het zo aan zijn gezicht als hij loog, maar hij ontkende wel. Later toen ik thuiskwam zei mijn moeder: ‘wat moest jij in dat bootje zondag?’ Ik schrok en viel heftig uit: ‘heeft die kl…z.. het weer verraden’ en viel daarmee door de mand. De volgende woensdagmiddag lagen wij ‘in de mand’. De hele middag brachten wij door in bed. Een vreselijker straf was niet te bedenken.

op 1/3/10
Onderwerp: Anekdotes 1 reactie Tell a friend 3668 Clicks Ongepast  
\.
Duplexwoningen Spoorstraat Enkhuizen (foto: M. Schoen, januari 2010)
In 1955 kwamen wij op de Breedstraat te wonen, precies tijdens de stadsfeesten van Enkhuizen 600 jaar Stad. We hadden onze buurtgenoten van het Havenkwartier gezworen elke dag naar de Haven te komen want we vonden het vreselijk daar weg te moeten.

De huizenrij in de Spoorstraat van nummer 3 t/m 15 werd gesloopt en daarvoor in de plaats kwamen de duplexwoningen die er nu nog staan. Deze woningen waren te klein voor ons gezin met vijf kinderen. We konden ook naar Plan Noord verhuizen, de eerste huizen aan de Asterstraat waren toen net klaar, maar de stad uit, daar wilden mijn ouders niet aan.

Breedstraat
Helemaal vreemd was de Breedstraat niet voor ons, een paar kinderen kenden wij daar al vanwege een wederzijdse oom en tante en ook aan de Oosterhavenstraat woonden kinderen met wie wij een zelfde oom en tante hadden. Al snel leerden we de andere kinderen daar ook kennen en van de belofte om elke dag naar de Haven te komen kwam niet veel meer. Wilde de jeugd van de haven vaak met je vechten, op de Breedstraat was het meer bekvechten. De club die we na verloop van tijd met een gedeelte van de jeugd van de Breedstraat en Oosterhavenstraat oprichtten heette dan ook ‘De Kemphanenclub’.

Loterij
Op vakantie gingen kinderen van ‘De Kemphanenclub’ in die tijd nooit, dus besloten de clubleden geld in te zamelen om eens met zijn allen een dagje op reis te kunnen. Eierrekken, kapstokjes, e.d. werd door ons gefiguurzaagd in de timmerwerkplaats van Van Marle aan de Zuider Havendijk en mooi opgeverfd door de meisjes, brachten we die aan de man. Een bijna maandelijkse loterij werd opgezet waarvan de helft van de opbrengst werd omgezet in prijzen, de andere helft kwam in de kas. De trekking vond plaats nadat alle honderd loten van een dubbeltje per stuk waren verkocht. De eerste prijs was elke keer een taart van banketbakkerij Julius en de tweede prijs een paardenworst van Jan Kroeb. Soms werd er nog een derde prijs beschikbaar gesteld door een van de ouders en ook vonden we een keer een mooie bal die we mee verlootten. Later kwam de eigenaar van de bal die terug eisen bij de prijswinnaar. Die kocht gelijk nooit meer lootjes van ons.

Op reis
Het eerste uitje was met de trein naar Alkmaar en verder met de bus naar Bergen. Natuurlijk onder begeleiding van een van de moeders en onze wederzijdse tante. Op het perron in Hoorn stapten we over in een andere stoomtrein en vol verbazing zag een van onze jongste leden de andere trein weer vertrekken. ‘Hij rijdt’, zei hij vol ontzag, het jongetje had nog nooit in een trein gezeten. In Bergen maakten we een wandeling door bos en duinen en gingen daarna op het klimduin ravotten. IJsjes werden van de clubkas bij een ijskar gekocht en even later op een terras werden sorbets besteld. Er waren leden bij die niet wisten wat een sorbet was en zeiden, ‘doe mij ook maar’. Ze konden het ijs niet eens allemaal op. Maar al met al was het een geweldige dag.

Staverse boot
Het jaar daarop gingen we, omdat we met allerlei activiteiten meer geld hadden opgehaald dan in het eerste jaar, met de boot naar Stavoren. Vandaar met de bus naar Rijs in Gaasterland waar we in een vakantieboerderij een paar dagen gingen logeren. Voordat we in Friesland waren was de club door bekvechten al in tweeën gedeeld. Wel sliepen we met zijn allen in dezelfde schuur. De ene helft van de ploeg sprak geen woord meer tot de andere. De begeleidende moeder en wederzijdse tante deden gewoon mee met het negeren van de andere ploeg, die onder begeleiding was van een echtpaar.

Gaasterland
In de schuur was maar één gastoestel en beide ploegen moesten daar op koken. Toen onze ploeg terugkwam van een boswandeling zat de andere ploeg al te eten en lieten ze twee pannen met water op het tweepitsgastoestel staan voor de afwas. Ze zaten besmuikt te grinniken, maar wij deden net of we van heerlijk gebak zaten te smullen in onze afdeling waar ze ons door een belemmerend schot niet konden zien. Toen ze weggingen voor een avondwandeling waarbij ze langs ons moesten lopen naar de uitgang, konden wij pas koken. De volgende dag gingen wij het eerst koken en lieten vanzelfsprekend ook pannen met water op het vuur staan. Beide ploegen kwamen niet meer tot elkaar en ‘De Kemphanenclub’ is dan ook al na twee jaar opgeheven.

\.
Staande tweede van links naast de wachtmeester: Bram de Jong, staande tweede van rechts: Rinus Schoen, middelste rij zittende, derde van links: Robbie Boon.
1 februari 1962. Drie Enkhuizer jongemannen die hun militaire dienstplicht gingen vervullen stapten samen in de trein naar Amsterdam. Op het Centraal station van Amsterdam stapten ze over in een lange, militaire trein met daarin nog meer jongemannen en reden richting Roosendaal.

Op vele tussengelegen stations werd gestopt en steeds meer luidruchtige jongemannen stapten vrolijk in die trein. Bij het station van Roosendaal stonden autobussen en daar moest in worden overgestapt. De Henkuzers stapte met elkaar in dezelfde bus en reden naar legerplaats Ossendrecht, dicht bij de Belgische grens. Voor de poort van de Legerplaats stopten de bussen, werd de deur van de bus opengerukt en stapte iemand naar binnen die schreeuwde: ‘Sigaretten uit, bek dicht, geen woord meer!’ Verbouwereerd zei iemand nog iets, maar de schreeuwlelijk (rangen en standen kenden we nog niet), brulde met overslaande stem: ‘koppen dicht, begrepen!’

Er werd te verstaan gegeven dat we met onze bagage naar het plein achter de poort moesten lopen om ons daar op te stellen in rijen en toen begon het wachten. Rij voor rij werd de kantine binnen geleid waar je aan lange tafels werd ingeschreven en een kamer kreeg toegewezen. De Henkuzers ontdekte dat er telkens twintig man werd afgeteld die bij elkaar in een kamer kwamen en ze verschoven zo in de rij dat ze uitgeteld bij elkaar op de kamer kwamen.

In Legerplaats Ossendrecht begon de dienstplicht voor Bram de Jong uit de Klopperstraat, Robbie Boon uit de Torenstraat en Rinus Schoen van de Breedstraat. In de ons toegewezen kamer stonden aan weerskanten stapelbedden met daar tussenin voor elke man een metalen kast. PSU (Persoonlijke Uitrusting) werd door ons in ontvangst genomen met de instructie hoe het in je kast moest worden ingedeeld. Het groene ondergoed, handdoeken en dergelijk moest op mes breedte worden gevouwen en in rechte stapeltjes in de kast gelegd. De dekens werden gevouwen tot een wolletje in een bepaalde afmeting. In het begin deed je dat op de vloer langs een maatstok, later was je er zo bedreven in dat het zonder maatstok kon.

Rob werd mijn slapie, hij sliep beneden en ik boven op het stapelbed en Bram beneden links naast Rob. De andere jongens op de kamer kwamen uit verschillende delen van Nederland, alleen van één heb ik de naam onthouden, Toontje Bond uit Amsterdam. Hij was toen al getrouwd en dat was toch wel bijzonder op zo’n jonge leeftijd. We leerden rangen en standen in de militaire orde, schieten met een karabijn, bajonet vechten door met veel geschreeuw de bajonet op geweer in een pop van stro te steken, handgranaat gooien, exerceren, tijgeren en de stormbaan nemen.

De meeste moeite had ik met exerceren. Als langste soldaat liep ik links vooraan van de groep en op het commando ‘rechts uit de flank’, telde je in jezelf, een, twee drie, draaide en stampte met je voeten, stak je rechterarm naar voren en de hele groep liep, als het goed ging, keurig in rechter richting. Ik ben linkshandig en menige keer telde, draaide en stampte ik en liep dan als enige de linkerkant uit terwijl de groep naar rechts liep. Woest werd de wachtmeester en ik kreeg aan mijn linkerarm een bosje stro gebonden ter onderscheiding van links en rechts. Stro genoeg want we sliepen op strozakken die we zelf af en toe moesten bijvullen in de blauw geruite tijk.

Ook gold de groetplicht op het kazerneterrein en daar buiten. Duf en slaperig niet goed oplettend tijdens de les in rangen en standen kon je er geen touw aan vastknopen. Dat brak ons op tijdens het passagieren in het dorp toen we werden afgeblaft door een of andere pief die ons staande hield en blafte ‘waarom we niet konden groeten’. Geschrokken groetten we daarna iedereen in uniform, buschauffeurs incluis, zij lachten zich rot.

Als de klas naar buiten moest, klonk een fluitsignaal waarop naar buiten werd gerend. Als langste soldaat van die klas stelde ik mij vooraan op en de rest moest zich al dribbelend op mij richten. Op het commando ‘rechtsom keert’ draaide de groep en liepen we de armen hoog opzwaaiend in het marstempo aangegeven door de wachtmeester. We werden overal naar toe afgemarcheerd, naar de ‘vreetschuur’, naar de dokter, naar de appelplaats, naar de voertuigen, naar de poort, je kon het zo gek niet bedenken, je werd altijd afgemarcheerd. Als je naar de dokter moest werd je zelfs in je uppie daarheen afgemarcheerd door bijvoorbeeld een korporaal voertuigen.

Gedrieën gingen we verplicht in uniform met weekendverlof. Tot Amsterdam met een militaire trein en daarna met de stoptrein naar Enkhuizen. Vader en moeder Boon stonden met hun auto bij het station en brachten mij ook naar huis. ’s Zondags voor twaalf uur ’s nachts moest je weer ‘binnen zijn’. Voor dat verlof reisde je een halve dag heen en een halve dag terug van Ossendrecht naar Enkhuizen, was zo amper een dag thuis, maar je had het thuisfront én de Drommedaris weer gezien.

Na de basis opleiding zijn we alle drie naar verschillende vervolgopleidingen gestuurd en heeft ieder van ons als Lichting 62-1 verder een andere militaire diensttijd beleefd. Een diensttijd die vanwege de Nieuw-Guinea crisis in die tijd verlengd was van achttien naar twintig maanden.

op 3/1/10
Onderwerp: Anekdotes 1 reactie Tell a friend 5034 Clicks Ongepast  
\.
Eilandje in Snouck van Loosenpark (foto: M. Schoen, dec. 2009)
Verschillende wegen vanuit het Havenkwartier leidden naar onze school, maar in de winter liepen we meestal door het Snouck van Loosenpark. Mijn broertje en ik liepen begin jaren vijftig met twee buurmeisjes (zusjes) door het park naar school A aan de Kuipersdijk. Het had gevroren en de vijver in het park lag dicht.

In die vijver is een eilandje en op het pad dat het laagst langs de vijver loopt stapten we op het ijs om naar dat eilandje te schuifelen. De scheuren vlogen ons onder de voeten, het ijs kraakte en boog sterk door. Net toen het voorste buurmeisje op het eiland zou klimmen zakte ze door het ijs. Wij stóven terug naar het pad.

Het meisje klauterde halfnat het eiland op en durfde er niet meer vanaf. Wij riepen dat ze bij het smalste gedeelte moest oversteken, gaven aanwijzingen, gooide haar onze aan elkaar geknoopte sjaals toe maar die reikten niet ver genoeg. We zeiden dat ze moest komen want het was bijna schooltijd. Ze was met geen stok het eiland af te krijgen. ‘We gaan hoor’, riepen we en gedrieën liepen we naar school.

Op haar gehuil en gejammer was een parkbewoner afgekomen die haar een ragebol toestak op een lange stok en haar van het eiland af hielp. Snel was ze naar huis teruggelopen waar ze een andere (gebreide) jurk aantrok. De meisjes uit dat gezin droegen heel vaak door hun moeder gebreide jurken. De moeder kon super snel breien op vier pennen, ook als ze achter de tapkast zat in hun café aan de haven. De ene na de andere jurk rolde van die pennen voor de zes dochters die ze had.

Te laat op school gekomen moest het buurmeisje aan de hoofdmeester uitleggen, bij wie ze in de klas zat, waarom ze zo laat was en ze vertelde hem het hele verhaal. De hoofdmeester riep mij samen met het zusje met wie ik een klas lager zat, op de gang. ‘Hoe wij het in onze hoofd haalden om haar op dat eiland te laten zitten’, en pets daar kreeg ik een draai om de oren. Op mijn verontwaardigde gemompel kreeg ik nog een lel en nog een en de meester schopte me de gang door waarbij hij telkens uitriep: ‘en wat zei je?’ ‘Ik zal het toch wel tegen mijn vader zeggen,’ zei ik iets luider. Toen hij mij eindelijk verstond stopte de aframmeling. Het zusje van het eilandslachtoffer stond verschrikt te kijken en dacht dat zij nu aan de beurt was voor een aframmeling. Maar nee, alleen ik was de pineut. Mijn broertje, die weer een klas lager zat werd niet eens uit zijn klas geroepen en hij was er toch ook bij geweest?

Natuurlijk vertelde ik niet thuis wat de meester had gedaan, want mijn vader zei altijd: ‘Je zult het wel verdient hebben.’ Ook de havenmeester had toestemming van onze ouders om ons, mocht dat nodig zijn en als hij ons te pakken kon krijgen, een pak rammel te geven. Dat is hem maar één keer gelukt en niet eens bij mij maar bij mijn broertje. Een ‘corrigerende tik’ was toen toch wel wat anders dan in deze tijd. Nu bij wet verboden, toch?

op 1/12/09
\.
Vuurtoren De Ven 21 december 2009 (foto: M. Schoen)

De jeugd van het Havenkwartier in Enkhuizen waartoe ik begin jaren vijftig behoorde speelde voornamelijk aan de havens, Landje van Top bij de Drommedaris en in de Paktuinen in en rond de muziektent. Op vrije middagen zwierven we ook wel eens door de stad en soms was het dan een sport om achterop een rijdende vrachtwagen te springen en een eindje mee te rijden. Als er bij een bocht of kruispunt in de weg door de chauffeur vaart werd verminderd renden we achter de vrachtauto aan, grepen de ketting die de klep horizontaal hield en hezen ons daar aan op. Zittend op de klep en je vasthoudend aan de ketting reikte je de andere hand aan de volgende mee rennende, trok die op de klep en samen pakte je de handen van de volgenden en sleepten die er ook op. Waren we met teveel kinderen om allemaal op de klep te kunnen zitten dan schoven er een paar de vrachtwagen in.

Zo ook een keer in december. In het laadruim van deze vrachtauto stond een stapel taartdozen. We lichtten van de bovenste het deksel op. Er zat een banketkerstkrans in met van die gekonfijte vruchtjes erop. Hier en daar pikten we een vruchtje af en aten die op. Ook de andere deksels werden gelicht en we snoepten verder. Zo toerden we prinsheerlijk door de stad. De vrachtwagen stopte echter nergens meer en verminderde ook geen vaart om er weer af te kunnen springen. Toen we langs de fotowinkel van Trien Bakker aan de Noorderweg de stad uit reden werden we al een beetje ongerust. Plan-Noord was nog niet gebouwd. Daar lagen de voetbalvelden en daar reden we al langs de vuilnisbelt. Het ging zelfs zo ver dat we begonnen te vrezen niet voor donker thuis te kunnen zijn en dat moest wel anders zwaaide er wat. Om de aandacht van de chauffeur te trekken begonnen we te zingen, te roepen, maar hij hoorde niets door het lawaai van de motor. Schreeuwen, gillen dan maar en ja, de auto remde af, maar voordat deze helemaal stil stond waren wij er al vanaf en een eind weggerend. De chauffeur kwam uit de cabine en zwaaide woedend met zijn vuist. Bijna tot vuurtoren De Ven waren we meegereden, kilometers moest er worden teruglopen langs die toen nog stille, sinistere Noorderdijk.

Achter die dijk lag de schietberg. Daar was een schietoefenterrein van de politie. In een hoge bult, ‘de schietberg’, begroeit met gras werden de kogels opgevangen. Een klein hokje, opgetrokken uit een aantal betonplaten was daar het onderkomen van de oefenende politie. En in dat betonnen hokje was eerder een meisje vermoord. We wisten allemaal dat we langs die plek zouden komen. De wildste verhalen begonnen onder ons de ronde te doen toen we daar liepen, zelfs dat het meisje was gevonden omwikkeld met prikkeldraad. Hoe dichter we bij de schietberg kwamen, des te banger we werden.

Het begon al te schemeren en tot overmaat van ramp kwam ons ook nog iets onbekends achterop. We zetten het op een lopen, de jongens renden het hardst en de meisjes raakten erg achter. Wat nou, we waren toch geen helden op sokken en stopten om de meisjes bij de hand te nemen en renden samen verder.

Dat onbekende kwam steeds dichterbij en de angst sloeg nu echt toe. We konden bijna niet meer van vermoeidheid en sukkelden nog in een drafje. Nog eens achterom kijkend zagen we dat het onbekende een man was trappend op een bakfiets. Opgelucht haalden we adem toen het de ons bekende visboer Klaas Visser (de Bul) bleek te zijn die vis was wezen venten in Andijk. We hielden hem aan en mochten verdeeld over de zijkanten op de bakfiets zitten en de grootste van ons groepje achterop de bumper. Die moest de visboer in de stad af en toe helpen duwen als het trappen hem te zwaar werd. Het was bijna donker toen we in onze straat arriveerden en onze ouders hadden al naar ons uitgekeken. We stonken allemaal naar vis, maar dat was niet zo ongewoon voor kinderen die rond de haven woonden.


\.
Ome Piet en tante Minke de Boer-Bakker, 60 jaar getrouwd
Piet de Boer mag zeker niet ontbreken in het rijtje van de (gewone) markante Enkhuizers. Hij was één van de zoons van de Trossesnijer, de man die op een haar na 100 jaar werd. Piet zelf werd 87 jaar.

Piet sleet zijn hele huwelijksleven (meer dan zestig jaar) met zijn vrouw Minke op de Zuiderhavendijk.

Legendarische kapper die vooral de visserlui schoor en knipte, zelfs die uit Urk. Alle wel en wee van ’t Suud werd in de zaak besproken en van deskundig advies van Piet voorzien. Minke zeepte niet alleen de scheerklanten in maar deed ook het huishouden, voorzag de halve buurt bij ziekte en zeer van haar kookkunst en runde tevens hun kleine snoepwinkel. Geen keus kunnende maken uit al het uitgestalde lekkers in dat winkeltje bleef Minke geduldig achter het tentoongestelde wachten tot je de paar centen besteedde die je had. Toen de klandizie voor het scheren en knippen wat terugliep vanwege de ‘moderne tijd’, repareerde Piet ook fietsen. Voor een habbekrats verkocht hij je een tweedehands fiets of plakte een band. Kwam er weer een knipklant dan ruimde hij de fietsen snel aan de kant.

Toen Carl Huybrechts met zijn tv-programma een bezoek bracht aan de Zuiderhavendijk, loosde Piet hem zijn nering binnen en Carl viel van de ene verbazing in de andere. Piet kreeg hierdoor landelijke bekendheid als de ‘oudste kapper van Nederland’.

Bij Piet zijn overlijden kwam ‘half Enkhuizen’ de familie condoleren. Een hele, lange rij stond zelfs ver buiten het uitvaartcentrum geduldig te wachten om van Piet de Boer afscheid te nemen. En misschien ook wel om zich te verwittigen of hij echt wel stil was, want wat een spreker was die man. Enig recht van spreken heb ik hopelijk want ome Piet de Boer was mijn aangetrouwde oom en ik maakte hem regelmatig mee op verjaardagen en feesten in de familie.

\.
Witte voet aan de Paktuinen Foto: Vereniging Oud Enkhuizen
Op de helling van de Witte Voet, naast de werf aan de Paktuinen, lag begin jaren vijftig een omgekeerde boot die aan één kant omhoog werd gehouden door twee paaltjes. Het miezerde een beetje en mijn broertje, een paar buurjongens en ik kropen onder het bootje om te schuilen. Wie er de lucifers bij zich had weet ik echt niet meer. Wel hadden we een grote kartonnen doos waarin een kachel had moeten worden verpakt meegenomen en in stukken gescheurd om er op te kunnen zitten in het vochtige gras onder de boot.

De Vroling kachelfabriek die gebouwd was op de puinhopen van de in de Tweede Wereldoorlog stuk gebombardeerde huizen aan de Paktuinen was bij ons om de hoek van de Spoorstraat. De verpakkingsdozen lagen er voor het oprapen, door ze te stapelen hebben we zelfs etage hutten van die stevige dozen gebouwd.

Om ons onder dat bootje een beetje te verwarmen staken we een klep van de doos in de fik en gooiden telkens wat karton op het vuur. Getverderrie, wat drupte er nou op mijn kop? Ook de andere jongens kregen allemaal zwarte spatten in hun haar en we vlogen onder het bootje vandaan. De teer drupte in het vuur dat steeds verder om zich heen greep. De pas van binnen en buiten geteerde boot vatte vlam. Personeel van de werf kwam aangesneld maar wij hebben het verder niet afgewacht.

Gelukkig kwam er net een man op een bakfiets langs, die luidkeels riep: ‘aardbeien te koop, verse aardbeien te koop’. Wij liepen keurig achter de bakfiets aan mee te roepen en deden alsof we bij hem hoorden: ‘aardbeien te koop, lekkere aardbeien te koop.’ In de Brugstraat, toen de man nog steeds riep ‘lekkere aardbeien te koop,’ riepen wij in koor: ‘zandaardbeien te koop, aardbeien vol zand te koop.’ Woest werd de man, hij sprong van zijn bakfiets en rende ons achterna. De bakfiets reed echter iets door en botste tegen de stoeprand van de familie Lub en de halve handel viel van de bakfiets op die stoep. Geschrokken liep de man terug naar zijn bakfiets, zocht de aardbeien bij elkaar en deed ze weer in de mandjes. Verder ging hij weer: ‘aardbeien te koop, verse aardbeien te koop’ en wij nog luider: zandaardbeien te koop, aardbeien vol zand te koop. Toen hij in onze straat kwam lieten we hem gaan want stel je voor dat onze moeders ons zouden horen.

Over het hele erf van de werf liep een smalspoor rails en ook vanaf een helling liep deze het water in. De lorries die op de rails liepen, reden vanaf de helling onder water waar een schip dan bovenop voer. De lorries werden met een lier op de wal getrokken en het schip kwam zo op het droge. Een wissel werd omgezet en men reed het schip naar een plek op de werf om te kunnen worden gerepareerd of geverfd.

Na werktijd, maar meestal op zondag als er niemand op de werf was, klommen wij over de poort en verkenden het werfterrein. Een lege lorrie stond op de rails naar ons te lonken. De helft van ons groepje ging op de lorrie zitten en de anderen duwden de lorrie tot deze genoeg vaart kreeg en de lorrie reed dan met zijn passagiers bijna het hele werfterrein over. Schitterend, wat een gang had die lorrie. Degenen die erop zaten duwden de lege lorrie weer terug de helling op. Om beurten zaten we op de lorrie of duwden deze op. Alleen één vervelende buurjongen zat wel telkens op de lorrie maar wilde niet duwen. Nadat we hem dat een paar keer hadden verweten, wou niemand meer met hem de helling afrijden. ‘Dan ga je maar alleen’, zeiden we, en duwden de lorrie met zijn allen met een rotgang naar beneden. Een van ons had de wissel omgezet en de lorrie ging dus niet de bocht om het terrein over maar mooi rechtdoor, het water in. Dat de jongen bijna verdronk hadden we er niet bij gedacht. Met zijn ziekenfonds brilletje nog aan één oor visten we hem uit het water.
Op onze buik liggend onder hun poort door luisterend hoorden we hoe de vader van de drenkeling hem in de schuur ongenadig ‘warm’ sloeg.


op 16/10/09
\.
Jan Postma (alias Jan de Danser) Foto Kroniek van Enkhuizen
Op de Kroniek van Enkhuizen zijn in de fotogalerij al aardig wat prominente (gewone) Enkhuizers te vinden. Deze fotogalerij moet natuurlijk worden aangevuld.

Als voorbeeld van gewone bekende Enkhuizer die daar al wordt vermeld, staat Jan Postma (alias Jan de Danser), ook de oudste discjockey van Nederland genoemd. Voorheen dus plaatjesdraaier in café Het Haventje.   

Resultaten:41 - 50 van 64
Volg ons via RSS
Volg ons op Twitter
Volg ons op Facebook
Volg ons op Youtube