Deze website maakt gebruik van cookies. Klik hier voor meer informatie.      Sluiten
 

Artikelen van Marinus Schoen

Artikelen van: Marinus Schoen
Laatst geplaatste artikel: zondag 03 juni 2012
Totaal aantal artikelen: 64
Resultaten:11 - 20 van 64
op 3/6/12
\.
Vrijdom nr. 1, 1969. Oudste zoon Erwin Schoen (staand) met Peter Karremans op fietsje (zoon van Trudy Visser en Hans Karremans. Zij woonden toen op nr. 5.

Begin 1966 had ik trouwplannen en zocht naar een woning. Op het woningbureau vroeg degene die over de toewijzing van huizen ging: ‘Wie ik dacht wel niet te zijn’. Op mijn verbouwereerde antwoord dat wij al meer dan drie jaar stonden ingeschreven, lachte hij schamper en stond ik onverrichte zake weer op de stoep van het Stadhuis, waarin het woningbureau toen was gevestigd. In die tijd was Vozel v.d. Zel een collega van me. Van der Zel met zijn witte pet (oud-keeper v.v. Westfrisia) was een bekende figuur in de stad en hij had altijd veel te verhalen. Zo wist hij iemand die een huis te koop had. De bewuste eigenaar van dat pand woonde in het café aan de Havenweg waarin eerder een mij goedbekende familie woonde.

 

Hele rij

Toen ik de bewuste man in het café vertelde waar ik voor kwam nodigde hij mij in zijn woonkeuken en zei toen, dat van de rij woningen op het Vrijdom, nr. 1 te koop was. Zesduizend gulden moest hij er voor hebben. Ik nam dat ter kennisgeving aan en zou dat overleggen met mijn aanstaande. Op mijn werk later vertelde ik Van der Zel wat de vraagprijs was en hij schaterde het uit en zei dat die man de hele rij (vijf woningen) voor vijftienduizend gulden had gekocht. Hij vroeg mij er dus het dubbele voor. Ik weer naar het café aan de Haven en werd weer in de keuken genodigd. ‘Drieduizend gulden geef ik ervoor’, zei ik. De ogen van de man rolden bijna uit zijn kop en hij brulde: ‘daar koop je nog geen schuurtje voor!’ Toen ik liet merken dat ik wist wat hij voor het hele rijtje had gegeven bond hij wat in. Vijfenhalf duizend gulden zei hij, en zoniet dan hoefde ik niet meer terug te komen.

 

Westerhof

Het bewuste huis was toen nog wel bewoond door een oude man, maar deze zou met een half jaar naar het bejaardenhuis vertrekken, vertelde hij nog. Nu kende ik de zoon van die oude man, hij was ooit een collega van mijn vader en ben hem eerst gaan vragen of dat wel zo was. ‘Ja’, zei de zoon, ‘het klopt dat mijn vader als eerste op de lijst staat om naar Westerhof te gaan’ en hij dacht dat het ongeveer wel zo zou lopen. Die zoon ging samen met ons naar zijn vader die Vrijdom 1 van de man aan de Haven huurde en liet het huis van binnen zien. Wij besloten om Vrijdom nr. 1 voor de overeengekomen prijs te kopen.

 

Geen woning

Maar de oude heer verkaste mooi niet na een half jaar, er was een urgentie geval voor gegaan in het bejaardenhuis. Wij waren ondertussen getrouwd maar hadden daardoor geen woning om in te wonen. Toen kwam Zuider Havendijk 42 vrij. Een bouwval bijna, maar we togen naar de eigenaresse in de Semeijnstraat en zij had geen bezwaar als wij erin trokken. Vijf gulden huur vroeg ze en dat betaalde die oude baas ons ook die nog in ons huis op ‘t Vrijdom woonde. Het woningbureau moest nog wel toestemming geven en diezelfde man die daar eerder over ging zei niet direct van ja. We zagen hem later vanuit het huis van mijn ouders op de Breedstraat, van waaruit je recht naar het pand op de Zuider Havendijk kon kijken, dat pand betreden met een oudere vrijgezel, die de woning ter stond af wees omdat ze beiden ter plekke door de vloer gingen. Toen kregen wij alsnog die woning toegewezen.

 

Inflatie

Na de ‘bouwval’ met mijn familie te hebben opgeknapt hebben we er maar één jaar in gewoond, toen kwam ons eigen huis op het Vrijdom vrij en nadat ook die woning onderhanden was genomen door de vaklui in mijn familie trokken we daar in. Vanaf het Vrijdom zijn we later nog een aantal malen verhuisd, om bijna acht jaar geleden te verkassen naar de buitenwijk Gommerswijk-Oost. In een mooie, ruime wijk, met bruggetjes, vaarten en veel groen kochten we daar een woning.  Na vanzelf eerst weer te hebben onderhandeld met een makelaar. Diezelfde makelaar vertelde ons toen dat hij Vrijdom nr. 1 kort daarvoor had verkocht voor 139.000 Euro!


\.
Tweede klas Christelijke Elout van Soeterwoudeschool 1955/1956.

Babyboomers

Persoonlijk heb ik, Margriet de Jong, helaas maar één klasse foto van de Lagere Christelijke Elout van Soeterwoudeschool, die op de Driebanen stond in Enkhuizen. De school waarvan ik alle zes klassen heb doorlopen. De eerste klas met juffrouw Zwaan, de tweede met juffrouw Groot, de derde met meester Klaassen (kon slecht orde houden daarom stond Joop Mos vaak op de gang), de vierde met meester Bakker en de vijfde en zesde met meester Van der Meer.

Van de jongens uit mijn klas weet ik nog wel namen maar kan ze op de foto toch niet allemaal meer plaatsen. De kinderen op deze foto uit schooljaar 1955/1956, geboren in 1946/1947 (zogenaamde Babyboomers), worden vijfenzestig dit jaar of zouden dat zijn geworden.

 

Vriendinnetjes

Mijn vriendinnetjes in die schooltijd waren Rini Ras (buurmeisje), Mientje Boerma (buurmeisje), Tiny Jorritsma en Johanna Edelenbosch. Bij Tiny speelden we op de zolder boven Albert Heijn, de winkel die toen op de hoek Melkmarkt/Torenstraat was en waar ze boven woonde, haar vader was daar de chef. Mientje Boerma haar vader was hoofd van de Christelijke ULO school op de Driebanen (nu schoolgebouw De Veste). Zij woonden op de Breedstraat in het grote huis waarin zich nu het Uitvaartcentrum van de E.C.U. bevindt. Mientje haar moeder was altijd erg geïnteresseerd in onze vorderingen op school en bestudeerde menige keer onze rapporten.

 

Meubelhandel

Zelf woonde ik op Breedstraat 80, waar mijn ouders toen een meubelzaak dreven, Meubelhandel De Jong. Naast onze winkel (waar wij boven woonden) was het woonhuis van kleermaker Herman Tilder die er samen woonde met zijn zuster. Daarnaast was in die tijd de kruidenierswinkel (later gesloopt) van de familie Sweep (dochter Elly Sweep) en daarnaast het grote huis van de familie Hoytema (architect). De familie Hoytema verhuurden het rechter gedeelte van dat grote huis nog eens aan een oom en tante van mij, dat was inwoning vanwege de woningnood in die tijd. Naast Hoytema woonde de familie Ras. Buurmeisje Rini Ras haar vader was een visserman en kwam van Urk. Toen ik vijftien jaar was verhuisden wij met de meubelzaak naar Breedstraat 45 (naast Snouck van Loosenkerkje). Ook daar woonden wij toen boven de zaak en ben vandaar uit later getrouwd.

 

Op de foto:

Bovenste rij, v.l.n.r.:  Marijke Ham, meisje ?, Margriet de Jong, Johanna Edelenbosch, Joke Gorter, Christien Lakeman, Erna Vis, Gerard Struijk.

 

Tweede rij van boven, v.l.n.r.: jongen ?, Wim Wiersma, Rini Ras, Mientje Boerma, An de Graaf, Sonja Lobrink, Juffrouw Groot, Marie de Graaf, Coosje v.d. Vecht, Hanneke Harlaar, Tiny Jorritsma, Tiny Wolbers.

 

Derde rij van boven, v.l.n.r.: Jan Schuyt, Bert Admiraal, Klaas Schuit, Jan van Pijkeren, jongen ?, Daan Krommehoek, Anneke Buwalda, Freek Goos, Peter Schoen, Wil Dijkstra, Maarten Wolzak, jongen?.

 

Onderste rij v.l.n.r.:  Jan Kofman, jongen ?, Eddy v.d. Berg, jongen ?, jongen ?, jongen ?, jongen ?, Dick Fijma, Joop Mos, Peter Schreuder, Leen Baars.

 

Zou heel mooi zijn als de ontbrekende namen worden ingevuld of gecorrigeerd. Wie helpt?
 

Margriet Schoen-de Jong


\.
Foto: Rinus Schoen op brommer achter huis op de Breedstraat. Foto Kunstobject van Jeannette Eisses in bijna gesloopt Snouck van Loosenziekenhuis 2012 is van Lauree Sine uit Bovenkarspel.
Precies in het laatste verlofweekend toen ik in Militaire Dienst zat kreeg ik een ernstig ongeluk met een brommer. Op zaterdagmiddag, 13 september 1963 pakte ik de brommer die achter ons huis stond op de Breedstraat om hem even uit te proberen. Broer Klaas had daar net een remkabeltje van gerepareerd. Hij sprong nog achterop toen ik wegreed en we raceten even later in de Paktuinen.
 
Rennen
Begin jaren vijftig, toen we nog in de Spoorstraat woonden speelden we als kind vaak in de Paktuinen. We tolden, hoepelden, verklaarden oorlogje daar en renden met harddraverij, getuigd in zelf gepunnikte leidsels, om het hardst op die lange, rechte asfaltweg. Op verkeer hoefde je toen niet te letten. Zoiets sla je op in de genen, denk ik, want nu bleef ik op die brommer onbewust, ongeremd doorrijden vanaf de Drommedaris richting Kat en Hondsbrug. Maar helaas kwam rechts vanaf de Wilhelminabrug een NACO-bus, die je niet kon zien aankomen vanwege Hotel Du Passage op de hoek Spoorstaat/Paktuinen en… knalde er vol tegenaan. Precies tegen het voorwiel met mijn gezicht op zo'n grote moer. Met een neusfractuur, kaakfractuur, schouderbladfractuur en schedelbasisfractuur tot gevolg.
 
Dokter
Theunis Lub (zoon van Joost Lub de melkboer uit de St. Jansstraat) en zijn vrouw, die toen op de hoek Spoorstraat/Paktuinen woonden achter hun winkeltje tegenover Du Passage, ontfermden zich over ons en dekten ons toe met een deken. Dokter Mooijen (internist), die aan de Havenweg woonde kwam aangesneld en verleende eerste hulp tot een ambulance arriveerde. Dat heeft enige tijd geduurd voor die ambulance er was want onze moeder, die gewaarschuwd was door een vroeger buurmeisje van de Haven, was op haar fiets vanaf de Breedstraat al naar ons toegesneld.
 
Dodenmars
Vanaf die zaterdagmiddag tot de volgende donderdag buiten mijn positieven gelegen in het Snouck van Loosenziekenhuis. Er ontstond nog verwarring in het ziekenhuis over welke jongens van Schoen het betrof en een kapelaan kwam al aangesneld om ons de laatste Sacramenten toe te dienen. Inmiddels was mijn oudste broer in het ziekenhuis gearriveerd en stuurde die kapelaan weg. De goede man kwam later evengoed een praatje met ons maken.
Omdat ik nog in Militaire Dienst zat werd daar overwogen om alvast de dodenmars in te gaan studeren. Vorenstaande is mij allemaal verteld want heb het (gelukkig) niet bewust beleefd.
 
Boete
Toen ik weer bij mijn positieven kwam was daar zuster Pork (Oostduitse) als zaalzuster en verder verschenen zuster Sterk, zuster Druif, zuster Uitterdijk, zuster Ria Elbertsen en zuster Cobie Tesselaar aan ons bed. Ook kreeg ik bezoek van de Marechaussee en ben (toen ik alweer aan het werk was) nog krijgstuchtelijk gestraft (boete) omdat het ongeluk mijn schuld was. Van de NACO kregen we ook bezoek en zij brachten een mooie fruitmand voor ons mee. De bus had namelijk geen schade, maar ik liet wel bijna het leven in de straat waar ik ruim twintig jaar eerder geboren was. Met vader Jaap Essen uit Grootebroek en Theo Schenk uit Andijk lagen mijn broer Klaas en ik in een zaal die door de dokter ‘de Benzinehoek’ werd genoemd. Allemaal brommerongelukken. Demonstratief kwam de dokter aldoor snuivend de ziekenzaal binnen.
  
Herinneringen
Donderdagavond 2 februari 2012 bekeek ik samen met een flinke groep oud-patiënten het vroegere Snouck van Loosenziekenhuis van Enkhuizen. Tot onze teleurstelling was er (bijna) niets meer van te herkennen. Er waren muren tussen afdelingen geplaatst en in verschillende vertrekken verdeeld. Verlaagde plafonds aangebracht, de zwart/grijze stenen vloeren in de gangen weggewerkt. We vroegen ons af waar toch de boogmuur gebleven was die de kinderzaal in tweeën splitste. Daar had ik in mijn jeugd toen ik uit een boom gevallen was, ook nog drie weken gelegen. Gelukkig kon een oud-verpleegster die de rondleiding verzorgde, ons er nog wat van laten zien. Foto’s lieten zien dat onze herinneringen klopten.
 
Kunstobject
De andere kinderafdeling beneden en daar waar de operatiekamer was geweest kon je ook bezoeken, alleen was er geen elektrisch licht meer. De gang er naar toe werd verlicht door kaarsen, een beetje spookachtige ervaring werd dat. Die kant van het oude ziekenhuis wordt namelijk gesloopt. Jeannette Eisses, een kunstenares die deze bezoeken organiseerde en daar een door haar gemaakt kunstobject presenteerde, vroeg de aanwezigen of ze op de lege wanden met witte verf iets van hun herinneringen en/of emoties konden laten zien.
 
‘Strepen’
De meeste mensen daar hadden bijna traumatische ervaringen, oud-verpleegsters die de rondleiding verzorgden konden zich dat haast niet voorstellen. Zij zullen zich dan ook best wel goed van hun taak gekweten hebben. Maar als je bijvoorbeeld vijf weken in het ziekenhuis moest bivakkeren en in die tijd alles volgens strenge, strakke regels ging, viel het voor menigeen niet mee. Een mevrouw vertelde, die daar als kind lag, dat je bijvoorbeeld elke dag moest strepen (poepen) en als dat niet lukte kreeg je een zetpil. Een jongetje bij haar op de zaal gilde het daarbij uit (wat natuurlijk overdreven was, wist ze nu ook wel), maar toen stond ze doodsangsten uit als ze dacht niet te kunnen ‘strepen’. De ene anekdote volgde op de andere en er ontstond zoiets als een saamhorigheidsgevoel bij de bezoekers, van wie de meesten elkaar niet eens kenden. Alle protest in 1975 om het Snouck van Loosenziekenhuis voor Enkhuizen te behouden was op niets uitgelopen. Alleen herinneringen resten ons nog.
 
 
 
 
 

op 4/3/12
Onderwerp: Anekdotes 1 reactie Tell a friend 2469 Clicks Ongepast  
\.
Op voorplecht betonningsvaartuig IJselmeer links mijn zoon Erwin en rechts zoon Stephan Schoen, ongeveer 35 jaar geleden. Links halfzichtbaar grote boei, rechts gedeeltelijk kantoor gasfabriek.

In een winter, in de eerste helft van de jaren vijftig, schaatste ik samen met een aantal buurtkinderen van het Havenkwartier in de polder. De houten schaatsen waarop ik reed had ik gekregen van de buren Franx uit de Spoorstraat, zij hadden die gelukkig over. Met al die jongens in ons gezin was er niet voor iedereen schaatsen. In de sloten en op de vijver van het Snouck van Loosenpark hebben wij ons de schaatskunst eigen gemaakt. Die slootjes in het park hielden we op een gegeven moment voor gezien en op tochten die we daarna maakten, schaatsten we ook de polder in.

 

Wak

In de polder zag het water er toen groenig uit en daardoor ook het ijs en kon je een wak haast niet onderscheiden. De buurjongens en -meiden en ook ik schaatsten op onze houten Friese doorlopers af en toe om het hardst, want iedereen leek wel een keer op kop te willen. Buurjongen Nico Plukkel wilde echter elke keer de voorste zijn, maar dat bravoure gedoe brak hem mooi op want hij schaatste in een vrij brede sloot, linea recta een wak in. Eerst stonden we ons allemaal nog te bescheuren maar zagen al gauw dat hij er niet uit kon komen. Geen boom, tak of wat dan ook in de buurt om hem toe te steken. We knoopten onze sjaals aan elkaar en plat op de buik liggend schoven we zo dicht mogelijk naar hem toe en gooiden de aan elkaar geknoopte sjaals naar hem. Met zijn ziekenfondsbrilletje nog aan één oor trokken we hem uit het wak. Enkele van ons die dubbele kleding droegen hebben dat zo goed als mogelijk verwisseld met zijn natte plunje. De lol was er wel af en we zijn snel naar het Havenkwartier terug gegaan. De arme Nico werd thuis door zijn vader ‘warm onthaald’ hoorden we luisterend aan hun schuurdeur in de Paktuinen.

 

IJskoud

Het door het ijs zakken heb ik zelf ook ondervonden in de oude haven aan de Dijk. Nadat het een aantal dagen gedooid had en er daardoor veel water aan de walkanten op het ijs kwam, was dat water later opnieuw bevroren. Achter het gebouw van de Pelikaan (Ruiter) aan de Paktuinen stapte ik toen op het ijs, zakte er na twee stappen door en stond tot boven mijn middel in het ijskoude water, bovenop de eerdere ijslaag die nog onder water lag. Gelukkig ging ik daar niet verder doorheen en kon schoolvriendje Corrie Postma mij de hand reiken en trok me de wal op. Eerder was ik op het ijs in de Dijk al een keer keihard onderuit gereden door Jan Poepies (Poepjes) die daar aan het oefenen was voor het Enkhuizer kampioenschap op de schaats. Dat werd toen in de Dijk verreden. Een politieagent droeg mij bewusteloos in zijn armen naar huis in de Spoorstraat, vertelde een broer van mij onlangs nog.

 

Keeshond

In de tweede helft van de jaren vijftig toen wij op de Breedstraat woonden hadden we daar een hond. Een witte Keeshond. ‘s Morgens voor mijn vader naar zijn werk ging liet hij de hond eerst uit. Als hij wat verlaat was, deed hij de poort open en liet de hond alvast naar buiten. Op een dag in de winter was de Oosterhaven dicht gevroren, maar na een paar dagen vriezen voer de Gasboot er toch nog door heen. Wij noemden dat schip de Gasboot, waarschijnlijk omdat het schip tegenover de gasfabriek lag afgemeerd, maar het was de boot van de betonning. Het betonningsmagazijn was aan de Bierkade, daar werden de boeien en tonnen van het IJsselmeer schoongemaakt en gerepareerd.

 

IJselmeer

Ooit had Enkhuizen het paalrecht verworven. Paalrecht was een privilége waardoor de stad bevoegd was geld te heffen van schepen die de Zuiderzee bezochten. Maar dat hield tevens in dat de stad moest zorgen voor veilige vaarroutes op de Zuiderzee (later IJsselmeer). De boot van de betonning (om onnaspeurlijke reden IJselmeer genoemd met één S), voer met grote boeien en tonnen boven op het dek door de Oosterhaven om deze uit te zetten in het IJsselmeer. De belboei is voor mij de bekendste boei, daar voer de boot naar Stavoren vlak langs en hoorde je deze klingelen.

 

Gasboot

Op die winterdag werd onze Keeshond de poort uitgelaten en meestal rende hij naar de smederij van Kenter, schuin aan de overkant van ons op de hoek Breedstraat/ Boekbinderstraat (pand en smederij zijn nu in het buitenmuseum van het Zuiderzeemuseum). Vaak zat daar een kat onder de handkar die voor het pand stond. Maar deze keer was de hond naar de Oosterhaven gegaan, het ijs opgerend waar sneeuwval in de voorgaande nacht de ijsvlakte had bedekt. Middenin de Oosterhaven, waar de Gasboot de dag ervoor nog was door gegaan, zakte de hond door het ijs, kon er niet uit komen en gilde het uit. Klaas Maret, zoon van de bekende Luit Maret, die aan de Oosterhaven woonde wilde het ijs opgaan om de hond te redden, maar werd tegengehouden door omstanders, het was veel te gevaarlijk, dat zou zijn leven kunnen kosten. Dan maar de hond, en onze Keeshond is jammerlijk verdronken, onder het ijs geraakt en nooit meer teruggevonden. Wij lagen thuis nog onder de warme wollen dekens en hebben er gelukkig niets van gehoord nog gezien.

 


op 3/2/12
\.
Bovenste foto: Marie Koedooder in 1934. De andere beauty's zijn van bijna vijftig jaar geleden, v.l.n.r.: Margriet de Jong (mijn echtgenote), Lies Slok, Lies Visser en Akkie Visser.

Fotograferen

Welke Henkuzer heeft zich nou niet laten fotograferen bij de Drommedaris of het Vuurtje? Dat ging in vroegere jaren ook al zo. Ik kwam een foto tegen uit ongeveer 1934 van een tante van mij, zus van mijn moeder, gefotografeerd op jonge leeftijd aan het Havenhoofd van Enkhuizen. Tante Marie, net als mijn moeder geboren in Enkhuizen, maar opgegroeid in het dorp Hem. Het gezin van mijn grootouders van moederskant verhuisde verschillende keren, daar mijn grootvader loswerkman was. Hij solliciteerde als landarbeider bij boeren in verschillende dorpen en als hij werd aangenomen verhuisden ze naar het desbetreffende dorp. Zo woonden ze bijvoorbeeld in Andijk, Enkhuizen, Zwaag, Hem, Broekerhaven, enz. Hun zes kinderen zijn daardoor in verschillende plaatsen geboren, twee in Andijk, twee in Enkhuizen, één in Zwaag en één in Hem. De wereld was toen wat eenvoudiger want een aan mijn grootvader gericht schrijven, geadresseerd: F. Koedooder, arbeider te Hem, viel gewoon bij ze in de bus.

 

Fiets

In hun jonge meisjestijd gingen mijn moeder en tante Marie uit dienen in Enkhuizen, zoals dat heette. Ze werkten in gezinnen van winkeliers als meisje voor dag en nacht, met kost en inwoning dus. Ze waren er voor huishoudelijke hulp, als oppas voor de aanwezige kinderen en het boodschappen doen. Eerder (1926) was mijn moeder als 12-jarig meisje voor kost en inwoning al uit dienen bij een bakkersgezin in Wognum. Ze vertelde dat ze één keer in de veertien dagen een vrije zondag had en dat dan haar oudere zus Antje haar op de fiets vanuit Zwaag kwam halen en ook weer naar Wognum terug bracht. Op die manier zag ze haar ouders, zussen en broers nog eens. Haar zus Antje moest al op 11-jarige leeftijd bij een boerengezin uit dienen, daar hadden ze die fiets. Toch vertelde mijn moeder deze verhalen altijd met pret in haar ogen.

 

Kinderloos

Tante Marie was onze reserve moeder. Getrouwd met oom Jan van Loenen woonde ze in Bergen NH. Hun huwelijk bleef kinderloos en wellicht daarom was ze veel bij ons over de vloer. Bij ziekte van moeder nam ze de honneurs waar, voor verjaardagen en harddraverij kwam ze altijd over. Breide prachtige truien voor mijn jongere broertje en mij waarin we pronkten op school A aan de Kuipersdijk.

In 1954 logeerde ik de hele zomervakantie bij tante Marie en Oom Jan wegens ernstig ziek zijn van mijn moeder. In die logeerperiode ging ik met ze op de fiets naar Hargen naar een broer van oom en fietste ik achter ze. Toen we over een smal weggetje naast een sloot reden raakte mijn voorwiel oom Jan zijn achterwiel en belandde ik in de sloot. Boos keerden ze terug en ik moest bij ze onder de douche (die wij thuis niet hadden). Op mijn commentaar daarop werd oom nog bozer en werd ik zonder eten naar bed gestuurd. En tante zou nog wel mijn lievelingseten maken, Broeder of te wel Jan in de zak. Daar ging de broeder dus.

 

Armelui eten

Zo’n Broeder (niet te verwarren met de Hoornse Broeder) was misschien wel armelui’s eten, maar thuis vonden wij dat erg lekker. De Broeder, gaar gekookt in een linnenzak in een grote pan met water, werd overgoten met gesmolten boter en stroop. Bij de Coöperatie in de Westerstraat haalde ik voor de Broeder een dubbeltje stroop dat daar in een meegebracht leeg jampotje werd over geschept.

   

Huisrecept voor (armelui) Broeder:

 

500 gram zelfrijzend bakmeel

2 eieren

1 afgestreken theelepel zout

1 linnen zak, deze moet zo groot zijn dat er ruimte overblijft voor het rijzen

   (ongeveer een handbreedte)

1 stukje touw om de zak mee dicht te binden

1 ruime pan

Water

  (in plaats van een linnen zak kan ook een punt van een kussensloop worden gebruikt)

 

Bereiding:

Het zelfrijzende bakmeel mengen met de eieren, het zout en zoveel water dat er een stevig beslag ontstaat (zo, dat het beslag tegen de pan omhoog kruipt).

Beslag in linnenzak scheppen en deze dichtbinden.

Leg in de pan een omgekeerd schoteltje en zoveel water toevoegen dat de zak half onder water komt. Zak er weer uit halen en het water eerst aan de kook brengen, daarna de zak weer in de pan. Vuur zo hoog dat het water net niet kookt maar wel in beweging is.

Eén kant van de zak een half uur in het water, omkeren en dan de andere kant een half uur.

Linnenzak verwijderen en de warme Broeder in plakken snijden en deze overgieten met gesmolten boter en stroop.

 

Opvoeden

Als reserve moeder bracht tante Marie ons ook normen en waarden bij. Bijvoorbeeld hoe we ons moesten voorstellen, met twee woorden spreken, alstublieft en dank u wel zeggen, beleefd zijn tegen ouderen, etc. Ook thuis werd daar wel op gewezen, maar ‘vreemde’ ogen dwingen extra nietwaar? En toch noemden sommigen ons nog ‘schorem van ’t Suud’. Onbegrijpelijk, met de opvoeding van zo’n lieve, beauty van een tante, toch?

 

 


\.
Dia gemaakt door Cees (Cor) Schoen.

IJspret in de Oosterhaven van Enkhuizen, winter januari/februari 1963.

Helling waarover auto's vanuit het Hennegat de Oosterhaven opreden voor toertocht over het IJsselmeer.

 


op 20/1/12
\.
Dia gemaakt door Cees (Cor) Schoen.
Toertocht over het IJsselmeer vanuit Enkhuizen.
Auto's aan de achterkant van het Spui in Enkhuizen.

op 17/1/12
Onderwerp: Anekdotes 1 reactie Tell a friend 2053 Clicks Ongepast  
\.
Foto: Akkie Laan-Visser, haar vader, Klaas Visser is de stevig doorstappende man.
Gisteren, 16 januari 2012,  fietste ik naar het haventje halverwege aan de dijk Enkhuizen/Lelystad in een heerlijk zonnetje aan een strak blauwe hemel bij een temperatuur van vijf graden boven nul. Een heel verschil met januari 1963 toen er een toertocht met auto's over het bevroren IJsselmeer werd verreden.

op 17/1/12
Onderwerp: Anekdotes 1 reactie Tell a friend 2293 Clicks Ongepast  
\.
Stroom auto's via Hennegat naar het ijs van de Oosterhaven voor toertocht over het IJsselmeer, januari 1963.

Januari 1963 was een zeer koude maand. De winter ‘62/’63 ligt nog in ieders geheugen die deze winter bewust meemaakte. De zeer strenge vorst maakte het mogelijk om met auto’s een toertocht over het IJsselmeer te maken. Maar hoe kom je in Enkhuizen met een auto op het IJsselmeer? Wie de tocht had georganiseerd weet ik niet meer, ik denk van de IJsclub, maar de tientallen auto’s die over de Breedstraat reden moesten de hoek Hennegat nemen naar de Oosterhaven om op het ijs te komen. Wij, familie Schoen, woonde in die tijd op die hoek Breedstraat/Hennegat en zag vanuit de warme woonkamer menige auto gewoon rechtdoor rijden. Maar vanuit de volgende straat, de Karseboomstraat kon je niet op het ijs van de Oosterhaven komen.

 

Hennegat

Buurvrouw Trijn Smit (getrouwd met Loots), die naast kolenboer Dorus Franx op de Breedstraat woonde kon dat niet langer aanzien. Iedere keer rende zij naar buiten en wees de auto’s de straat terug. Trijn, een kordate vrouw, meestal in haar boezelaar met blote armen was een behoorlijk aanwezige dame op de Breedstraat. Met deze kou trok ze toch maar een jas aan, wikkelde een sjaal om haar hoofd, maar wel met blote handen begon ze in de ijzige wind het verkeer op kruispunt Breedstraat/Boekbinderstraat/Hennegat te regelen. Als een volleerde verkeersagent met haar armen zwaaiend en met luid commentaar dirigeerde zij de stroom auto’s het Hennegat in waar je aan het einde over een schuine helling het ijs van de Oosterhaven op kon rijden. Vanuit de Oosterhaven reed je naar de Bocht, dan links naar de Sluizen, langs het Vuurtje van de Haven en zo het Krabbersgat op. Op het IJsselmeer was de tocht verder uitgezet, ik meen van naar Urk.

 

Bewaken

Die winter van 1962/63 bracht ik door als dienstplichtig militair in Legerplaats Nunspeet. Toen het in die winter achttien graden vroor moest er evengoed worden wacht gelopen. Normaal ging wachtlopen twee uur op, vier uur af maar was toen teruggebracht naar één uur op en twee uur af. Als je langer dan een uur buiten verbleef had je kans dat je neusvleugels bevroren, was de uitleg. Door de wachtcommandant werd ik in het donker afgemarcheerd naar de buitenkant van het kazerneterrein waar munitieopslagplaatsen bewaakt moesten worden.

 

Wachthuisje

Die gebouwen lagen aan een lange, tussen ijzeren gaashekken geasfalteerde laan in een somber stuk bos. Het begin en einde van de laan was afgesloten met een ijzeren hek. De kanonnier die ik daar moest aflossen prevelde de consignes over waar ik niets van verstond, maar wist dat die regels ook in het daar aanwezige wachthuisje aan de wand hingen. Je moest toch weten wat je daar kwam doen, nietwaar? In het open wachthuisje, waarin je qua omvang net rechtop kon staan bevroor je ter plekke, maar andere beschutting was er niet. Om niet te bevriezen rende ik met mijn Uzipistoolmitrailleur over de schouder de hele tijd die lange laan op en neer.

 

Knal

Moederziel alleen in dat doodstille, afgelegen bos. Opeens klonk er een knal en schrok me wezenloos. Trok mijn Uzi in de heup, waarvan in het magazijn vijf scherpe patronen zaten, maar zag niks in het donker. Weer een knal en nog een en besefte toen dat die knallen veroorzaakt werden door van bomen afknappende takken vanwege de droge, strenge vorst. Na de aflossing weer terug afgemarcheerd naar het wachtlokaal waarin je twee uur kon bijkomen, liggend op een schuine, harde houten brits.

 

Poort

Het felle witte licht in het lokaal hield je uit de slaap en na twee uur werd ik afgemarcheerd naar de achterpoort aan een donker zandpad. Ben daar maar naar lege cola flesjes in het zand gaan zoeken die er soms lagen en een dubbeltje statiegeld op brachten in de kantine, want geldgebrek was er altijd. Gelukkig hoefde ik in de vierentwintig uur’s wacht niet aan de voorpoort te staan, want daar moest je stil blijven staan en telkens in de houding springen als er een meerdere door het poortje ging. Die lieten zich in die kou vanzelf niet zien en jij stond daar maar te verrekken.

 

Ziekmelding

De elfstedentocht die ook in die winter werd verreden, in een sneeuwstorm en door enorme sneeuwmassa’s en gewonnen werd door Reinier Paping, heb ik thuis op de Breedstraat van achter de kachel bekeken op de televisie. Had me ziek gemeld bij de kazerne, kou genoeg geleden vond ik. Toen ik na die elfstedentocht terug kwam in de kazerne organiseerden ze een ‘kleine oorlog’ en was ik weer de pineut. Kramperen in de sneeuw, maar dat is een ander verhaal.

 

 

 


op 4/12/11
\.
Links het bewuste tv-toestel. V.v.n.a.: Hans, Klaas, Pa, Rinus, Moe en Piet Schoen. Cees zat in Militaire Dienst. Eigen foto.

Sinterklaas 1957 kregen wij thuis televisie. Nou ja kregen, mijn oudste broer Piet die toen al een aantal jaren werkte had het geld voor dat televisietoestel opgespaard en hij was zo aardig deze in de huiskamer te plaatsen. Later toen hij trouwde nam hij het toestel trouwens wel mee.

Breedstraat
Voor dat wij thuis televisie hadden mochten wij, jeugd van de Breedstraat wel eens televisie kijken bij de familie W.P. de Jong die ook in de Breedstraat woonde. Zij waren toen vrijwel de enige daar die een televisie hadden. Woensdagmiddag mocht er een aantal kinderen van de Breedstraat bij hen komen kijken naar een kinderprogramma en je nam er twee centen voor mee. Voor die twee centen kregen we tijdens het kijken een toffee en na afloop als we weer naar buiten gingen nog een. Ondanks dat W.P. de Jong, directeur van drukkerij Over de Linden in de Torenstraat, een gezin had met vijf kinderen, lieten ze ons toch ook mee genieten.

 

IJsje

In de Kwinta op de Melkmarkt bij Jo Stavenuiter kon je woensdag- en ik meen ook zaterdagmiddag naar kinderprogramma’s op de televisie komen kijken. Je moest dan wel iets bij hem bestellen, maar een ijsje van vijf cent was daarvoor genoeg. Met zijn allen op de grond gezeten keek je erg omhoog naar het televisietoestel dat op een hoge kast was geplaatst. Jo stond achter de bar en hield de boel in de gaten opdat er geen geklooi kwam. Bij onenigheid of gekibbel werd je direct verwijderd.

 

Buren

Goed voorbeeld doet goed volgen en toen er dus bij ons in de kamer een televisietoestel stond nodigden mijn ouders niet de jongeren van de buurt, maar af en toe oudere buurtjes uit. Niemand in onze nabije omgeving had toen nog een televisietoestel. Naast ons woonde de familie Willem Loots en Opa Loots die bij het gezin van zijn zoon inwoonde zat bij ons in de kamer in een leunstoel zich te verwonderen over zoiets onvoorstelbaars. Telkens sloeg hij daarbij op zijn knieën en riep hij uit: ‘ Hoe is ’t mogelijk, hoe is ’t in Godsnaam mogelijk’. Helemaal van zijn stuk gebracht ging opa na ‘de voorstelling’ weer naar huis.

 

Kleermaker

Ook buurman Herman Tilder, die met zijn zus Marretje even verderop in de Breedstraat woonde, zat bij ons in de kamer televisie te kijken. Herman, een kleine man met een bochel, was kleermaker van beroep dat hij thuis beoefende. Meestal zat hij óp de tafel in zijn kamer met allerlei stoffen om hem heen en was zo aan het werk. Lang en veel werken was het parool en veel vertier hadden de mensen niet. Zo’n televisie was maar een wonderbaarlijk ding vond Tilder, maar hij genoot zichtbaar.

 

Speelfilm

Een jaar later toen ik al werkte en ’s avonds op de Ambachtschool aan de Kuipersdijk een avondcursus volgde, spoedde ik me na die studie naar huis. In die tijd werd er nog maar weinige avonden televisie uitgezonden en haast helemaal geen speelfilms. Maar die avond zou er een Deense speelfilm komen en had daar al zoveel over gehoord dat ik die beslist wilde zien. De ouderen van mijn familie zaten al klaar in de voorkamer en ook Tiny de verkering van mijn één na oudste broer Cees (die toen in Militaire Dienst zat) was aanwezig. In de achterkamer kreeg ik snel een ‘koppie thee’ van moeder en werd toen naar bed gestuurd want de film was voor boven de achttien en ik was zestien! Hoe is ’t mogelijk, de verkering van mijn broer zat meewarig naar me te glimlachen. Er hielp geen lieve moeder aan, de schuifdeuren gingen dicht en ik kon daar blijven zitten tot ik een ons woog of naar boven vertrekken.

 

Later, toen die verkering van mijn broer uit was bleek dat Tiny op die bewuste speelfilmavond zelf nog niet eens zestien was en zij zat er wél bij! Ga je niet lekker…

 

     


Resultaten:11 - 20 van 64
Volg ons via RSS
Volg ons op Twitter
Volg ons op Facebook
Volg ons op Youtube