Deze website maakt gebruik van cookies. Klik hier voor meer informatie.      Sluiten
 

Artikelen van Marinus Schoen

Artikelen van: Marinus Schoen
Laatst geplaatste artikel: dinsdag 04 januari 2011
Totaal aantal artikelen: 64
Resultaten:31 - 40 van 64
op 4/1/11
Onderwerp: Anekdotes 5 reacties Tell a friend 8397 Clicks Ongepast  
\.
Rinus en Aad Schoen (geen familie van elkaar) met drie Breedstraat petticoat girls en één uit Andijk, v.l.n.r.: Margriet de Jong, Akkie Visser, Akkie Berga (uit Andijk) en Lies Visser.

Aan het werk

Op een vrijdag begin augustus 1957 speelde ik nog in korte broek buiten toen mijn vader mij bij zich riep en zei dat ik even met hem mee moest komen. We liepen samen naar de hoek Breedstraat/Kalksteiger waar drukkerij Posthuma, recht tegenover het Stadhuis was gevestigd. Bij die drukkerij hing een bord voor het raam waarop stond te lezen: Leerling gevraagd. ‘Dat lijkt me wel wat voor jou’, zei mijn vader en liep met mij toen naar de Nieuwstraat waar de familie Posthuma recht achter hun bedrijf woonde. In de vestibule van hun huis stond de heer Posthuma mijn vader te woord en aan het eind van dat gesprek vroeg baas Posthuma mij: ‘wanneer wil je beginnen?’. Verbouwereerd antwoordde ik: ‘over een paar weken of zo?’ ‘Welnee’, zei mijn vader, ‘hij kan maandag wel beginnen’.

Letterkast

Daar sta je dan die maandag van ‘s morgens half acht tot ’s avonds half zes in de drukkerij. Ik was bijna vijftien jaar oud en werd voorgesteld aan mijn leermeester, dhr. Jan te Nijenhuis. Hij zou mij opleiden tot handzetter. Wat dat inhield was mij niet duidelijk maar ik werd achter een zetbok geplaatst met daarop een letterkast en moest de indeling van die letterkast uit het hoofd leren. Waar elke letter in welk vakje lag. Het grafische vak was een apart vak met een twaalfdelig rekenstelsel en letters lezen in spiegelschrift op zijn kop. Elk beroep heeft zijn eigenaardigheden, maar dit was toch wel heel vreemd.

Transsportfiets

Als leerling moest je ook andere werkzaamheden verrichten, bijvoorbeeld zware riemen papier twee trappen op sjouwen naar de papierzolder, papier dat de vrachtwagens van De Bruijn in pallets op de stoep deponeerden. Drukwerk rondbrengen op de transportfiets, papierbakken legen, het hele bedrijf aanvegen, de wasbakken en de wc boenen, de auto van de baas wassen, drukkers assisteren door met een inktmes te roeren in de inktbak van de drukpers, inpakken van drukwerk in de binderij en op de transportfiets wegbrengen naar Van Gend & Loos bij het station en wat al niet meer.

Handzetter

Mijn eerste loon die week was zestien gulden en een dubbeltje! Je loon gaf je thuis over en ik kreeg er een klein gedeelte van als zakgeld en moest daar ook nog wat van op een spaarbankboekje zetten bij de Nutspaarbank in de Westerstraat. In 1957 gold een 48-urige werkweek en daar was de zaterdagmorgen tot 1 uur ´s middags bij inbegrepen. Eén dag in de week ging je als leerling handzetten naar de Grafische school in Alkmaar en na vier jaar deed je examen. Ik was geslaagd als handzetter en kon daarna gelijk in militaire dienst.

Dansen
Het uitgaansleven in Enkhuizen was met je beperkte zakgeld eind jaren vijftig de Muntbioscoop en zondagmiddag bij Jo Stavenuiter in de Kwinta met vrienden ouwehoeren en meisjes een Amerikaantje aanbieden (bier met grenadine). In de winter gaf gymvereniging VEK/WIK uitvoeringen in de Kolfbaan met Bal na. Maar dan moest je wel kunnen dansen! Met een paar vrienden meldden we ons bij dansschool Steen op het Verlaat om ons daar de danskunst meester te maken. Op zaterdagavond was onze les, in het zaaltje zaten de jongens op een lange bank tegenover de meisjes, die ook op een lange bank zaten. Mevrouw Steen leerde ons de etiquette: een meisje met een lichte buiging vragen of ze met je wilde dansen en stemde zij daar in toe, haar de hand te reiken en naar de dansvloer te leiden. Het was onbeleefd van het meisje om de dans te weigeren en daardoor danste je ook wel eens met het populairste meisje van de groep, een meisje die jou normaal niet zag staan. Soms mochten de meisjes de jongens vragen en dan stoven ze altijd met zijn allen af op de populairste jongen. Maar ja, daar kon maar één meisje tegelijk mee dansen en daarom kwamen ook de ‘harken’ aan de buurt.

Afgedanst

Mevrouw Steen danste de oefeningen voor met haar toenmalige danspartner Piet Dam en soms ook met Klaas Spel. Haar echtgenoot, waar ze eerder les mee gaf was toen overleden. Ook haar dochter Nora Steen danste mee om het ons te leren. Het viel allemaal niet mee om de quickstep, Engelse wals, cha cha cha, , tango, polka, etc. onder de knie krijgen en menigmaal ging het over de geluidsinstallatie: Schoen, je danst uit de maat, Schoen… je danst nog steeds uit de maat! Maar goed, we zijn afgedanst, zoals dat heette en het dansspeldje is behaald.

Kolfbaan

De danslessen waren helemaal voor niets geweest want Bill Haley introduceerde daarna de Rock and Roll dans in de film Rock around the Clock, een film die we vol bewondering bekeken in de Muntbioscoop. In de Kolfbaan tijdens het Bal na van VEK/WIK, besloten een buurmeisje en ik die Rock and Roll dans te proberen. One, two, three, for en daar gingen we. In mijn enthousiasme nam ik haar in de heupzwaai en we rolden gelijk ondersteboven. Het buurmeisje wilde niet verder met me dansen.

Rock and Roll

De Rock and Roll dans moesten we beter onder de knie krijgen vonden we en met onze vriendengroep gingen we dat op een zondagmiddag thuis oefenen bij een van de bevriende meisjes in Bovenkarspel toen haar ouders er niet waren. De pickup werd aangezet, het plaatje erop, het geluid op volle sterkte en daar gingen we. De petticoats van de meisjes zwierden in het rond! Het meisje bij wie we thuis oefenden was een vrij groot meisje, paste mooi bij mijn lengte en dus Rockte ik met haar. Toen ik haar in de heupzwaai nam en ze over de kop vloog sloeg ze met haar benen op het theemeubel en de suikerpot vloog door de kamer. We lagen in een deuk, de etiquette van mevrouw Steen ten spijt.


op 2/12/10
\.
Boekomslag Alleen op de Wereld

Als Sinterklaas in december, begin jaren vijftig, in het land was vroegen mijn broertje en ik aan moeder of we onze kous bij de kachel mochten leggen. Wij zetten nooit onze schoen bij de kachel. De kousen die wij droegen onder onze ribfluwelen plusfour broek waren door opoe gebreid. Zij kon heel goed breien op vier pennen en niet zo maar recht toe, recht aan, nee met allerlei vlakjes en bobbeltjes.   

Sinterklaasliedjes

Als we onze kous bij de kachel mochten leggen en sinterklaasliedjes hadden gezongen zag je de volgende morgen aan de bobbel in de kous of er wat in zat. Meestal was dat een chocolade kikker, muis of suikerbeestje gewikkeld in een stukje krantenpapier. Het gekke was, dat als ik mijn kous stiekem bij de kachel legde zonder dat aan moeder te vragen er de volgende dag wel een bobbel in de kous zat, maar dat was dan een steenkool verpakt in een stukje krantenpapier. Vijf december zette mijn broertje en ik ’s avonds onze stoeltjes, die vader voor ons had getimmerd, bij de kachel. We zongen met het hele gezin vele sinterklaasliedjes en hoopten dat Sint cadeautjes zou brengen als we in bed lagen. Er werd tijdens ons zingen met pepernoten gestrooid zonder dat de kamerdeur open ging, heel vreemd.

Zoeken

Mijn broertje en ik mochten bij opa en opoe, die om de hoek van de Spoorstraat aan de Havenweg woonden, ook onze kous leggen. We zongen daar ook voor de kachel en toen we de volgende dag kwamen kijken lagen er geen pakjes. Ik wist het wel, vast niet genoeg gezongen. Mijn broertje deed namelijk zijn bek niet open tijdens het zingen, ik stond daar maar alleen te galmen. ‘Misschien moeten jullie er wel naar zoeken’, bedacht opoe, ‘kijk eens onder opa zijn stoel of onder de buffetkast.’ Warempel, onder de buffetkast lagen twee pakjes waarin twee spellen zaten die we trots thuis lieten zien.

School

Op school kwamen Sint en Piet zelfs even langs in elke klas. Ik was altijd benauwd dat ik bij Sint moest komen want er was altijd wel wat om mij ten overstaan van de klas de les te lezen. En het werd mij ook altijd kwalijk genomen dat ik niet kon zingen. ‘Ik hoor je niet’, zei meester Lub (manke Piet) die in verband met ziekte toen tijdelijk onze meester was, met zijn oor luisterend bij mijn mond. En ik zong toch echt wel mee, misschien niet zo luid als thuis voor de kachel.

Leger des Heils

Op zondagmiddag gingen we in de winter met de halve Havenkwartierbuurt naar het Leger des Heils op de hoek van de Dijk/Tussen Hel en Vagevuur. Vader en moeder wilden naar ‘ome Keesie’ op de radio luisteren, wij kregen twee centen mee voor de collecte en werden naar het Leger gestuurd. Daar moesten we ook zingen en bij het Leger zei men nooit dat ze mij niet hoorden. Ik zong daar ook gewoon mee: 

Een man bouwde zijn huis op het zand

En de regen stroomde neer.

En de regen stroomde neer

En de vloed kwam op

En de regen stroomde neer

En de vloed kwam op  

En het huis stortte in met een plof 

En bij de plóf klapte je hard in je handen.

Cadeautjes

Bij het Leger des Heils kregen we niet met Sinterklaas cadeautjes maar met Kerst. Voor de eerste keer in mijn leven kreeg ik een boek, een echt boek De Negerhut van Oom Tom en ook nog een etui met daarin een potlood, balpen en vulpen. Mijn broertje kreeg het boek Alleen op de wereld en ook dezelfde etui. En dat allemaal voor die twee cent! Onvergetelijk!


\.

Eind jaren vijftig: Sinterklaas (Rinus Schoen) en Zwarte Piet (buurmeisje Elly Loots) op bezoek bij familie De Vries, hoek Breedstraat/Boekbinderstraat. Deze woningen zijn later gesloopt en weer opgebouwd in het buitenmuseum van het Zuiderzeemuseum.

De smederij van Kenter er pal tegenover, hoek Boekbinderstraat/Breedstraat, onderging het zelfde lot en staat nu ook in het buitenmuseum. Sint en Piet hebben zich laten aankleden en schminken bij (Keesie) Peerdeman in zijn toneelverhuur bedrijf op de Nieuwstraat. (Alles had zijn prijs, zo te zien aan de baard van Sinterklaas.) Later zat in dat gebouw tandarts Taatgen en weer later tandarts Elias.

Foto 1: Moeder Alie de Vries-Bankerts, getrouwd met Kees de Vries (Keesie de Urker) en Sint en Piet.

Foto 2: Dickie de Vries op schoot bij de Sint. De familie De Vries-Bankerts verhuisde later naar Urk. Vader Kees is omgekomen door een ontploffing op hun vissersboot in de Noordzee.


op 2/11/10
\.
Sint Maarten kwam hoogstpersoonlijk ‘s nachts ook even langs op mijn vijftigste verjaardag samen met familieleden van mij.

11 november

Met Sint Maarten gingen wij niet langs de deuren met een lampion maar met een suikerbiet. Wij noemden het altijd suikerbiet maar het was vanzelf een voederbiet voor de koeien.

De eerste tijd, begin jaren vijftig, mochten we bij boer Botman op het Spaanschleger gewoon van een hele berg er eentje uitzoeken, later brachten we er een dubbeltje voor mee. De biet werd schoongewassen en vader sneed een stuk van de bovenkant af, holde dat uit en maakte er een kap van. Het andere deel van de biet werd ook uitgehold en daar sneed hij prachtige figuren in uit. Bijvoorbeeld de Drommedaris mét ophaalbrug, de Zuidertoren, etc. In de kap werd een paar gaten gemaakt voor zuurstof toevoer en met een sluiting en scharniertje van ijzerdraad werd de kap aan de biet bevestigd. Kaars onderin en als die mocht uitwaaien kon je hem weer aansteken door de kap even los te maken, deze bleef dan hangen aan het scharniertje en kon zo niet zoekraken in het donker. De biet werd op een ronde stok van ongeveer een meter gespietst en droeg je voor je uit.

Prijs

Er werd in die jaren op 11 november in Enkhuizen een optocht georganiseerd waarbij je met je Sint Maarten creatie langs een jury liep door een hal van de Broodfabriek en een prijs kon winnen. De suikerbiet waarmee ik liep viel in de prijzen. Voordat de optocht startte stond je een tijd te wachten, dan lopen in de optocht, daarna weer een tijd wachten op de prijs, dat een taaipop bleek te zijn. De volgende jaren deden mijn broertje en ik daar niet meer aan mee want met het langs de deuren gaan haalden we veel meer op. Onze suikerbieten werden iedere keer door de mensen bewonderd, want pa maakte elk jaar fraaie creaties.

Droefenis

Ik ben dan wel jarig op Sint Maarten maar liep ’s avond gewoon langs de deuren. Niet dat het jarig zijn veel uitmaakte want kinderverjaardagsfeestjes werden er bij ons thuis niet gevierd. Mijn opoe van vaderskant werd op een verjaardag van mij begraven en met mijn andere opoe  ging ik die dag naar de snoepwinkel van Swidde in de Westerstraat en mocht daar een suikerbeest uitzoeken. De droefenis van die dag is daardoor geheel aan mij voorbij gegaan, want verjaardagscadeautjes waren zeldzaam in die tijd. Boekjes als Vrouwtje Piggelmee, die waren opgespaard met Van Nelle theepunten (vrouwtje Piggelmee woonde in een theepot) en Flip en Flap, avonturen van twee honden, die waren opgespaard met Douwe Egbertskoffiepunten (dat wisten wij vanzelf niet), waren vaak onze cadeautjes. Van opoe kregen we meestal door haar gebreide kousen voor onder onze ribfluwelen plusfourbroek (drollenvanger genoemd) en een gulden. Die gulden mochten we niet zelf houden, daar werd door moeder ‘iets nuttigs’ voor ons van gekocht.

Uren lopen

Later liep ik met Sint Maarten met Corrie, een van de dochters van kapper Jansen uit de Spoorstraat, langs de deuren. Zij wist allemaal klanten te wonen van de kapperszaak en die gaven gul. We liepen daarvoor zelfs helemaal naar kruidenier Van Goor op de hoek van de Molenweg/Hemeltje en namen de Drie Zalmen op de terug weg gelijk mee, waar Dr. Brouwer met zijn huishoudster Trijntje Boendemaker woonden, die ze ook kende. Uren liepen we vroeger, als ik daar aan terugdenk.

Droptoffees

Op school mocht ik in het begin, bij de gratie Gods, de klas met mijn verjaardag trakteren op zuurtjes, maar in latere jaren haalde men daar de neus voor op. In de Brugstraat, toen in het logement van de familie Noordeloos, verkochten ze ook snoep en heb daar 31 droptoffees in een papiertje laten uittellen om de klas mee te trakteren. Men kreeg namelijk weer kapsones in die tijd.

Gummiknuppel

11 november 1960, op de vlucht voor politie met gummiknuppel tijdens St. Maartensrellen, rende je voor je leven, anders was je niet jarig! Ik vluchtte met een mij bekend meisje op goed geluk een donkere hoek in bij een paar huizen op de Dijk en we deden alsof we vrijden. De politieagent Van der Pol scheurde op zijn motor vlak langs ons heen maar geen klap gekregen toen, wel een klapzoen van het meisje, want ik was wél, jarig! 


op 3/10/10
Onderwerp: Anekdotes 1 reactie Tell a friend 3100 Clicks Ongepast  
\.
Huis in Oosterdijk waar bessentuin naast was in de jaren '50. Foto: M. Schoen, okt. 2010
Piepers Zoeken
Vlak voor de grote vakantie van 1956 vroeg Piet Geerling (tweelingbroer van Teun) en klasgenoten van mij op de ULO aan de Kuipersdijk, of ik mee ging ‘te piepers zoeken’ in die vakantie. Piet en Teun’s ouders hadden een rijwielzaak op de hoek van de Broekerhavenweg (’t Padje) en de Streekweg (tegenover Het Roode Hert, pand is nu verdwenen). Ik was toen ruim dertien jaar oud en vond dat wel een goed idee.

‘s Morgens om vijf uur op en met Hennie van Dok die ook op de ULO zat en mee ging rapen, fietsten we naar Bovenkarspel waar Piet Geerling ons opwachtte samen met Albert Winter. Met zijn vieren fietsten we naar Hoogkarspel waar we bij Wabe Schaper op de Wijzend achter zijn huis ’s morgens om zes uur de piepers begonnen te rapen. Met een lichter ging Wabe onder de aardappelplanten door en wij op onze knieën gelegen, trokken de plant met de hand om de stoel uit de modder en schudden de piepers van de wortels. Naast je trok je aan beide kanten een aardappelkist mee, met op de ene kist een maatvormpje waar, als de pieper daar doorheen kon, in die kist moest en de grotere aardappel in de andere kist. Het sorteren tijdens het rapen ging na enige tijd als vanzelf en maakte de maatvorm verder overbodig. Nadat we de bouw achter Wabe zijn huis hadden leeg geraapt moesten we ons verzamelen bij de Watertoren van Hoogkarspel en gingen vandaar uit met ‘de skuut’ om de Noord naar een ander stuk land van Wabe, om ook daar de piepers uit de grond te halen. Na elf dagen ‘piepers zoeken’ bracht de vader van Hennie (die toen op de Pijp woonde in dat grote witte huis, waar later jarenlang een Reisbureau in was) ons met de auto op zaterdagmiddag naar Hoogkarspel, waar we werden uitbetaald in de huiskamer van Wabe. Ik had 78 gulden verdiend, dat was helemaal niet zo gek voor een ruim dertienjarige in die tijd.

Bessenplukken
De volgende zomer in de grote vakantie gingen we met buurtkinderen van de Breedstraat en nog een paar vrienden bessenplukken in Andijk. Het was niet echt in Andijk, maar aan de Oosterdijk bij een boer die de bessentuin opzij van zijn huis had. Het huis staat er nog maar de bessentuin is weg, voor aan de weg is er nu een kinderboerderijtje of zoiets. Ook is het huis aangebouwd en witgepleisterd wat toen niet zo was. Op een krukje gezeten met je gezicht in de bessenstruiken ritste je de zwarte bessentrossen in een pan die je tussen de knieën klemde en een volle pan leegde je in een kistje. Dat kistje werd gewogen en daarna kreeg je een label met een bepaalde letter er op van de boer. Die labels leverde je ’s avond in en naar gelang het aantal dat je had verzameld werd je uitbetaald.

Af en toe riepen we in de tuin naar elkaar hoe of het ging en of er bij de ander veel of weinig bessen aan de struik zaten. ‘Hoeveel heb jij al Cor’, riepen we bijvoorbeeld naar hem. ‘Een kilootje of vier, pondje of vijf’, riep Cor terug en we rolden zowat de struiken in van het lachen. Cor was een broer van Nel Zwier, de hoogspringende Enkhuizer deelneemster aan de Olympische spelen van Rome in 1960. Hij was bevriend met ons, maar ook de liefde dreef hem naar de Breedstraat voor een bepaald meisje en zodoende zaten we met zijn allen in die bessentuin. Er waren kinderen bij die meer mee hadden aan brood, drinken en snoep dan dat ze op een dag verdienden, maar ze waren mooi van de vloer, redeneerden de ouders.

Missprong
Ook deze tuin was op een gegeven moment leeggeplukt en we zouden met dezelfde boer in een ‘skuut’ door de polder naar een andere bessentuin van hem. De boer en de meeste jongelui zaten in de schuit die al af dreef toen ik me op een paaltje aan de walkant afzette voor een sprong in die schuit. Dat paaltje brak en ik klapte voorover met mijn middel op de ijzeren zijkant van de schuit en hing half in het water. Grote hilariteit vanzelf en ik verbeet de pijn. Halfnat in de bessentuin gekomen bood een jongen van Valentijn (hij woonde toen bij de Speeltuin) mij aan om zijn overal aan te trekken en mijn kleren te drogen te hangen. Ik had een behoorlijke schaafwond maar kon vanwege de geïsoleerde ligging van de bessentuin daar niet weg. Het was veel te ver terugvaren voor mij alleen, dat deed de boer niet en de verkaveling was er nog niet. Met een beetje margarine van mijn brood smeerde ik de schaafwond in, dat verzachtte de pijn en ben gaan bessenplukken. Geld verzoet de arbeid (en verbijt de pijn), nietwaar?

Zwemmen
Na een aantal dagen toen ook die tuin was leeggeplukt zijn we naar Venhuizen gefietst om daar op de bonnefooi bij een boer te vragen of we bij hem bessen konden plukken. Dat kon, maar omdat we met zoveel jongelui waren en er al dagenlang in die tuin was geplukt kwam die tuin in de middag al leeg. Op de terugweg zijn we op het Venhuizer strandje blijven ‘hangen’ en in onze hemd en onderbroek gaan zwemmen. Hadden we toch nog een beetje vakantie!

\.

Fotografie T. Bakker, Hoogkarspel  - Komt op verzoek in- en aan huis fotograferen. Werkt vlug en goedkoop. Kunstlichtopname, Vergrooten, Broches, enz.

Deze tekst staat als stempel achterop de foto. Wie er op staan, waar genomen en ter gelegenheid waarvan is mij niet bekend. Te lezen valt er op de vrachtauto: Koopman Enkhuizen. Zou het kunnen zijn dat men hier op het ijs staat van de bevroren Zuiderzee in de buurt van Urk? Wie het weet mag het zeggen. 


Onderwerp: Anekdotes 1 reactie Tell a friend 2464 Clicks Ongepast  
\.
Stadswalmuur in Enkhuizen. Foto: M. Schoen, aug. 2010.

 

Het spookte langs de muur
Omstreeks de tijd tien uur
Daar kwam een gedaante aan
Toen zijn ze op de vlucht gegaan
Marie, Marie, Marie en Johnnie,
en zo voort…


Deze regels zong mijn moeder af en toe tijdens de afwas op de wijs van een bekend liedje. Naar ik begreep ging het over een stelletje dat in het donker op een bankje zat in het Wilhelminaplantsoen en toen werd lastig gevallen door een mede- of ex-minnaar van deze Marie. Dat kan wel al voor de oorlog zijn geweest, het juiste verhaal is mij nooit gebleken.

Afwas
Voor de afwas thuis werd eerst een ketel water op het gas gezet en het later kokende water in een kom gegoten die in de gootsteen stond. Afwasmiddel hadden we niet begin jaren vijftig, met restjes huishoudzeep in een zeepklopper werden zeepschuimbelletjes geklopt in het water. Koud water uit de kraan toegevoegd tot water van een handzame temperatuur, want de handen verdwenen telkens in het afwaswater. Omdat het gezin van mijn ouders buiten hen zelf uit vijf jongens bestond moesten mijn broertje en ik met een theedoek af en toe de hele boel afdrogen ondertussen luisterend naar het gezang van moeder. Ook het repertoire van de Zangeres zonder Naam kwam vaak voorbij en bijvoorbeeld het lied ‘Jantje z’n vader was Zeeman’ ken ik daardoor nóg uit mijn hoofd.

Opoe
Op zondagochtend poetste vader eerst allemaal onze schoenen. Mijn jongere broer en ik liepen daarna dan (verplicht) naar onze opoe die in Broekerhaven woonde, ongeveer drie kilometer heen en drie kilometer terug. Deze keer op onze nieuwe schoenen en in die ‘arme’ tijd waren dat al dure Ford merkschoenen, gekocht bij Keesman in de Westerstraat. Die Ford schoenen waren wel niet zo modieus, maar ze gingen lange tijd mee, hoopten ze.

Onderweg naar Broekerhaven klommen we eerst op het dak van de papierfabriek van Van der Spruyt aan de Paktuinen om er langs de regenpijp weer vanaf te roetsjen. Eén van de Fordschoenen van mijn broertje bleef met de neus in een ijzeren punt van het hek hangen. Halve neus eraf. Naar opoe durfden we niet meer en thuis komen al helemaal niet. Mijn vader was heel handig, had zelfs een leest waarop hij zolen en hakken van onze schoenen ’verzoolde’. Maar bij deze schoen moest een nieuwe neus worden opgenaaid en bij ons waarschijnlijk nieuwe oren. De schoenmaker liet het gelukkig ‘in de garantie vallen’, daardoor kregen mijn broertje en ik alleen ‘gloeiende’ oren.

Brand
Zondagmiddag gingen we vaak (verplicht) met het gezin uit wandelen en op een keer toen we de Spoorstraat weer naderden was daar grote consternatie. ‘Brand, brand, hoorden we en hoopten maar dat het niet bij ons was. Precies aan de overkant van waar wij woonden stond het woonhuis van de familie Edelenbosch (Karel) in brand. Gelukkig geen slachtoffers, maar wel materiële schade, de familie moest daardoor verhuizen en ging naar de Brugstraat.

Nadat het verbrande huis weer was opgeknapt werd er de touwhandel van Jan Goos in gevestigd (de Jan Gooskaai in de Gommerswijk is naar hem vernoemd). Jan Pen nam de touwhandel na het overlijden van Jan Goos over en hij ging later met zijn zaak naar de Havenweg in het pand waar boven mevr. Koopen (Kaatje) woonde. Als wij bij haar aanbelden trok ze boven aan een touw de deur open en zongen wij beneden in koor een schunnig liedje, niet eens wetende wat we precies zongen, maar woest stond ze dan bovenaan de trap met haar stok te zwaaien. Liedje leerden we van de grotere jongens, schorem van ’t Suud, toch?

Lamp
Wie ook boven een zaak woonde was de weduwe van Jan Goos. Zij woonde boven de groentezaak van Dirk Mazereeuw op de hoek Spoorstraat/Havenweg (nu het Kleine Café). Zij was een aardige buurvrouw bij wie ik, als ik daar aanbelde wel eens boven mocht komen en liet ze mij met een verrekijker over het IJsselmeer kijken. In haar woonkamer hing aan het plafond een lamp gemaakt van het stuurwiel van een schip waarmee haar man voorheen over de Zuiderzee voer. Die lamp, vertelde ze toen, zou ze bij haar overlijden schenken aan het Zuiderzeemuseum. Of dat ook is gebeurd, weet ik niet.


\.
Marinus (Rinus) Schoen (*1910-†1995) in de timmerwerkplaats van de Gemeente Enkhuizen aan de Torenstraat.

Voorzichtig duwde ik de op een kier staande bedstee deuren iets verder open. Het was al licht maar nog erg vroeg. Dat vroeg wakker zijn was wel goed want we zouden vandaag gaan fietsen naar familie in Bergen.

In de woonkeuken van ons huis in de Spoorstraat sliepen midden jaren vijftig mijn twee oudste broers in de voorste bedstee en in de achterste bedstee mijn jongere broertje en ik. Onder die twee bedsteden was de kolenkelder. Die werd voor de winter vol gegooid met steenkool door de kolenboer. ’s Zomers woonden we in de woonkeuken en ’s winters in de voorkamer, want alleen in de voorkamer stond een kachel. Het idiote was dat we in de zomer ‘geen poot mochten zetten’ in de voorkamer terwijl we er de hele winter in woonden. In de voorkamer was ook een bedstee, daar sliepen mijn ouders.

Kolenkachel

Vaak keek ik toe hoe vader de kachel aan maakte. Eerst gingen er een paar proppen krantenpapier in die hij besprenkelde met een beetje petroleum. Daarna houtjes erop die hij met een bijl hakte op een hakblok in de schuur en daar bovenop kwam de steenkool. Onderaan de kachel zat een deurtje met raampjes dat dan open stond en waar de krantenproppen zaten. Die werden met een lucifer aangestoken en begonnen te branden, daarna vatten de houtjes vlam en ging het deurtje dicht. De kachel moest nu goed ‘trekken’ opdat de steenkool begon te gloeien, de kachel heet werd en de kamer verwarmde. Als de schoorsteen door een bepaalde wind niet goed ‘trok’ stond de kamer soms vol rook en wij met tranende ogen. Vader werkte als Gemeentetimmerman en als bijvoorbeeld aan de haven planken werden vernieuwd van de steiger die daar is, bleven er vaak stukken zwaar eikenhout over die als briketten in onze kachel verdwenen.

Polders en dorpjes

Maar nu was het zomers. Vanuit de bedstee zag ik moeder bezig de tafel te dekken voor het ontbijt van mijn vader en oudste broers die naar hun werk moesten. ‘Kom er maar uit’, zei m’n moeder, ‘ga je alvast maar wassen bij het aanrecht’. Mijn broertje kwam even later ook uit bed en gewassen en gelaafd gingen we met moeder op weg naar Bergen. Een fietstocht van zo’n vijftig kilometer heen en vijftig kilometer terug. Het was wel zomer maar nog erg koud zo ‘s morgens vroeg. De zon scheen, maar in onze korte broek en blouse viel het niet mee. We fietsten door de Streek en dorpjes zoals Berkhout, De Goorn, Avenhorn, Ursem, Rustenburg, door polders en over stille dijken naar Alkmaar. Af en toe namen we pauze om iets te drinken of te eten dat meegenomen was.

Lekke band

In Alkmaar lag de rails van tram Bello in een bocht over de weg. Moeder kwam met een wiel van haar fiets klem te zitten in de ruimte tussen de rails en de straat en kreeg een lekke band. Ze kon niet verder fietsen op die lekke band en vond dat mijn broertje en ik maar moesten doorfietsen naar oom en tante en als we niet precies de weg wisten het aan voorbijgangers moesten vragen. Na twee keer de weg te hebben gevraagd kwamen we aan op het goede adres in Bergen. Oom is moeder toen tegemoet gefietst met tantes fiets aan zijn hand. Moeder fietste daarna op tantes fiets en oom met moeders fiets met lekke band aan de hand naar hun huis en daar heeft oom de band gerepareerd.

Klimduin

Nadat wij bij oom en tante hadden gegeten ging oom naar zijn werk en wij met tante en moeder op de fiets naar het klimduin. In het rulle zand van het klimduin zwoegden mijn broertje en ik naar boven om er, ons zelf bijna voorbij hollend, weer vanaf te rennen. Daarna kregen we bij speeltuin Duinvermaak een ijsje van tante. De speeltuin zelf gingen we niet in want dat koste teveel geld. 

Op tijd stapten we weer op de fiets om naar huis te gaan. We gingen dezelfde weg terug, maar in Alkmaar stapte moeder nu van haar fiets af en liep er mee aan de hand over de rails. Stel je voor dat we helemaal terug hadden moeten lopen na al dat rennen op het klimduin! Voor het donker was waren we weer thuis.


op 5/7/10
\.
Stoomboot R. van Hasselt, schilderij in stationshal van Enkhuizen. (Foto: M. Schoen)
We gingen een wereldreis maken, tenminste zo leek het begin jaren vijftig. Met het hele gezin naar Driesum (bij Dokkum) in het noorden van Friesland, een weekje logeren bij familie. Dat kostte vanzelf veel reisgeld en daarom gingen mijn vader en oudste broer maar op de fiets. Ze waren die dag al vertrokken voor wij opstonden. We gingen eerst met de boot naar Stavoren. We voeren met de Van Hasselt, een prachtige, grote witte stoomboot met één schoorsteenpijp. We keken onze ogen uit aan boord. We reisden derde klasse en mochten dus niet overal komen op de boot, maar in de machine kamer keken we wel. Daar was buurman Anne Mos uit de Spoorstraat één van de stokers en hij lachte en zwaaide naar ons toen we hem zagen, zijn gezicht zag helemaal zwart. Machtige motoren had het schip, het was niet te zien dat ze de Van Hasselt in de oorlog hadden laten zinken opdat de Duitsers er geen profijt van zouden hebben.

In Stavoren stond de stoomtrein al te puffen aan het perron. We liepen langs de wagons om een coupé voor onszelf te zoeken. Op de treeplank staand zagen we een lege coupé met twee houten banken tegenover elkaar waarop we konden zitten. Uit voorzorg veegde moeder eerst met haar zakdoek over de banken want roet van de locomotief waaide vaak de trein binnen ‘en dan was ons goeie goed al bedorven voor we er waren’, zei ze. In de deur van de coupé zat een raam dat je met een riem kon laten zakken en ophalen. Door het open raam kwam er frisse lucht in de coupé of de rook van de locomotief als de wind verkeerd stond.

In Leeuwarden stapten we uit de trein en liepen bij het station ‘Us mem’ tegen het lijf, het Nationale Symbool van Friesland, een bééld van een koe. Daar stonden ook autobussen en na enig zoeken vonden we de bus die we moesten hebben. Na een lange rit stapten we over in een andere bus en toen was het al na de middag en we waren er nóg niet. Na die laatste rit nog een eind lopen en daar zag moeder eindelijk, bijna aan het eind van de Singel het huis van onze familie. Ik was daar nog nooit geweest. We konden echter niet allemaal in hun huis slapen, dus werden mijn broertje en ik samen met twee neefjes ondergebracht bij Pake en Beppe, de grootouders van onze neefjes, Heit en Mem van oom. Pake en Beppe woonden schuin tegenover oom en tante, we konden ’s avonds zo in onze pyjama de Singel oversteken en bij hen de bedstee induiken.

De volgende dag gingen we eerst klompen kopen, in het dorp liepen ze allemaal nog op klompen. In de werkplaats was ik weet niet hoeveel soorten en maten klompen, gelakte en ongelakte, ook met leren bandjes en heel mooie opgeschilderde. Wij kregen gele klompen met een houten kap. Zo’n kap ging vaak stuk en werd dan gerepareerd met een ijzeren bandje om de kap. Daarna moesten we slabonen plukken bij onze familie. ‘Je denkt toch niet dat we hier van de wind leven’, zeiden ze, en daar lagen we met ons gezin op hun bouw te plukken. Niet de hele dag en niet alle bedden werden geplukt, de volgende dag gingen we weer verder. Daarna moesten wij kinderen bij familie van de familie zwarte bessen plukken. Gezeten op een melkers krukje, met je hoofd in natte bessenstruiken plukte je de bessentrossen van de takken en liet die in een pan vallen die je tussen de knieën klemde. Een volle pan leegde je in een kistje tot het kistje vol was en gewogen werd. Nee, tegen kinderarbeid waren ze niet. Gelukkig hoefden we niet alle dagen aan het werk en konden we ook met onze neefjes de landerijen in.

Je mocht daar overal frank en vrij door de landerijen lopen, nergens bordjes met verboden toegang. In de rietvelden plukten we stinksigaren, sprongen over slootjes waarvan aan de slootkant bramenstruiken groeiden. Het gekke was, we plukten wel vrijwillig bramen van de struiken en brachten die naar tante. Zij kookte sap van de bramen en maakte er jam van. Het sap ging over de custardpudding en de jam op brood, dat was erg lekker. Wat ook erg lekker was waren de Friese koeken die we bij de bakker haalden. Met onze neefjes mochten we in de bakkerij kijken en zelf aanwijzen welke koeken we wilden hebben. In Enkhuizen gebeurde zoiets niet dat je zomaar een bakkerij in kon lopen.

Waterleiding hadden ze niet in het Friese dorp. Achter het huis van oom en tante was een opgemetselde put met een deksel erop. Het regenwater uit de dakgoten van het huis werd opgevangen in die put waarin een emmertje aan een ketting hing en daarmee haalde je het water naar boven. Het water uit die put vond ik niet te drinken. Gekookt niet en ook niet als thee. Zelfs in de limonade vond ik het vies. Alleen thee met veel melk dat ging, koffie dronken wij nog niet.

Naast de put lag de hond Bruno aan een ketting in zijn hondenhok. Bruno was een heel goede mollenvanger. Oom ging vaak met hem de weilanden in en voor elk huidje van een gevangen mol ving oom wat geld. Bruno at mee uit de pot. Wat er ’s avonds over was van het eten werd bij hem gebracht. Normaal lag Bruno meestal met zijn kop op de voorpoten half uit het hok te koekeloeren, maar als zijn eten kwam werd hij helemaal wild. Bruno lag altijd aan de ketting, kwam nooit in huis.

Onderling sprak de familie in het Fries dat wij niet verstonden. Mijn vader, géén Fries, had ons tevoren het Friese volkslied geleerd, opdat wij dat eventueel konden meezingen. Ik vertelde dat aan mijn neefjes en zij vonden dat ik dat dan maar eens moest laten horen. En ik zong:

Friesbloed Sjanghai
Ek moet so nôdig pischen
Et water stit mi an de knibbels ta….


Mijn neef trok gelijk een mes en zwaaide ermee vervaarlijk voor mijn gezicht en riep: ‘stop, houd op, zo is het lied niet’.  Al eerder had mijn vader ons liedjes geleerd die niet klopten, deze dus ook niet. Wél wist ik nu dat alle Friese jongens een mes op zak hadden, uitkijken dus.

\.
Kinderen buurtvereniging Havenkwartier als Kabouters verkleed tijdens bevrijdingsoptocht.

Buurtvereniging Het Havenkwartier deed na de Tweede Wereldoorlog mee aan een feestelijke bevrijdingsoptocht en heel vaag herinner ik mijzelf, zittend op een kar verkleed als kabouter. Er bleek een foto van te bestaan die ik nu pas, 65 jaar na dato, onder ogen kreeg. ‘Ken jij kinderen die op deze foto staan?’, was de vraag toen mij de foto werd gemaild. Ik mailde terug dat ik niemand op de foto herkende, maar dacht wel dat ik die middelste kabouter kon zijn. Als antwoord kreeg ik de namen toegestuurd. Printte de foto uit en met een vergrootglas bekeek ik de kabouters en ja, toen herkende ik toch wel de meeste van de verklede kinderen.

Links staat Cor Franx, daarnaast zittend v.l.n. r.: Henny Edelenbosch (eigenares foto), Appie (Ab) Putting, Appie (Ab) Mos, Rinus Schoen, Hans Groenewoud, Nico Oud, Ada Putting, daarnaast staat Gosse v.d. Veen. Bovenaan staat Gerrie de Graaf, blond meisje in het midden is Afie v.d. Veen en rechts bovenaan Henk Kenter. 
 

Ook vele Sinterklaasfeesten van buurtvereniging Het Havenkwartier in Hotel-Café-Restaurant Du Passage, in die tijd met eigenaar Van der Zee, herinner ik mij nog goed. Sweer de Graaf, kruidenier van de Havenweg was vaak de Sint en Piet Molenaar en ook Kaatje (Klazien) Planting zwarte Piet.
 

Het Havenkwartier vierde haar 40-jarige bestaan nog groots in het Wapen van Enkhuizen met Piet Molenaar toen als voorzitter en zelf ben ik enkele seizoenen vice-voorzitter geweest. Het 50-jarige bestaan van Buurtvereniging Het Havenkwartier werd in 1995 nog bereikt, daarna ging de vereniging ter ziele.


Resultaten:31 - 40 van 64
Volg ons via RSS
Volg ons op Twitter
Volg ons op Facebook
Volg ons op Youtube