Deze website maakt gebruik van cookies. Klik hier voor meer informatie.      Sluiten
 

Artikelen van Marinus Schoen

Artikelen van: Marinus Schoen
Laatst geplaatste artikel: zondag 06 november 2011
Totaal aantal artikelen: 64
Resultaten:21 - 30 van 64
op 6/11/11
\.
V.l.n.r.: Tiny Roos, Afra den Drijver, achter haar gedeeltelijk zichtbaar Cor Takes, Piet Molenaar, Alie Bakker-de Haan en Jaap Bakker.

Kleine wijk

Eigenaren van de buurtwinkels noemde je ook je buren, er was begin jaren vijftig weinig of geen afstand tussen de mensen. Zelfs in zo’n kleine wijk als het Havenkwartier van Enkhuizen vond je alle winkels die in het levensonderhoud konden voorzien. Aan de Havenweg had je Sweer de Graaf met zijn kruidenierswinkel. Zijn vrouw bestierde de winkel en Sweer bracht op een transportfiets met een rieten mand voorop de boodschappen rond. Ook ventte hij als broodbezorger voor de broodfabriek. Soms hielpen de dochters Alie en/of Gerrie in de winkel. Een luid klingelende bel gaf aan dat er een klant de winkel binnen kwam en uit de woonkamer, grenzend aan de winkel, kwam er dan iemand om die klant te helpen.

 

Vrachtauto

Op de hoek Havenweg/Spoorstraat was de groentewinkel van Dirk Mazereeuw. Zijn vrouw Dieuw en haar zus Greetje bedienden de klanten in de winkel. Dirk Mazereeuw had een kleine vrachtwagen waarmee hij de op de veiling gekochte groente vervoerde. Soms sprongen wij achterop die vrachtauto, reden een eindje mee en sprongen er dan weer vanaf. Een keer reed hij tussen de middag al voorbij de Koepoort met ons nog achterop toen hij de bocht nemend naar de provinciale weg vaart verminderde. Wij lieten ons daar van de auto zakken en al mee rennend lieten we de wagen dan los, want we moesten ook nog naar school. Dirk was een koene rijder en zoveel vaart minderde hij dus niet in die bocht en daardoor kwam Zussie Franx (Antine) lelijk ten val toen ze zich van de auto liet zakken, struikelde en haar arm brak. De provinciale weg kwam in die tijd als een T-splitsing uit op het Westeinde, de randweg, Drechterlandse weg en de buitenwijken waren nog in geen velden of wegen te bekennen.

 

Mandje

Aan de overkant van de groentezaak van Mazereeuw op de andere hoek van de Spoorstraat/ Havenweg was in die tijd de sigarenwinkel van Ben Kuiper. Het echtpaar Kuiper had twee kinderen, dochter Hansje en zoon Bennie. De familie Kuiper bestierde ook de  lunchroom De Spoorklok op die hoek. Boven de winkel van Kuiper woonde hun tante Lucie. Zij liep niet voor elk wissewasje naar beneden en liet daarom een mandje zakken aan een touw buiten het raam waar bijvoorbeeld de melkboer flessen melk inzette en zij ze dan ophees. Ook stopten pestkoppen wel eens een dot gras in het mandje, vertelde een broer van me (hijzelf?). In de sigarenwinkel van Kuiper haalde ik voor mijn vader af en toe een pakje Twin-shag. Het was daar altijd behaaglijk warm en rook er lekker naar sigaren en tabak.

 

Trekbel

Over mandje gesproken, op het Venedie woonden de dames Gramberg en Vlasveld in dat grote, grijze huis. Uit de muur naast de voordeur stak zo’n prachtige, verleidelijke koperen trekbel en we lieten deze klingelen. Juffrouw Vlasveld opende de deur en we vroegen haar ‘of ze het mandje nog had’. ‘Welk mandje?’, vroeg de juffrouw. ‘Het mandje waar Abraham in gesch…ten heeft’, gierden we en renden hard weg. Stom vanzelf want niet veel later belden mijn broertje en ik aan en vroegen of ze ook kinderpostzegels van ons wilde kopen. ‘Kom maar even in de gang’, zei juffrouw Vlasveld, die open deed. We stapten geïmponeerd de lange, brede marmeren gang in en de juffrouw deed de deur achter ons dicht en riep juffrouw Gramberg erbij. We kregen daar een ernstige reprimande over het belletje trekken en moesten beloven dat we zoiets nooit meer zouden doen. Nadat we dat beloofd hadden bestelden ze toch kinderpostzegels bij ons. Aardige dames.

 

Kouwe bakker

Naast de sigarenwinkel van Kuiper in de Spoorstraat, kwam eerst het woonhuis met daar naast de bakkerswinkel van de familie Schouten (kouwe bakker). Buurman Schouten ventte ook brood uit voor de Broodfabriek en buurvrouw Schouten bediende in de winkel de klanten samen met hun dochter Johanna. Ze hadden nog een dochter, Corrie en ook twee zoons, Jan en Aart Schouten. In hun winkel stond een grote broodkist op de vloer waarin het brood werd bewaard en bij hen rook het altijd lekker naar vers brood.

 

Huishouden

Naar de kapper konden we ook in onze buurt want in de Spoorstraat had je de kapsalon van de familie Jansen. Buurman Jansen (Lowie) knipte en schoor de mannen en buurvrouw Jansen (Hennie) kapte samen met Meta Tiesma de dames. Meta woonde met haar zus en ouders in het Snouck van Loosenpark, zij is later met een politieagent getrouwd en naar ik meen met hem op Urk beland. Het gezin Jansen had vijf dochters: Dinie, Corrie, Nellie, Trix en Christel en kreeg later nog een zoontje Loekie. Opvallend was dat van de winkeliers de echtgenotes ook allemaal in hun zaak meewerkten terwijl de gewone huisvrouw alleen het huishouden deed. Niet dat zo’n huishouden toen niet veel werk was, want alleen de maandag was al een hele wasdag.

 

Leren tas

Naar de slager echter moest je de buurt verlaten en liep je over de Wilhelminabrug het Venedie af naar bijvoorbeeld slager Botman of Kroeb in de Torenstraat of Koert Ruiter in de St. Jansstraat. Er waren meer slagerijen in de stad en neringziek zoals dat werd genoemd, waren de middenstanders ook wel én de geloofsovertuiging deed ze hun boodschappen doen bij de een en dan bij de ander. Zo kregen de kruideniers Veken op de hoek Bocht/Spui en zelfs Van Goor op de hoek Hemeltje/Molenweg bezoek van Corrie Jansen en mij (hielp haar vaak de zware leren tas te dragen) als ze daar boodschappen moest halen omdat die kruideniers ook bij Jansen in de kapperszaak kwamen én omdat ze allemaal Rooms Katholiek waren.

 

Café

Voor naar het café gaan had je zelfs twee keuzes in de buurt. Aan de Havenweg was het café van Bauk Planting en in de Spoorstraat, hoek Paktuinen Hotel-Café-Restaurant Du Passage van de familie Van der Zee. Bauk Planting en zijn vrouw Dirkje hadden een groot aantal kinderen: Ruurt, Dieuw, Klazien, Annie, Suze, Kees, Jannie en Greetje. In de Tweede Wereldoorlog was bij het bombardement op de haven, 15 maart 1945, hun eerste zoontje Kees omgekomen. Zijn portret hing samen met dat van mijn neefje Gerrie, die ook omgekomen is bij dat bombardement, bij mijn grootouders in de kamer aan de Havenweg.

 

Stoelen
Toch was er ook wel enige afstand te bespeuren in het Havenkwartier, want werden de vrouwen van de buurtwinkels gewoon buurvrouw genoemd, de vrouw van Van der Zee werd geen buurvrouw, geen mevrouw maar juffrouw Van der Zee genoemd. Het woord mevrouw kwam waarschijnlijk nog niet voor in het vocabulaire van het Havenkwartier. Bij de familie Van der Zee waren twee dochters, Annie en Baukje. Bij v.d. Zee werkte toen de dames Geer den Drijver, Gré Vellinga en buurvrouw Haantje (de Haan). Met harddraverij sjouwden zij bijvoorbeeld vele stoelen vanuit de garage van De Pelikaan (achter de Muziektent) naar Du Passage. De nette stoelen in het restaurant werden met die stoelen omgewisseld want met harddraverij was het daar altijd heel erg druk en sneuvelde er nog wel eens wat.

 

Feest

Het Havenkwartier had in die tijd een bloeiende buurtvereniging en menige feestavond werd in Du Passage gevierd. Zelf herinner ik me alleen de Sinterklaas feesten. Buurtvereniging Het Havenkwartier heeft vanaf de Tweede Wereldoorlog net aan vijftig jaar bestaan, maar het veertig jarige bestaan werd nog heel groots gevierd in Het Wapen van Enkhuizen. Piet Molenaar was toen de voorzitter en nam de felicitaties samen met secretaris Jaap Bakker geroerd in ontvangst die wij, leden van de buurtvereniging het bestuur aanboden.


op 5/10/11
\.
Onderaan artikel staat waar genoemde personen zitten.

Toen ik als kind een keer ziek was en de ziekte een poosje aanhield kwam er een zuster van het Groene Kruis die me temperatuurde. Een thermometer bezaten de meeste mensen niet, ik spreek van begin jaren vijftig, dus wij ook niet. Deze zuster was gekleed in een soort donkerblauwe uniformjurk met een sluier over haar hoofd, met zo’n wit randje op haar voorhoofd. Het leek wel een non, maar dat was ze niet.

Bedstee
Ziek in de bedstee liggende met de deuren op een kier, werden deze deuren verder geopend en stond moeder daar met die zuster. Niet helemaal op mijn gemak keek ik naar de zuster maar ze glimlachte vriendelijk. De pyjamabroek moest uit en ze stak de thermometer in mijn achterste. De zuster hield, al pratende met mijn moeder, die op haar stoel in de woonkeuken was gaan zitten, haar koude hand op mijn billen. Altijd gedacht dat ze dat deed om de thermometer op zijn plaats te houden, maar nu weet ik dat zo net nog niet. Na verloop van tijd was ik weer helemaal beter.

 

Dokter

Eens per jaar, of misschien wel twee keer werd je als kind geneeskundig onderzocht in het Groene Kruis gebouw dat stond in de Van Bleiswijkstraat op de kop van de Vissersdijk.

Die zuster was daar ook bij en de dokter bekeek je van top teen, klopte je op de rug, een aantal keren moest je zuchten als hij met een stethoscoop je longen beluisterde en ook moest je op de bovenkant van je hand blazen en keek hij daarbij in je onderbroek. Waar dat alles voor diende snapte je niet, maar je was allang blij als je je weer mocht aankleden. ‘Mager, maar kerngezond,’ zei de dokter meestal over mij tegen mijn moeder.

 

Mager

Tot op een keer ik naar de kleedkamer werd verwezen en hij mijn moeder nog even aanhield om haar wat mee te delen. Niet helemaal gerust over wat de dokter had gezegd vroeg ik haar wat er aan de hand was. ‘Niets om je zorgen over te maken’, zei moeder, ‘de dokter vind je alleen te mager en stelt voor om je een aantal weken vakantie te geven’. ‘Vakantie?’, vroeg ik.

Ja, je mag zes weken naar een vakantiekolonie in Egmond a/Zee, daar gaan ze proberen om je wat dikker te krijgen. Ik had daar helemaal geen zin in, zes weken weg van de havenbuurt!

 

Zwartendijk

De gepensioneerde meester Groen bracht mij samen met Peter Beers, met wie ik in de derde klas van de lagere school A zat, en buurtgenootje Dima Buisman, zij woonde toen in de Paktuinen, en schoolgenoot Eddy Clason uit het Westeinde, en een jongen van Kofman met een hazenlip, met de stoomtrein naar Alkmaar en verder met de bus naar vakantie kolonie Zwartendijk in Egmond a/Zee. Peter en ik kwamen in Zwartendijk in dezelfde groep en sliepen op dezelfde slaapzaal. Dima zag ik alleen als we aan tafel gingen in de grote eetzaal. Zij zat aan een andere tafel, maar het was toch wel geruststellend nog een vertrouwd gezicht te zien.

 

Koud

Half februari tot begin april 1952 rustten we ’s middags een uur buiten onder een overkapping, liggend op een rotanbed onder één deken en wandelden daarna door het dorp en over het strand. Na het eten ’s avonds douchen en naar bed. ’s Morgens bij het opstaan wassen aan een lange rij wasbakken die op de slaapzaal waren en daarna ontbijt in de eetzaal. En dan weer wandelen met de groep. Af en toe kreeg iemand van de groep van thuis een pakketje toegestuurd en de inhoud daarvan werd verdeeld over de hele groep. Meestal zat er in die pakketten fruit en snoep en ook ik ontving éénmaal van thuis zo’n pakket. In de zes weken die ik daar was heb ik niet één keer iemand van mijn familie gezien.

 

Weegschaal

Om de zoveel tijd werd je gewogen. In de lange gang staand in je onderbroek wachtte je in een rij op je buurt om gewogen te worden. Iedere keer was je bang om niet aangekomen te zijn want je hoorde verhalen dat je dan opnieuw zes weken moest blijven en dat wilde ik beslist niet. Er was namelijk één jongen die er voor de tweede keer zes weken bij was. Je hebt verschillende soorten heimwee, hondheimwee en katheimwee. Hondheimwee houdt in heimwee naar mensen en katheimwee naar de omgeving of plaats, las ik laatst.

 

Verwend

Ik werd ziek in Zwartendijk en belandde op de ziekenzaal. Men kon niks bijzonders vinden en liet mij daarom gewoon een week in bed liggen. Werd verwend met lekker eten, speelde er met mooi speelgoed, deed spelletjes met andere kinderen die daar ook lagen of las rustig een boek. Na een week voelde ik me weer prima en na gewogen te zijn was ik vier pond aangekomen! Goddank, dan mocht ik tenminste naar huis als de tijd om was.

 

Zingen

Maar eerst moest er nog een afscheidslied worden ingestudeerd.

Op de wijs van ‘In naam van Oranje’:

 

In naam van Oranje doe open de poort

De zuster die zwaait ons vaarwel, zie je wel

Omdat wij gezond naar ons huis mogen gaan

Roepen wij allen vaarwel.

 

Vaarwel lief kolonie huis, vaarwel

Directrice wees gegroet

Spijt me dat ik scheiden moet

Want gij hebt in deze tijd

Zoveel goeds voor mij bereidt (bis)

 

Nou het speet mij geen seconde om weer naar huis te gaan en toen ik het station van Enkhuizen uitkwam en de Drommedaris weer zag verdween het (kat- en hond)heimwee als sneeuw voor de zon. Draafde over de Kat- en Hondsbrug weer naar school A op de Kuipersdijk waar ik toen in de derde klas zat bij juffrouw Velsink en maakte samen met de kinderen van het Havenkwartier de buurt weer onveilig. En vet ben ik trouwens nooit geworden.

 

Foto onderschrift  

Bovenste rij, staande, 4e van links: ...? Kofman. Bovenste rij, staande 3e van rechts (jongen met streeptrui) niet de voor hem zittende jongen maar de daarvóór zittende: ikzelf Rinus Schoen met links naast mij Peter Beers. Derde rij, derde van rechts naast zuster, zittend vóór jongen met stropdas: Eddy Clason (zijn hand op schouder van jongen met open mond, links van hem).

 


op 5/9/11
Onderwerp: Anekdotes 2 reacties Tell a friend 2494 Clicks Ongepast  
\.
Trouwfoto (26 mei 1904) van mijn grootouders Pieter Schoen (1872-1960) en Ebeltje Evelina Fijma (1879-1949).



Onlangs, samen met kleinzoon een ijsje etend op het terras aan de haven van Enkhuizen rook ik een bekende geur. Nee, geen vislucht zoals vroeger, hoewel er daar wel een vistent staat. Een man in wielrennerkostuum die daar ook zat rookte een sigaar. Die sigarenlucht deed me denken aan míjn opa Schoen, terwijl ik daar zat met mijn kleinzoon, als zíjnde zijn opa Schoen. Ik kende mijn opa zo’n beetje bewust van mijn achtste tot achttiende jaar. Hij was toen een wat schraal, oud mannetje van achtenzeventig naar achtentachtig jaar.

 


de Dam

Begin jaren vijftig toen ik zelf een jochie was, zaten ‘s zomers tijdens warme, lome middagen buurvrouwen met elkaar te keuvelen op het randje van de Dam. Lekker in de schaduw van een grote boom die schuin tegenover de Spoorklok (nu Stedemaagd) stond. Pé Stavenuiter, die ook een groentewinkel op de Dijk had, daar waar nu de viszaak van Schilder is, stond er wel eens met een ijscokar en dan bleven wij kinderen in de buurt van onze moeders ‘lingeren’ in de hoop dat er een ijsje voor ons overschoot. Soms was dat ook zo en kregen we een bolletje ijs op een hoorntje van vijf cent, in de guldens tijd. Ik betaalde nu Euro 1,20 voor een MegaMindi (?) die kleinzoon uitkoos toen ik vroeg wat voor ijsje hij wilde. Ons werd trouwens niks gevraagd, we waren allang blij als we wat kregen.

 

1872

Zijn laatste levensjaar bracht mijn opa door bij ons in huis. In zijn leunstoel zittend rookte hij vaak genoeglijk een sigaar. Hij was stokdoof, als je hem wat wilde vertellen moest dat altijd op heel luide toon vlakbij zijn oor en dan nog ging de conversatie vaak mis. In een bejaardentehuis heeft opa niet gewoond. Toen zelfstandig wonen voor hem niet meer ging woonde hij eerst bij zijn ene dochter in huis, daarna bij zijn andere dochter en op het laatst bij ons. Na zijn achtentachtigste verjaardag is opa Schoen in verpleeghuis Lutjebroek gestorven. Toch wel bijzonder dat je het in 2011 hebt over iemand uit 1872 die je persoonlijk kende.

 

Foto

Op foto’s was opa Schoen in zijn jonge jaren een stoere man met ferme snor en hij kreeg in zijn huwelijk zes kinderen. Waaronder een tweeling (jongens) van wie er één heel jong overleed. Opa en opoe woonden in mijn jeugd aan de Havenweg in hun eigen huis, naast de groentezaak van Dirk Mazereeuw (nu het kleine café). Het huis van mijn grootouders is op heden samengevoegd met precies dezelfde woning ernaast tot één geheel, dat huis waar toen de familie Bijl (de Garneel) in woonde.

 

Afslag

De Garneel was een visserman met eigen kotter en hij loste de gevangen vis, net als vele andere vissers, aan de afslag van Enkhuizen. Bijvangst, spiering e.d., puf genoemd, lag te stinken dat het een lieve lust was binnen houten schotten op de betonnen wal, naast de trap naar het Landje van Top. In die stinkende puf zocht ik soms naar (ondermaatse) paling die daarin hopelijk was achtergebleven. Je moest de paling op een bepaalde manier achter de kop trachten beet te pakken en dat viel nog niet mee. Als ik er een aantal had gevonden bracht ik die naar de oude buurtjes Langedijk in de Spoorstraat, zij stoofden de aal en verorberden deze smakelijk met een botersausje.

 

Zeehond

De puf werd in vrachtwagens, sommige met aanhanger, geladen. Sijpelend, penetrant stinkend vocht verliezend, reden die vrachtwagens met puf over de Havenweg, Spoorstraat, Wilhelminabrug, de Dijk, Prinsenstraat en Westerstraat de stad uit, overal hun riekend spoor achterlatend. Voor zover ik weet mekkerde niemand daarover, het hoorde er gewoon bij. De firma Hansen (de botjood) stapelde aan de Havenweg viskisten op de stoep en op een keer lag er een dooie zeehond bovenop te stinken. Wij kinderen hadden zo’n beest nog nooit gezien, vonden het bar interessant en trokken aan zijn snorharen, maar ‘Molly’ Hansen kwam uit de vishal en joeg ons weg. We vroegen ons niet af hoe het beest daar nou terecht kwam of wat ze er mee gingen doen.

 

Ruzie

’s Zomers stond de deur vaak open bij de firma Hansen en zag je er ook de grotere jongens van de buurt staan paling snijden. Op een keer kreeg Cor Franx die er toen ook werkte, ruzie met Popke Bleeker. Beiden stonden hun mannetje wat vechten betrof, zij waren niet bang uit gevallen. Op een gegeven moment echter rende Cor Franx naar de uitgang van de vishal en smeet de deur achter zich dicht waardoor Popke Bleeker, die achter hem aan zat, met hoofd en arm door het dikke ribbelglas van de deur schoot. Wij stonden verschrikt bij het bloed op de stoep te kijken en Popke moest naar de dokter. De verwondingen bleken achteraf mee te vallen maar vrienden zijn ze geloof ik nooit geworden. Later emigreerde Popke naar Amerika en heb ik hem nooit meer gezien.

  


\.
Zuiderspui 4. Foto: M. Schoen, juli 2011.

Het zal zomer 1948 of ‘49 geweest zijn toen de grotere kinderen van de havenbuurt van Enkhuizen aankondigden dat ze een toneelstuk gingen opvoeren. Alie de Haan en mijn oudste broer Piet speelden de hoofdrol. Mijn één na oudste broer Cees mocht alleen van hen meedoen als hij de Beer wilde spelen. De Beer spelen was helemaal niet leuk want dat betekende op je hurken heen en weer springen in een dicht gebonden jutezak als op een gegeven moment dat in het spel werd vereist. Cees wilde niet buitengesloten worden en stemde schoorvoetend toe. Twee cent entree werd gevraagd, die ik gelukkig van thuis meekreeg en betrad de donkere schuur van de familie De Haan in de Paktuinen, daar waar nu de nieuwe huizen staan van het Paktuynenkwartier.

 

Voorstelling

Toeschouwers zaten op planken die over een paar kisten waren gelegd en de voorstelling begon. Het verhaal weet ik niet goed meer maar wel dat er een pauze werd ingelast en dat je toen weer naar buiten moest. Wilde je het vervolg van de voorstelling zien dan moest er opnieuw twee cent worden betaald. Wat een probleem, met veel gejammer hadden mijn jongere broertje Klaas en ik allebei twee centen van thuis meegekregen maar dat zou vanzelf niet weer gebeuren. De Beer hadden we nog niet eens zien dansen en dat wilden we wel graag.

 

Grootouders

We liepen naar onze grootouders die aan de Havenweg woonden. Bij de bel konden we nog niet en bonsden op de deur, gelukkig deed opoe open. We legden haar het probleem voor en smeekten haar om twee centen. Nou, vooruit zei opoe en liep naar achteren om ze te halen. Opa loerde de gang in en zag ons staan en vroeg aan opoe of we niet binnen kwamen.

Nee, zei ze, en vertelde hem maar niet dat we om centen kwamen, want in die jaren nog zo vlak na de oorlog was het daar ook geen vetpot. Terug bij de voorstelling zagen we de Beer dansen, omvallen en weer opkruipen, weer omvallen en het touw sprong van de jutezak. Mijn broer Cees, heel erg bezweet ontdeed zich van de jutezak en de voorstelling was ten einde.

 

Goed voorbeeld doet goed volgen.

Enkhuizen, Zuiderspui 4. Het huis uit 1657 met die prachtige ornamenten en trapgevel, helemaal gerestaureerd door de Hendrik de Keyzer stichting, waarin burgemeester Steven de Vreeze ook nog woonde, daarin woonde in de jaren vijftig de familie Abbekerk. Een groot gezin met meerdere jongens waarvan Theo en Jan van onze leeftijd waren. Van hun moeder, die wij vrouwtje Abbekerk noemden, mochten we bij slecht weer met die jongens wel eens spelen in het Souterrain. Niet dat we die kamer zo noemden, dat woord kenden we niet eens, maar om uit te leggen dat het onderaan in het gebouw was maar geen kelder, je keek vanuit een raam op het water aan de achterkant van het Spui.

 

Genoveva

Op een keer hadden wij een toneelstuk bedacht op basis van de sage ‘Genoveva van Brabant’. Die sage hadden we in een boek gelezen. Boeken leenden we van de Rooms Katholieke Bibliotheek in de Van Bleiswijkstraat. Die bibliotheek was gevestigd in het pand (nu garage) naast het woonhuis van toen de familie Verberne (nu naast tandarts). De heer Verberne leende volgens mij zelf de boeken uit, als ik me goed herinner. Buurmeisje Antine Franx (later helaas op zeventien jarige leeftijd verongelukt) speelde in het stuk mijn vrouw Genoveva. Zelf speelde ik ridder Siegfried en mijn jongste broer Hans speelde onze zoon. Mijn broertje Klaas, een beetje dwars zoals wel vaker, mocht daarom niet meedoen, maar had het verhaal wel gelezen en smoesde toen aan onze moeder dat Antine bloot moest in die rol. Zo stond dat in het boek. In de sage komt voor dat Genoveva samen met haar zoontje omgebracht moet worden. De beul liet haar echter achter in een grot en jaren later zag Siegfried haar daar terug. Genoveva was toen alleen nog gekleed in haar lange haren die tot aan de grond reikten.

 

Bloot

Nou had Antine ook niet van die lange haren maar bloot gaan was helemaal niet waar, niks aan de hand, het was allemaal heel kuis bedacht. Antine was gekleed in een oude jurk die ze van Vrouwtje Abbekerk te leen kreeg. Mijn zoon (broertje Hans) en ik als Siegfried hadden banden (poeties) van wit crêpe papier om onze benen en een mantel van rood crêpe papier. De beul had alleen een mantel. Dat crêpe papier kochten we in de Franseprik (Franse bazar) in de Westerstraat van geld dat we hadden opgehaald door met een tas gevuld met grabbelspullen langs de deuren op de buurt te gaan. De entree voor ons toneelstuk was vijf cent maar veel publiek kregen we niet. Cultuur werd op bezuinigd, ook nu nog!

 

Met dank aan broer Hans die voor dit verhaal verschillende feiten aandroeg.

 

 


op 3/7/11
\.
Watersport Verening Almere voorheen aan steiger in de haven van Enkhuizen. Foto: M. Schoen sr. (1910-1995).

Aan watersport deden wij niet in de jaren vijftig toen ik nog bij de Haven van Enkhuizen  woonde. Hooguit maakten wij een keer een vlet los die achter een kotter lag en roeiden er een eindje de haven mee uit. Ook maakten we wel eens de schuit los van groenteboer Koolhaas die in een sloot lag over de spoorwegovergang van de omgelegde Burgwal, achter de Wachters woning, de sloot naast de weg richting de vroegere Visput. De groente tuin van Koolhaas was ongeveer halverwege die weg, daar waar nu grote loodsen staan van Draka/Polva (Solvay).

 

Verkeersbord

Met de halve buurt in die schuit voeren we al kloetende richten spoorweg viaduct en bleef de kloet opeens steken in de prut. De schuit voer door en de kloet niet los latende kieperde ik overboord. In het ondiepe water liggende, zag ik op de bodem van de sloot een verkeersbord liggen, haalde het boven water en reikte het de mede varenden aan. Kon vanzelf niet drijfnat thuiskomen dus voeren we eerst richting Zuiderdijk en ben bovenop de dijk in de volle wind gaan staan drogen. Daarna met zijn allen lopend lang de provinciale weg, onder het spoorweg viaduct door, droegen we om beurten het verkeersbord. We brachten het bord naar het politiebureau in de Westerstraat, daar waar nu een juwelier zit (naast Chinees Lotus). Ja, zo waren we ook wel, ons geweten sussend met een goede daad, want de schuit van Koolhaas dreef nog ergens onderweg. ’s Avonds bij het naar bed gaan zat het kroos nog in mijn onderbroek en kwam het alsnog uit dat ik te water was geraakt. Gelukkig gingen we de volgende dag op reis voor familiebezoek en ben er verder niet voor gestraft.

 

Roeispaan

Heel soms huurden we een bootje bij Apie de Vries (sorry Zeger) aan de Prinsengracht. Daarmee voeren we helemaal naar Broekerhaven en leverden in de smalle sloot, achter café Jan Jong (nu café De Buren), strijd met jongens die we daar in een bootje tegenkwamen. Scholden ze uit voor stomme boeren en over en weer sloegen we elkaar met roeispanen om de oren, tot overmaat van ramp brak een roeispaan van óns bootje. Naast café De Buren is een bruggetje over die sloot (nu nog) dat toen leidde naar de bakkerswinkel van bakkerij Veer. Zoon Piet Veer ventte brood uit en kwam ook helemaal in Enkhuizen op zijn bakfiets bij ons aan de deur. Dat vond mijn moeder wel gemakkelijk want Piet Veer kwam ook bij mijn opoe aan huis die in Broekerhaven woonde en hij bracht zo mooi mondelinge berichten over: ‘Reit, je moeder zeit…. enz., enz.’ (mijn moeder heette Marijtje).

 

IJzerdraad

We vroegen bij bakkerij Veer of Piet er ook was want misschien kon hij ons uit de nood helpen met ijzerdraad of touw om die roeispaan te repareren. Hij was er niet en onverrichte zaken voeren we terug naar Enkhuizen. Onderweg kwamen we langs een bolk (vuilstort) en daarin snuffelend vonden we toch een stuk ijzerdaad waarmee we de roeispaan zo op het oog repareerden. Voor we in de Prinsengracht terug waren loosden we eerst de mede varenden en legden toen netjes bij De Vries aan. De man stond gelukkig net met iemand te praten en wierp een achteloze blik in het bootje, zag beide roeiriemen liggen, ieder aan een zijkant in het bootje, vond het in orde en we konden gaan.

 

WSV Almere

Watersport in die tijd aan het Havenkwartier, zeilen bijvoorbeeld, was voor de meeste van ons niet weggelegd. Vishandelaar Rinke van der Veen bezat een zeilboot van een speciale klasse, de regenboog klasse en voer er mee over het IJsselmeer. Voordat er jachthavens waren in Enkhuizen lagen de boten van Watersport Vereniging Almere afgemeerd aan een lange steiger in de vissershaven van Enkhuizen.

 

Woeste Hoogte

Eén keer ben ik in een ‘geleend’ zeilbootje over het IJsselmeer heen en weer gevaren naar Broekerhaven. De eigenaar had de boot zelf gemaakt maar deze was nog niet helemaal klaar. Volgeladen met passagiers, waar niet eens iedereen van kon zwemmen, lag de boot nét nog een randje boven water. Het zeil gehesen en in een dikke tegenwind kwamen we al laverend uren later aan in Broekerhaven. Toen we daar in de Kolk lagen zeiden we tegen een mevrouw van de Woeste Hoogte dat we nog naar Stavoren moesten, het mens sloeg gelijk stijf van schrik. ‘Nee toch’, zei ze. ‘ Nou’, zeiden we stoer, ‘laten we dan maar naar Enkhuizen varen’. Voor de wind zeilend waren we zo weer terug in Enkhuizen en kwam de eigenaar van de ‘geleende’ boot woest op mij aanlopen en helaas met een blauw oog en een gezwollen lip liep ik huiswaarts. De anderen lachten zich rot, zelfs nu nog, als we het er over hebben.

 

 

 

 


op 6/6/11
\.
Haven van Enkhuizen en Spoorhaven met Gependam, strekdam links. Achtergrond dijk Enkhuizen-Lelystad in aanbouw. Foto: M. Schoen sr. (1910-1995).
Voorheen gold op ’t Suud dat je voor je vijftiende jaar het Krabbersgat moest hebben overgezwommen wilde je, je een echte Henkuzer kunnen noemen. Na mijn twaalfde jaar woonde ik niet meer in het Havenkwartier maar nog wel op de Breedstraat. In de zomer van 1957, toen ik al heel ruim veertien jaar was moest dat zwemmen nog steeds gebeuren. Met mijn broertje Klaas ging ik op een mooie dag die zomer naar de Haven waar ik had afgesproken met oud buurt-, speel- en klasgenootje Annie Planting om die tocht te gaan zwemmen. Omdat we onze kleren niet zomaar aan de Haven konden laten slingeren kleedden we ons om in het havencafé (nu De Boei) van de ouders van Annie en Suze Planting.

Gependam

Met zijn vieren plonsden we de Haven in, zwommen naar het Vuurtje en kropen daar weer op de kant. Daarna zwommen we de Spoorhaven over en op de Gependam zouden Klaas en Suze de overtocht van Annie en mij gadeslaan. Zij waren ruim een jaar jonger dan wij en we wilden niet dat ze de oversteek toen ook zouden wagen. Het Krabbersgat was een druk bevaren route en je moest goed opletten of je niet zou worden overvaren door een of ander schip. Toen Annie en ik al een poosje van de Gependam waren weg gezwommen dachten we stemmen te horen en keken achterom. En ja hoor, op gepaste afstand volgden ons mooi Klaas en Suze. Woedend sommeerden we ze om ‘op te donderen’.

Strekdam
Dat was tegen dovemansoren gezegd en ze zwommen gewoon door. Annie en ik zwommen terug om ze weg te jagen en toen keerden ze om. Even later toen we weer achterom keken zwommen ze gewoon weer mee en om zelf niet bek af te raken van het heen en weer zwemmen om ze weg te jagen lieten we ze noodgedwongen maar hun gang gaan. Bij de strekdam aangekomen en vermoeid daar te zijn opgeklommen kwamen Klaas en Suze even later aan en klommen een stukje verder op de strekdam en zaten triomfantelijk naar ons te lachen.

Staverse boot
Na een poosje uitrusten en heen en weer gescheld besloten we toch maar om met zijn vieren tegelijk terug te zwemmen. Elkaar aanwijzingen gevend om die en die boot voor te laten gaan zwommen we richting het Vuurtje. Daar kwam de Staverse boot uit de Spoorhaven en moesten we inhouden want we wisten van de zuiging die deze boot veroorzaakte. In de Spoorhaven, als de boot passeerde trok het water heel snel van de kant en sprongen we als een haas over de bloot gekomen zwerfkeien zigzaggende naar een meerpaal. Als we daar hoog en droog op zaten kwam het water woest weer terug en klotste tegen de walkant. Als het water weer rustig was trokken we onze sokken, klompen of schoenen uit en waadden terug naar de kant.

Tanker
Tijdens het dobberen om de Staverse boot voor te laten gaan kwam een tanker vanuit richting Broekerhaven aanvaren. We bleven dicht bij elkaar zwemmen, zwaaiden af en toe met een arm en hoopten maar dat de stuurman ons zou zien. We kwamen tussen de tanker en de Staverse boot in, beiden voeren evenwijdig richting het noorden maar gelukkig op behoorlijk brede afstand van elkaar. De golfslag van de tanker was te verwaarlozen, spoelde niet over ons heen en van de zuiging van de Staverse boot merkten we ook niets. Bek af klommen we later ongeveer bij de stormpaal op de Dam, maar zwommen de Haven niet meer over en liepen over de planken van de steiger naar het havencafé om ons daar weer om te kleden.

We waren nu dus échte Henkuzers van ’t Suud, maar het Krabbersgat heb ik daarna nooit meer overgezwommen. En zou dat samen met Annie ook niet meer kunnen want helaas is zij een aantal maanden geleden overleden. We hadden nog zo afgesproken dat, als we beiden eenmaal in het bejaardenhuis zouden zitten, we deze verhalen allemaal zouden ophalen. Nu doe ik dat dan maar hier.

op 2/5/11
\.
Toen de haven van Enkhuizen nog een vissershaven was. Foto: Cees Schoen (Cor).

Begin jaren vijftig woonden mijn ouders met hun gezin in de Spoorstraat van Enkhuizen. Zeven vrij oude huizen vormden daar een aaneengesloten rij in een gezellige buurt. Op huisnummer drie van die rij huizen woonden toen buurman en buurvrouw Langedijk, op nummer vijf de familie Anne Mos, op nummer zeven de familie Heino de Wit, op nummer negen de familie Rinus Schoen, op nummer elf de familie Bakker (de Pieterman), op nummer dertien de familie Jan Franx en op nummer vijftien de weduwe Van der Meulen.

 

Gehorig

De woningen waren gescheiden door een gang die van de voordeur tot de achterdeur liep. Ondanks die scheiding van de huiskamers waren de huizen best gehorig. Als bijvoorbeeld de buren de kachel op pookten kon je dat heel goed horen. Van de familie Bakker naast ons op elf, werd de man De Pieterman genoemd. Hij was een visserman van Urk. Hij droeg altijd Urker (vissers)kleding en sprak Urker dialect dat voor ons bijna niet te volgen was. Op een keer hoorden wij hem luidkeels in hun kamer roepen: ‘Oeh Thioe, hette oe in de koelebak skieten?’ Zijn zoontje Theo bleek in de kolenkit te hebben gesch….. die naast de kachel stond.

 

Reanimatie

Het eerste zoontje van de familie Bakker, ook Theo genoemd is in de haven van Enkhuizen op heel jonge leeftijd verdronken. Er is mij verteld dat men het verdronken jongetje liggend onder aan de Dam met een schuier onder zijn voeten kietelde voor een reactie. Reanimatie techniek was toen nog niet zo geweldig, lijkt mij.

 

Mijn broertje en ik deden een keer wie het verst over een paaltje kon springen aan de haven. Bij het steeds verder schuin achteruit lopen voor de aanloop op de brede opgang naar de steiger, viel mijn broertje achterover van die opgang met zijn hoofd op de schuine stenen wal en schoof bewusteloos het water in, koppie onder. Op mijn hulpgeroep kwam een man aangesneld die mijn bewusteloze broertje uit het water viste en hem een paar flinke porren gaf. Gelijk gaf mijn broertje water over plus een aantal spierinkjes dat hij naar binnen had gekregen. Die ‘reanimatie’ hielp dus en de man droeg mijn drijfnatte broertje daarna naar ons huis. De redder werd hoofdschuddend bedankt door onze moeder en wij moesten voor straf direct naar bed.

 

Zeeziek

Het tweede zoontje dat de familie Bakker kreeg werd weer Theo genoemd. Samen met hem mocht ik wel eens mee met zijn vader het IJsselmeer op in hun houten vissersboot. Het deinen van die botter op zee tijdens een heel warme middag maakte mij zeeziek maar we gingen mooi niet terug naar de haven. Eerst moest het want overboord dat De Pieterman zijn vrouw, buurvrouw Annie achter hun huis en ook wel in de gang had zitten spleten.

 

Pikhaak

Altijd waren wij aan de haven te vinden en speelden er ook in en op viskaren die op de wal lagen te drogen als ze weer eens geteerd waren. In die viskaren werd de gevangen vis in leven gehouden in het water van de haven. Ook deden wij tikkertje op de houten balken in de haven waaraan de olieboot van Lub uit de Brugstraat was bevestigd. We renden net zo hard over die tien centimeter brede balken boven het water als over straat en op een keer hoorde ik een plons achter mij. Weer was het mijn broertje die in het water spartelde en we schreeuwden hem toe naar de kant te gaan. Het lukte hem niet maar gelukkig kwam er een visserman aan rennen die even verderop in zijn kotter netten zat te boeten en mijn broertje met een pikhaak uit het water viste. Dat geluk had niet iedereen want een jongetje uit het logement in de Brugstraat en nóg een zoontje van de familie Bakker toen die later aan de haven woonden verdronken er wel.

 

Urk

De bewuste huizenrij in de Spoorstraat werd in 1955 gesloopt en de bewoners gingen verschillende kanten op en het grootste deel verloor elkaar uit het oog. Op volwassen leeftijd toen ik een keer samen met mijn broer Cees (ook Cor genoemd) op Urk was, kwamen wij daar ‘De Pieterman’ heel onverwachts tegen. We herkenden elkaar en hij vertelde, nadat wij gevraagd hadden hoe het met hem ging, dat hij in een Afrikaans land mensen daar het Visserijvak leerde. In het kader van een of andere organisatie was hij daar naar toe uitgezonden en verdiende toen zo zijn brood.

 

Vakkennis

Het visserij vak dat in onze havens hevig moderniseerde bracht hem ertoe zijn oude vismethode mensen in Afrika bij te brengen. Met eenvoudige middelen en -bootjes daar de zee en rivieren op voor een zo hoog mogelijk quotum. Zijn zoon Theo was naar Nieuw-Zeeland geëmigreerd en had daar een moderne viskotter, vertelde hij trots, die verdiende daar nu zijn brood. Na dit gesprek heb ik onze markante buurman ‘De Pieterman’ nooit meer gezien. En de haven van Enkhuizen is geen vissershaven meer.

 

      


op 2/4/11
\.
Dick Schekkerman tijdens zwempartij temidden van zijn familie en buurkinderen. Foto gekregen van Akkie Visser.

Het lijkt een probleem van deze tijd maar vroeger had je ook al hangjongeren. Eind jaren vijftig, begin jaren zestig stond bijvoorbeeld op de hoek van de Westerstraat/Van Bleiswijkstraat, tegenover IJzerhandel Schaap (later Scholten, nu bakkerij Rood) vaak een groep opgeschoten jongelui. Meisjes en vrouwen werden er nagefloten en menigeen die er verder passeerde werd voor de gek gehouden of luidkeels van commentaar voorzien. Aan de gevel van IJzerhandel Schaap, aan de kant van de Melkmarkt hing in die jaren een groot reclamebord voor ‘hang’sloten met daarop afgebeeld man met pet en een boeventronie, met de tekst: ‘Lips sluit alles’.

Overlast

Zelf behoorde ik tot de ‘hangjongeren’ van de Breedstraat en luidruchtig bivakkeerden we daar vaak op de stoep van de Oud-Katholieke kerk. Woest kwam op een gegeven moment Dick Schekkerman, die koster was van die kerk en er naast woonde, naar buiten en brulde: ‘sodemieter naar de Zuerdiek!’ Dan liepen we doodgemoedereerd naar de overkant en nestelden ons op de vensterbank en de stoep van de viswinkel van Klaas Visser. Op een gegeven moment tijdens een stoeipartij daar, ging er een van ons door een raam van het er naastgelegen huis en even later stond trillend van woede (of zenuwen) de oude buurman Kofman in zijn jaegerhemd en -lange onderbroek buiten op straat.

Betalen

Beschaamd legden we hem uit dat zoiets niet de bedoeling was en boden aan om direct naar schilder Sikkens in de Drie Groene Eikels te gaan om te vragen of deze de ruit wilde repareren. Omdat het al later op de avond was kon dat niet gelijk meer gebeuren en provisorisch zette de oude baas er zelf een of andere plaat tegen aan en kroop weer in zijn bedstee, waarin buurvrouw Kofman de hele tijd boos was blijven liggen. Met zijn allen lapten wij ‘hangjongeren’ de kosten bij elkaar en daarna dachten we er wel aan die erg oude mensen niet meer zo lastig te vallen.

Zuiderdijk

Met Schekkerman kwam het ook helemaal weer goed en hij ging zelfs met ons mee naar de ‘Zuerdiek’ om daar te zwemmen. We gingen niet naar het zwembad in de bocht van de Zuiderdijk want daar moest je betalen, maar achter de dijk waar nu ongeveer de Draka/Polva is. Als we dan te water gingen raadde Dick andere mensen aan die daar ook op de dijk zaten om wat hoger op te gaan zitten, ‘want wij gaan te water’ en wees hij naar mij en hem zelf, twee magere panlatten. Iedereen lachen vanzelf.

Schoolzwemmen

Ook vanuit de lagere school A op de Kuipersdijk liepen we naar de Zuiderdijk om daar met de klas te gaan zwemmen. Over het betonnen bruggetje, de omgelegde Burgwal en spoorwegovergang langs de wachters woning liepen we richting De Daklozen. Zo werd het gebouwtje genoemd waar in vroegere jaren dakloze mensen werden opgevangen en dat langs een weg stond waar nu de Draka/Polva is. ’s Zomers zagen we bij De Daklozen wel eens woonwagens staan, wagens die getrokken werden door paarden. Die woonwagenbewoners liepen met een scharensliep door de stad en belden aan bij de mensen en vroegen of ze hun scharen en messen mochten slijpen. Ook waren er die een draaiorgel hadden en er mee door de stad gingen.

Droogzwemmen

Op de Zuiderdijk leerden we droogzwemmen van meester Schermer (later had hij Zwemschool Schermer) die toen onze leraar was in de vierde klas van de lagere school A. Met hem gingen we ook in een autobus naar het overdekte Pesibad in Alkmaar om daar in de winter het op de Zuiderdijk geleerde in praktijk te brengen. Met schoolzwemmen in het water van het IJsselmeer was ik altijd aan het ‘pootje douwe’ want ik bleef maar niet drijven en zo leek het net of ik zwom. In het Pesibad moesten we vanaf de duikplank in het water springen en ik hoopte maar dat je er kon staan. Het leek alsof ik niet meer boven zou komen zo lang duurde het onder water zijn. Half in paniek krabbelde ik naar de rand van het bad en kon bij een trapje de kant opklimmen. En wat denk je? Moest toen aan hengel vastgebonden leren zwemmen, wat een afgang!

Op de foto v.l.n.r: Op de rug gezien Akkie Visser en Marja Schekkerman, met petje Johan de Vries, Lies Visser, Elly Loots, Dicky Schekkerman, Dick Schekkerman, Frits de Vries en Hans Visser (met hoed).


\.
Werkneemsters Grootebroek. Voorste rij, v.l.n.r: Elly de Swart, Afra Dudink, Johanna Edelenbosch, Gerda Duin en Margriet de Jong. Achter v.l.n.r.: Lida Rood (gesloten ogen), Wil Zwier en Lies Slok.

Het West-Indië gebouw dat op de Wierdijk staat en nu behoort tot het Zuiderzeemuseum stond voorheen wat achteraf aan de Paktuinen en met de achterkant aan het Snouck van Loosenpark. Of misschien was het wel de voorkant aan het park, want in vroegere tijden was er een haven op de plek van het park. Een haven die verder liep door de Fruittuinen langs de Kuipersdijk, helemaal tot aan de omringwal.

 

Het West-Indië gebouw is zorgvuldig afgebroken en opnieuw weer opgebouwd aan de Wierdijk. Bij vroegere foto’s van het gebouw staat geschreven dat de zaadfirma Sluis & Groot het ook in gebruik had, maar ik weet alleen van de papierfabriek van Van der Spruyt.

Sirene

Die papierfabriek produceerde geen papier maar in de volksmond werd de fabriek zo genoemd. Papierwaren Van der Spruyt bedrukte grote vellen en rollen papier voor het verpakken van bloemen, kaas, etc. Van dikke rollen papier werden papierenzakken en -tassen gefabriceerd die bedrukt werden met tekst en logo’s van de klanten. Chef Van Durmen zwaaide er in de jaren vijftig en zestig de scepter en liet de sirene loeien. Elke werkdag om vijf voor zeven werden de werknemers naar binnen genood en om zeven uur loeide dat ding weer over de halve stad en ving men de arbeid aan. Om twaalf uur ging de sirene voor de middagpauze en om half twee weer een keer om opnieuw aan de arbeid te gaan. Vijf uur ’s middags was de werkdag ten einde en weer gaf de sirene dat aan. Of er ooit iemand geprotesteerd heeft over al dat lawaai van die dwingende sirene is mij niet bekend, men was er aan gewend denk ik.

Stempels

Op de binnenplaats van de fabriek, tegen over de fietsenstalling was een afvalhok waar wij, jeugd van het Havenkwartier af en toe stiekem in doken om er rubberen matrijzen uit te vissen die na gebruik daar in waren weggegooid. Uit die rubberen vellen knipten we thuis de grote letters en plaatjes, bijvoorbeeld mooie molens, vogels, gebouwen, enz. en gebruikten die als stempel. Wij versierden met die stempels tekenblaadjes en schriften en stempelden ook op onze armen en handen. Inkt om te gebruiken hadden we eigenlijk niet en daarom smeerden we de stempels in met ons speeksel en kregen er nog menig mooie afdruk van. Want vaak zat er op die rubberen stempels nog aangedroogd blauwe of rode inkt. Mooie tattoo’s zou je nu zeggen.

Dependance

Waarschijnlijk minder bekend is dat Papierwaren Van der Spruyt een dependance had in Grootebroek. In drie aaneengesloten witte gebouwen op de kop van de Industrieweg (staan er nu nog) werkten voornamelijk meisjes in de leeftijd van veertien tot achttien jaar en een paar vrouwen. Zij stansten handvaten in de in Enkhuizen geproduceerde papieren tassen, regen er hengsels van touw door, plakten er aan de binnenkant een versteviging tegen aan, vouwden bodems in de tassen en plakten die bodems dicht en dat alles met de hand.

Brommer

Vele van die meisjes die in Grootebroek werkten kwamen uit Enkhuizen en gingen elke dag op de fiets naar hun werk. Ook chef Flip de Vries die er in die tijd de scepter zwaaide kwam uit Enkhuizen maar reed er op zijn brommer naar toe. Joop van der Horst, ook uit Enkhuizen was er voor het zwaardere til- en snijwerk. Als het soms nodig was bracht chef De Vries een werkneemster die onwel was geworden onder werktijd op zijn brommer naar haar huis. Let wel: van Grootebroek naar Enkhuizen. Mart Schouten, die er op kantoor werkte hield de boel zo lang in de gaten, want er moest natuurlijk wel doorgewerkt worden.

Uitje

Papierwaren Van der Spruyt had een eigen bedrijfsbrandweer en de spuitgasten oefenden elke week maar hoefden gelukkig nooit in actie te komen voor een echte brand. Ook was er een grote personeelsvereniging en menig jaar maakte de hele club een reis naar een of andere mooie attractie verderop in het land. Partners van de werknemers mochten ook mee en in vele autobussen vertrok men vanuit de Paktuinen. Zelfs gingen ze een keer met zijn allen in een speciaal gereserveerde trein naar de grotten van Valkenburg! Papierwaren Van der Spruyt was een grote werkgever in Enkhuizen, in de glorie tijd werkten er wel meer dan honderd mensen. En nu is er niets meer van terug te vinden, misschien nog wat oude foto’s.


Onderwerp: Anekdotes 1 reactie Tell a friend 3384 Clicks Ongepast  
\.
Foto aangeleverd door drukkerij Bijto voor omslag boek 'Rondom de Zuidertoren'.
Bij verjaardagen van leden van het Koninklijk Huis werd en wordt er door de Gemeente Enkhuizen feestelijk gevlagd op bepaalde gebouwen in de stad. Zo ook op de Zuidertoren van de Zuiderkerk aan het Boschplein.

Mijn vader die bij de Gemeente werkte had in een bepaalde tijd dat vlaggen tot taak en dus ook toen prinses Beatrix jarig was op 31 januari 1953. Het waaide en stormde die dag behoorlijk maar het vlaggen moest evengoed worden uitgevoerd.

Wij vroegen later thuis aan vader hoe of dat was gegaan. Nou weet ik niet of hij ons voor de gek hield, maar hij zei dat de toren behoorlijk heen en weer zwaaide, boven wel een meter dacht hij. ‘Ja’, zei hij , ‘de Zuidertoren is gebouwd op een laag koeienhuiden, anders zou hij breken bij zo’n storm.’

Nationale ramp

De volgende dag, 1 februari, was onze grootmoeder jarig en stormde het nog erger, maar mijn broertje en ik gingen evengoed lopend naar Bovenkarspel om haar te feliciteren. Op ons vertellen over het heen en weer wiebelen van de Zuidertoren werd amper gereageerd want op de radio hoorde de familie over veel ergere dingen. In Zeeland braken de dijken door en overstroomde het land, hele dorpen kwamen onder water te staan.

De volgende dagen hoorde je over veel slachtoffers en groeide de catastrofe uit tot een Nationale ramp. Inzameling acties werden op touw gezet en het motorschip Van der Wyck die normaal tussen Enkhuizen en Stavoren heen en weer voer werd als hospitaalschip naar Zeeland gevaren.

Geboorte
Nadat het ergste leed in Zeeland geleden was, kwam de Van der Wyck weer terug in de Spoorhaven en mocht het publiek een kijkje nemen op de boot. Ook wij, jeugd van het Havenkwartier loerden rond op de boot en luisterden vol ontzag naar de verhalen die verteld werden door mensen die van alles op die boot in Zeeland hadden meegemaakt. Ze vertelden dat er zelfs een baby was geboren op de Van der Wyck en zoiets sprak helemaal tot de verbeelding.

De watersnoodramp van 1953 werd later op film in de Muntbioscoop vertoond en van school uit gingen we daar naar die film kijken. De ellende die je toen zag ging je pet te boven.  

Peer of ui
Op een keer toen er weer gevlagd moest worden voor een jarige van het Koningshuis mochten mijn broertje en ik samen met een buurmeisje mee met vader de Zuidertoren beklimmen. Tot de eerste omloop gaat dat net als in de Drommedaris via een stenen wenteltrap. Daarna klim je op ladders naar de volgende omloop, en vanaf die zolder ook op ladders tot onder de peer cq ui.

Als je beneden aan de toren staat zou je niet zeggen dat onder die peer/ui een rond vloertje is met een doorsnee van wel een paar meter. Wij mochten niet verder mee klimmen en vader klom de Peer in om daar de vlag door een luik uit te steken. Wij keken over de balustrade in het rond en hadden een mooi uitzicht zo hoog boven de stad.

Tikkertje
Het duurde nogal wat eer vader terug kwam en hoe we het in ons hoofd haalden weet ik nog niet, maar we gingen tikkertje spelen daar onder die Peer. Op een gegeven moment kreeg ik een tikkertjesduw van het buurmeisje en kwakte tegen een van de pilaren aan die de Peer omhoog houden.

Voor hetzelfde geld was ik over de balustrade gekieperd en beneden op straat te pletter geslagen of gespietst geworden op een van die kleine siertorentjes die aan de eerste omloop van de Zuidertoren hangen. Het tikkertje spelen was gelijk over.

Vliegen
Laatst kreeg ik een uitnodiging om mee te vliegen boven de stad Enkhuizen in zo’n sportvliegtuigje. Mijn klompen krijgen ze niet mee, heb last van hoogtevrees. Niet te verwonderen, toch?

Mijn jongste zoon, die van de piloot in dat sportvliegtuigje van Hoorn naar Enkhuizen mocht vliegen, zei tegen me: ‘het is nog makkelijker dan autorijden!’ Hij stuurde mij via e-mail een video verslag van de vlucht en ik zag de stad weer vanuit de hoogte. Mooi hoor, maar gelukkig had ik dat vroeger in het echt gezien.

Resultaten:21 - 30 van 64
Volg ons via RSS
Volg ons op Twitter
Volg ons op Facebook
Volg ons op Youtube