|
|
Artikelen van Marinus Schoen
Artikelen van: Marinus Schoen
Laatst geplaatste artikel: vrijdag 04 mei 2012
Totaal aantal artikelen: 53
Tweede klas Christelijke Elout van Soeterwoudeschool 1955/1956.
Babyboomers
Persoonlijk heb ik, Margriet de Jong, helaas maar één
klasse foto van de Lagere Christelijke Elout van Soeterwoudeschool,
die op de Driebanen stond in Enkhuizen. De school waarvan ik alle
zes klassen heb doorlopen. De eerste klas met juffrouw Zwaan, de
tweede met juffrouw Groot, de derde met meester Klaassen (kon
slecht orde houden daarom stond Joop Mos vaak op de gang), de
vierde met meester Bakker en de vijfde en zesde met meester Van der
Meer.
Van de jongens uit mijn klas weet ik nog wel namen
maar kan ze op de foto toch niet allemaal meer plaatsen. De
kinderen op deze foto uit schooljaar 1955/1956, geboren in
1946/1947 (zogenaamde Babyboomers), worden vijfenzestig dit jaar of
zouden dat zijn geworden.
Vriendinnetjes
Mijn
vriendinnetjes in die schooltijd waren Rini Ras (buurmeisje),
Mientje Boerma (buurmeisje), Tiny Jorritsma en Johanna Edelenbosch.
Bij Tiny speelden we op de zolder boven Albert Heijn, de winkel die
toen op de hoek Melkmarkt/Torenstraat was en waar ze boven woonde,
haar vader was daar de chef. Mientje Boerma haar vader was hoofd
van de Christelijke ULO school op de Driebanen (nu schoolgebouw De
Veste). Zij woonden op de Breedstraat in het grote huis waarin zich
nu het Uitvaartcentrum van de E.C.U. bevindt. Mientje haar moeder
was altijd erg geïnteresseerd in onze vorderingen op school en
bestudeerde menige keer onze rapporten.
Meubelhandel
Zelf woonde ik op
Breedstraat 80, waar mijn ouders toen een meubelzaak dreven,
Meubelhandel De Jong. Naast onze winkel (waar wij boven woonden)
was het woonhuis van kleermaker Herman Tilder die er samen woonde
met zijn zuster. Daarnaast was in die tijd de kruidenierswinkel
(later gesloopt) van de familie Sweep (dochter Elly Sweep) en
daarnaast het grote huis van de familie Hoytema (architect). De
familie Hoytema verhuurden het rechter gedeelte van dat grote huis
nog eens aan een oom en tante van mij, dat was inwoning vanwege de
woningnood in die tijd. Naast Hoytema woonde de familie Ras.
Buurmeisje Rini Ras haar vader was een visserman en kwam van Urk.
Toen ik vijftien jaar was verhuisden wij met de meubelzaak naar
Breedstraat 45 (naast Snouck van Loosenkerkje). Ook daar woonden
wij toen boven de zaak en ben vandaar uit later getrouwd.
Op de
foto:
Bovenste rij,
v.l.n.r.: Marijke Ham,
meisje ?, Margriet de Jong, Johanna Edelenbosch, Joke Gorter,
Christien Lakeman, Erna Vis, Gerard Struijk.
Tweede rij van
boven, v.l.n.r.: jongen ?, Wim Wiersma, Rini Ras, Mientje Boerma,
An de Graaf, Sonja Lobrink, Juffrouw Groot, Marie de Graaf, Coosje
v.d. Vecht, Hanneke Harlaar, Tiny Jorritsma, Tiny Wolbers.
Derde rij van
boven, v.l.n.r.: Jan Schuyt, Bert Admiraal, Klaas Schuit, Jan van
Pijkeren, jongen ?, Daan Krommehoek, Anneke Buwalda, Freek Goos,
Peter Schoen, Wil Dijkstra, Maarten Wolzak, jongen?.
Onderste rij
v.l.n.r.: Jan Kofman,
jongen ?, Eddy v.d. Berg, jongen ?, jongen ?, jongen ?, jongen ?,
Dick Fijma, Joop Mos, Peter Schreuder, Leen Baars.
Zou heel mooi zijn
als de ontbrekende namen worden ingevuld of gecorrigeerd. Wie
helpt?
Margriet
Schoen-de Jong
Foto: Rinus Schoen op brommer achter huis op de Breedstraat. Foto Kunstobject van Jeannette Eisses in bijna gesloopt Snouck van Loosenziekenhuis 2012 is van Lauree Sine uit Bovenkarspel.
Precies in het laatste verlofweekend toen ik in
Militaire Dienst zat kreeg ik een ernstig ongeluk met een brommer.
Op zaterdagmiddag, 13 september 1963 pakte ik de brommer die achter
ons huis stond op de Breedstraat om hem even uit te proberen.
Broer Klaas had daar net een remkabeltje van gerepareerd.
Hij sprong nog achterop toen ik wegreed en we raceten even later in
de Paktuinen.
Rennen
Begin jaren vijftig, toen we nog in de Spoorstraat woonden
speelden we als kind vaak in de Paktuinen. We tolden, hoepelden,
verklaarden oorlogje daar en renden met harddraverij, getuigd in
zelf gepunnikte leidsels, om het hardst op die lange, rechte
asfaltweg. Op verkeer hoefde je toen niet te letten. Zoiets sla je
op in de genen, denk ik, want nu bleef ik op die brommer onbewust,
ongeremd doorrijden vanaf de Drommedaris richting Kat en Hondsbrug.
Maar helaas kwam rechts vanaf de Wilhelminabrug een NACO-bus, die
je niet kon zien aankomen vanwege Hotel Du Passage op de hoek
Spoorstaat/Paktuinen en… knalde er vol tegenaan. Precies tegen het
voorwiel met mijn gezicht op zo'n grote moer. Met een
neusfractuur, kaakfractuur, schouderbladfractuur en
schedelbasisfractuur tot gevolg.
Dokter
Theunis Lub (zoon van Joost Lub de melkboer uit de St.
Jansstraat) en zijn vrouw, die toen op de hoek
Spoorstraat/Paktuinen woonden achter hun winkeltje tegenover Du
Passage, ontfermden zich over ons en dekten ons toe met een deken.
Dokter Mooijen (internist), die aan de Havenweg woonde kwam
aangesneld en verleende eerste hulp tot een ambulance arriveerde.
Dat heeft enige tijd geduurd voor die ambulance er was want onze
moeder, die gewaarschuwd was door een vroeger buurmeisje van de
Haven, was op haar fiets vanaf de Breedstraat al naar ons
toegesneld.
Dodenmars
Vanaf die zaterdagmiddag tot de volgende donderdag buiten mijn
positieven gelegen in het Snouck van Loosenziekenhuis. Er ontstond
nog verwarring in het ziekenhuis over welke jongens van Schoen
het betrof en een kapelaan kwam al aangesneld om ons de laatste
Sacramenten toe te dienen. Inmiddels was mijn oudste broer in het
ziekenhuis gearriveerd en stuurde die kapelaan weg. De goede
man kwam later evengoed een praatje met ons maken.
Omdat ik nog in Militaire Dienst zat werd daar overwogen om
alvast de dodenmars in te gaan studeren. Vorenstaande is mij
allemaal verteld want heb het (gelukkig) niet bewust beleefd.
Boete
Toen ik weer bij mijn positieven kwam was daar zuster Pork
(Oostduitse) als zaalzuster en verder verschenen zuster Sterk,
zuster Druif, zuster Uitterdijk, zuster Ria Elbertsen en zuster
Cobie Tesselaar aan ons bed. Ook kreeg ik bezoek van de
Marechaussee en ben (toen ik alweer aan het werk was) nog
krijgstuchtelijk gestraft (boete) omdat het ongeluk mijn schuld
was. Van de NACO kregen we ook bezoek en zij brachten een
mooie fruitmand voor ons mee. De bus had namelijk geen schade, maar
ik liet wel bijna het leven in de straat waar ik ruim twintig jaar
eerder geboren was. Met vader Jaap Essen uit Grootebroek en Theo
Schenk uit Andijk lagen mijn broer Klaas en ik in een zaal die door
de dokter ‘de Benzinehoek’ werd genoemd. Allemaal
brommerongelukken. Demonstratief kwam de dokter aldoor snuivend de
ziekenzaal binnen.
Herinneringen
Donderdagavond 2 februari 2012 bekeek ik samen met een flinke
groep oud-patiënten het vroegere Snouck van Loosenziekenhuis van
Enkhuizen. Tot onze teleurstelling was er (bijna) niets meer van te
herkennen. Er waren muren tussen afdelingen geplaatst en in
verschillende vertrekken verdeeld. Verlaagde plafonds aangebracht,
de zwart/grijze stenen vloeren in de gangen weggewerkt. We vroegen
ons af waar toch de boogmuur gebleven was die de kinderzaal in
tweeën splitste. Daar had ik in mijn jeugd toen ik uit een boom
gevallen was, ook nog drie weken gelegen. Gelukkig kon een
oud-verpleegster die de rondleiding verzorgde, ons er nog wat van
laten zien. Foto’s lieten zien dat onze herinneringen
klopten.
Kunstobject
De andere kinderafdeling beneden en daar waar de operatiekamer
was geweest kon je ook bezoeken, alleen was er geen elektrisch
licht meer. De gang er naar toe werd verlicht door kaarsen, een
beetje spookachtige ervaring werd dat. Die kant van het oude
ziekenhuis wordt namelijk gesloopt. Jeannette Eisses, een
kunstenares die deze bezoeken organiseerde en daar een door haar
gemaakt kunstobject presenteerde, vroeg de aanwezigen of ze op de
lege wanden met witte verf iets van hun herinneringen en/of emoties
konden laten zien.
‘Strepen’
De meeste mensen daar hadden bijna traumatische ervaringen,
oud-verpleegsters die de rondleiding verzorgden konden zich dat
haast niet voorstellen. Zij zullen zich dan ook best wel goed van
hun taak gekweten hebben. Maar als je bijvoorbeeld vijf weken in
het ziekenhuis moest bivakkeren en in die tijd alles volgens
strenge, strakke regels ging, viel het voor menigeen niet mee. Een
mevrouw vertelde, die daar als kind lag, dat je bijvoorbeeld elke
dag moest strepen (poepen) en als dat niet lukte kreeg je een
zetpil. Een jongetje bij haar op de zaal gilde het daarbij uit (wat
natuurlijk overdreven was, wist ze nu ook wel), maar toen stond ze
doodsangsten uit als ze dacht niet te kunnen ‘strepen’. De ene
anekdote volgde op de andere en er ontstond zoiets als een
saamhorigheidsgevoel bij de bezoekers, van wie de meesten elkaar
niet eens kenden. Alle protest in 1975 om het Snouck van
Loosenziekenhuis voor Enkhuizen te behouden was op niets
uitgelopen. Alleen herinneringen resten ons nog.
Op voorplecht betonningsvaartuig IJselmeer links mijn zoon Erwin en rechts zoon Stephan Schoen, ongeveer 35 jaar geleden. Links halfzichtbaar grote boei, rechts gedeeltelijk kantoor gasfabriek.
In een winter, in
de eerste helft van de jaren vijftig, schaatste ik samen met een
aantal buurtkinderen van het Havenkwartier in de polder. De houten
schaatsen waarop ik reed had ik gekregen van de buren Franx uit de
Spoorstraat, zij hadden die gelukkig over. Met al die jongens in
ons gezin was er niet voor iedereen schaatsen. In de sloten en op
de vijver van het Snouck van Loosenpark hebben wij ons de
schaatskunst eigen gemaakt. Die slootjes in het park hielden we op
een gegeven moment voor gezien en op tochten die we daarna maakten,
schaatsten we ook de polder in.
Wak
In de polder zag
het water er toen groenig uit en daardoor ook het ijs en kon je een
wak haast niet onderscheiden. De buurjongens en -meiden en ook ik
schaatsten op onze houten Friese doorlopers af en toe om het
hardst, want iedereen leek wel een keer op kop te willen.
Buurjongen Nico Plukkel wilde echter elke keer de voorste zijn,
maar dat bravoure gedoe brak hem mooi op want hij schaatste in een
vrij brede sloot, linea recta een wak in. Eerst stonden we ons
allemaal nog te bescheuren maar zagen al gauw dat hij er niet uit
kon komen. Geen boom, tak of wat dan ook in de buurt om hem toe te
steken. We knoopten onze sjaals aan elkaar en plat op de buik
liggend schoven we zo dicht mogelijk naar hem toe en gooiden de aan
elkaar geknoopte sjaals naar hem. Met zijn ziekenfondsbrilletje nog
aan één
oor trokken we hem uit het wak. Enkele van ons die dubbele kleding
droegen hebben dat zo goed als mogelijk verwisseld met zijn natte
plunje. De lol was er wel af en we zijn snel naar het Havenkwartier
terug gegaan. De arme Nico werd thuis door zijn vader ‘warm
onthaald’ hoorden we luisterend aan hun schuurdeur in de
Paktuinen.
IJskoud
Het door het ijs
zakken heb ik zelf ook ondervonden in de oude haven aan de Dijk.
Nadat het een aantal dagen gedooid had en er daardoor veel water
aan de walkanten op het ijs kwam, was dat water later opnieuw
bevroren. Achter het gebouw van de Pelikaan (Ruiter) aan de
Paktuinen stapte ik toen op het ijs, zakte er na twee stappen door
en stond tot boven mijn middel in het ijskoude water, bovenop de
eerdere ijslaag die nog onder water lag. Gelukkig ging ik daar niet
verder doorheen en kon schoolvriendje Corrie Postma mij de hand
reiken en trok me de wal op. Eerder was ik op het ijs in de Dijk al
een keer keihard onderuit gereden door Jan Poepies (Poepjes) die
daar aan het oefenen was voor het Enkhuizer kampioenschap op de
schaats. Dat werd toen in de Dijk verreden. Een politieagent droeg
mij bewusteloos in zijn armen naar huis in de Spoorstraat, vertelde
een broer van mij onlangs nog.
Keeshond
In de tweede helft
van de jaren vijftig toen wij op de Breedstraat woonden hadden we
daar een hond. Een witte Keeshond. ‘s Morgens voor mijn vader naar
zijn werk ging liet hij de hond eerst uit. Als hij wat verlaat was,
deed hij de poort open en liet de hond alvast naar buiten. Op een
dag in de winter was de Oosterhaven dicht gevroren, maar na een
paar dagen vriezen voer de Gasboot er toch nog door heen. Wij
noemden dat schip de Gasboot, waarschijnlijk omdat het schip
tegenover de gasfabriek lag afgemeerd, maar het was de boot van de
betonning. Het betonningsmagazijn was aan de Bierkade, daar werden
de boeien en tonnen van het IJsselmeer schoongemaakt en
gerepareerd.
IJselmeer
Ooit had Enkhuizen
het paalrecht verworven. Paalrecht was een privilége waardoor de
stad bevoegd was geld te heffen van schepen die de Zuiderzee
bezochten. Maar dat hield tevens in dat de stad moest zorgen voor
veilige vaarroutes op de Zuiderzee (later IJsselmeer). De boot van
de betonning (om onnaspeurlijke reden IJselmeer genoemd met één S),
voer met grote boeien en tonnen boven op het dek door de
Oosterhaven om deze uit te zetten in het IJsselmeer. De belboei is
voor mij de bekendste boei, daar voer de boot naar Stavoren vlak
langs en hoorde je deze klingelen.
Gasboot
Op die winterdag
werd onze Keeshond de poort uitgelaten en meestal rende hij naar de
smederij van Kenter, schuin aan de overkant van ons op de hoek
Breedstraat/ Boekbinderstraat (pand en smederij zijn nu in het
buitenmuseum van het Zuiderzeemuseum). Vaak zat daar een kat onder
de handkar die voor het pand stond. Maar deze keer was de hond naar
de Oosterhaven gegaan, het ijs opgerend waar sneeuwval in de
voorgaande nacht de ijsvlakte had bedekt. Middenin de Oosterhaven,
waar de Gasboot de dag ervoor nog was door gegaan, zakte de hond
door het ijs, kon er niet uit komen en gilde het uit. Klaas Maret,
zoon van de bekende Luit Maret, die aan de Oosterhaven woonde wilde
het ijs opgaan om de hond te redden, maar werd tegengehouden door
omstanders, het was veel te gevaarlijk, dat zou zijn leven kunnen
kosten. Dan maar de hond, en onze Keeshond is jammerlijk
verdronken, onder het ijs geraakt en nooit meer teruggevonden. Wij
lagen thuis nog onder de warme wollen dekens en hebben er gelukkig
niets van gehoord nog gezien.
Bovenste foto: Marie Koedooder in 1934. De andere beauty's zijn van bijna vijftig jaar geleden, v.l.n.r.: Margriet de Jong (mijn echtgenote), Lies Slok, Lies Visser en Akkie Visser.
Fotograferen
Welke
Henkuzer heeft zich nou niet laten fotograferen bij de Drommedaris
of het Vuurtje? Dat ging in vroegere jaren ook al zo. Ik kwam een
foto tegen uit ongeveer 1934 van een tante van mij, zus van mijn
moeder, gefotografeerd op jonge leeftijd aan het Havenhoofd van
Enkhuizen. Tante Marie, net als mijn moeder geboren in Enkhuizen,
maar opgegroeid in het dorp Hem. Het gezin van mijn grootouders van
moederskant verhuisde verschillende keren, daar mijn grootvader
loswerkman was. Hij solliciteerde als landarbeider bij boeren in
verschillende dorpen en als hij werd aangenomen verhuisden ze naar
het desbetreffende dorp. Zo woonden ze bijvoorbeeld in Andijk,
Enkhuizen, Zwaag, Hem, Broekerhaven, enz. Hun zes kinderen zijn
daardoor in verschillende plaatsen geboren, twee in Andijk, twee in
Enkhuizen, één in Zwaag en één in Hem. De wereld was toen wat
eenvoudiger want een aan mijn grootvader gericht schrijven,
geadresseerd: F. Koedooder, arbeider te Hem, viel gewoon bij ze in
de bus.
Fiets
In hun jonge
meisjestijd gingen mijn moeder en tante Marie uit dienen in
Enkhuizen, zoals dat heette. Ze werkten in gezinnen van winkeliers
als meisje voor dag en nacht, met kost en inwoning dus. Ze waren er
voor huishoudelijke hulp, als oppas voor de aanwezige kinderen en
het boodschappen doen. Eerder (1926) was mijn moeder als 12-jarig
meisje voor kost en inwoning al uit dienen bij een bakkersgezin in
Wognum. Ze vertelde dat ze één keer in de veertien dagen een vrije
zondag had en dat dan haar oudere zus Antje haar op de fiets vanuit
Zwaag kwam halen en ook weer naar Wognum terug bracht. Op die
manier zag ze haar ouders, zussen en broers nog eens. Haar zus
Antje moest al op 11-jarige leeftijd bij een boerengezin uit
dienen, daar hadden ze die fiets. Toch vertelde mijn moeder deze
verhalen altijd met pret in haar ogen.
Kinderloos
Tante Marie was
onze reserve moeder. Getrouwd met oom Jan van Loenen woonde ze in
Bergen NH. Hun huwelijk bleef kinderloos en wellicht daarom was ze
veel bij ons over de vloer. Bij ziekte van moeder nam ze de
honneurs waar, voor verjaardagen en harddraverij kwam ze altijd
over. Breide prachtige truien voor mijn jongere broertje en mij
waarin we pronkten op school A aan de Kuipersdijk.
In 1954 logeerde
ik de hele zomervakantie bij tante Marie en Oom Jan wegens ernstig
ziek zijn van mijn moeder. In die logeerperiode ging ik met ze op
de fiets naar Hargen naar een broer van oom en fietste ik achter
ze. Toen we over een smal weggetje naast een sloot reden raakte
mijn voorwiel oom Jan zijn achterwiel en belandde ik in de sloot.
Boos keerden ze terug en ik moest bij ze onder de douche (die wij
thuis niet hadden). Op mijn commentaar daarop werd oom nog bozer en
werd ik zonder eten naar bed gestuurd. En tante zou nog wel mijn
lievelingseten maken, Broeder of te wel Jan in de zak. Daar ging de
broeder dus.
Armelui
eten
Zo’n Broeder (niet
te verwarren met de Hoornse Broeder) was misschien wel armelui’s
eten, maar thuis vonden wij dat erg lekker. De Broeder, gaar
gekookt in een linnenzak in een grote pan met water, werd overgoten
met gesmolten boter en stroop. Bij de Coöperatie in de Westerstraat
haalde ik voor de Broeder een dubbeltje stroop dat daar in een
meegebracht leeg jampotje werd over geschept.
Huisrecept voor
(armelui) Broeder:
500 gram
zelfrijzend bakmeel
2
eieren
1 afgestreken
theelepel zout
1 linnen zak,
deze moet zo groot zijn dat er ruimte overblijft voor het
rijzen
(ongeveer een
handbreedte)
1 stukje touw
om de zak mee dicht te binden
1 ruime
pan
Water
(in plaats van een linnen zak kan
ook een punt van een kussensloop worden gebruikt)
Bereiding:
Het
zelfrijzende bakmeel mengen met de eieren, het zout en zoveel water
dat er een stevig beslag ontstaat (zo, dat het beslag tegen de pan
omhoog kruipt).
Beslag in
linnenzak scheppen en deze dichtbinden.
Leg in de pan
een omgekeerd schoteltje en zoveel water toevoegen dat de zak half
onder water komt. Zak er weer uit halen en het water eerst aan de
kook brengen, daarna de zak weer in de pan. Vuur zo hoog dat het
water net niet kookt maar wel in beweging is.
Eén kant van de
zak een half uur in het water, omkeren en dan de andere kant een
half uur.
Linnenzak
verwijderen en de warme Broeder in plakken snijden en deze
overgieten met gesmolten boter en stroop.
Opvoeden
Als reserve moeder
bracht tante Marie ons ook normen en waarden bij. Bijvoorbeeld hoe
we ons moesten voorstellen, met twee woorden spreken, alstublieft
en dank u wel zeggen, beleefd zijn tegen ouderen, etc. Ook thuis
werd daar wel op gewezen, maar ‘vreemde’ ogen dwingen extra
nietwaar? En toch noemden sommigen ons nog ‘schorem van ’t Suud’.
Onbegrijpelijk, met de opvoeding van zo’n lieve, beauty van een
tante, toch?
Dia gemaakt door Cees (Cor) Schoen.
IJspret in de Oosterhaven van Enkhuizen, winter
januari/februari 1963.
Helling waarover auto's vanuit het Hennegat de
Oosterhaven opreden voor toertocht over het
IJsselmeer.
Dia gemaakt door Cees (Cor) Schoen.
Toertocht over het IJsselmeer vanuit Enkhuizen.
Auto's aan de achterkant van het Spui in Enkhuizen.
Foto: Akkie Laan-Visser, haar vader, Klaas Visser is de stevig doorstappende man.
Gisteren, 16 januari 2012, fietste ik naar het
haventje halverwege aan de dijk Enkhuizen/Lelystad in een heerlijk
zonnetje aan een strak blauwe hemel bij een temperatuur van vijf
graden boven nul. Een heel verschil met januari 1963 toen er een
toertocht met auto's over het bevroren IJsselmeer werd
verreden.
Stroom auto's via Hennegat naar het ijs van de Oosterhaven voor toertocht over het IJsselmeer, januari 1963.
Januari
1963 was een zeer koude maand. De winter ‘62/’63 ligt nog in ieders
geheugen die deze winter bewust meemaakte. De zeer strenge vorst
maakte het mogelijk om met auto’s een toertocht over het IJsselmeer
te maken. Maar hoe kom je in Enkhuizen met een auto op het
IJsselmeer? Wie de tocht had georganiseerd weet ik niet meer, ik
denk van de IJsclub, maar de tientallen auto’s die over de
Breedstraat reden moesten de hoek Hennegat nemen naar de
Oosterhaven om op het ijs te komen. Wij, familie Schoen, woonde in
die tijd op die hoek Breedstraat/Hennegat en zag vanuit de warme
woonkamer menige auto gewoon rechtdoor rijden. Maar vanuit de
volgende straat, de Karseboomstraat kon je niet op het ijs van de
Oosterhaven komen.
Hennegat
Buurvrouw Trijn
Smit (getrouwd met Loots), die naast kolenboer Dorus Franx op de
Breedstraat woonde kon dat niet langer aanzien. Iedere keer rende
zij naar buiten en wees de auto’s de straat terug. Trijn, een
kordate vrouw, meestal in haar boezelaar met blote armen was een
behoorlijk aanwezige dame op de Breedstraat. Met deze kou trok ze
toch maar een jas aan, wikkelde een sjaal om haar hoofd, maar wel
met blote handen begon ze in de ijzige wind het verkeer op
kruispunt Breedstraat/Boekbinderstraat/Hennegat te regelen. Als een
volleerde verkeersagent met haar armen zwaaiend en met luid
commentaar dirigeerde zij de stroom auto’s het Hennegat in waar je
aan het einde over een schuine helling het ijs van de Oosterhaven
op kon rijden. Vanuit de Oosterhaven reed je naar de Bocht, dan
links naar de Sluizen, langs het Vuurtje van de Haven en zo het
Krabbersgat op. Op het IJsselmeer was de tocht verder uitgezet, ik
meen van naar Urk.
Bewaken
Die winter van
1962/63 bracht ik door als dienstplichtig militair in Legerplaats
Nunspeet. Toen het in die winter achttien graden vroor moest er
evengoed worden wacht gelopen. Normaal ging wachtlopen twee uur op,
vier uur af maar was toen teruggebracht naar één uur op en twee uur
af. Als je langer dan een uur buiten verbleef had je kans dat je
neusvleugels bevroren, was de uitleg. Door de wachtcommandant werd
ik in het donker afgemarcheerd naar de buitenkant van het
kazerneterrein waar munitieopslagplaatsen bewaakt moesten
worden.
Wachthuisje
Die gebouwen lagen
aan een lange, tussen ijzeren gaashekken geasfalteerde laan in een
somber stuk bos. Het begin en einde van de laan was afgesloten met
een ijzeren hek. De kanonnier die ik daar moest aflossen prevelde
de consignes over waar ik niets van verstond, maar wist dat die
regels ook in het daar aanwezige wachthuisje aan de wand hingen. Je
moest toch weten wat je daar kwam doen, nietwaar? In het open
wachthuisje, waarin je qua omvang net rechtop kon staan bevroor je
ter plekke, maar andere beschutting was er niet. Om niet te
bevriezen rende ik met mijn Uzipistoolmitrailleur over de schouder
de hele tijd die lange laan op en neer.
Knal
Moederziel alleen
in dat doodstille, afgelegen bos. Opeens klonk er een knal en
schrok me wezenloos. Trok mijn Uzi in de heup, waarvan in het
magazijn vijf scherpe patronen zaten, maar zag niks in het donker.
Weer een knal en nog een en besefte toen dat die knallen
veroorzaakt werden door van bomen afknappende takken vanwege de
droge, strenge vorst. Na de aflossing weer terug afgemarcheerd naar
het wachtlokaal waarin je twee uur kon bijkomen, liggend op een
schuine, harde houten brits.
Poort
Het felle witte
licht in het lokaal hield je uit de slaap en na twee uur werd ik
afgemarcheerd naar de achterpoort aan een donker zandpad. Ben daar
maar naar lege cola flesjes in het zand gaan zoeken die er soms
lagen en een dubbeltje statiegeld op brachten in de kantine, want
geldgebrek was er altijd. Gelukkig hoefde ik in de vierentwintig
uur’s wacht niet aan de voorpoort te staan, want daar moest je stil
blijven staan en telkens in de houding springen als er een meerdere
door het poortje ging. Die lieten zich in die kou vanzelf niet zien
en jij stond daar maar te verrekken.
Ziekmelding
De elfstedentocht
die ook in die winter werd verreden, in een sneeuwstorm en door
enorme sneeuwmassa’s en gewonnen werd door Reinier Paping, heb ik
thuis op de Breedstraat van achter de kachel bekeken op de
televisie. Had me ziek gemeld bij de kazerne, kou genoeg geleden
vond ik. Toen ik na die elfstedentocht terug kwam in de kazerne
organiseerden ze een ‘kleine oorlog’ en was ik weer de pineut.
Kramperen in de sneeuw, maar dat is een ander verhaal.
Links het bewuste tv-toestel. V.v.n.a.: Hans, Klaas, Pa, Rinus, Moe en Piet Schoen. Cees zat in Militaire Dienst. Eigen foto.
Sinterklaas 1957 kregen wij thuis televisie. Nou ja kregen,
mijn oudste broer Piet die toen al een aantal jaren werkte had het
geld voor dat televisietoestel opgespaard en hij was zo aardig deze
in de huiskamer te plaatsen. Later toen hij trouwde nam hij het
toestel trouwens wel mee.
Breedstraat Voor dat wij thuis televisie hadden
mochten wij, jeugd van de Breedstraat wel eens televisie kijken bij
de familie W.P. de Jong die ook in de Breedstraat woonde. Zij waren
toen vrijwel de enige daar die een televisie hadden. Woensdagmiddag
mocht er een aantal kinderen van de Breedstraat bij hen komen
kijken naar een kinderprogramma en je nam er twee centen voor mee.
Voor die twee centen kregen we tijdens het kijken een toffee en na
afloop als we weer naar buiten gingen nog een. Ondanks dat W.P. de
Jong, directeur van drukkerij Over de Linden in de Torenstraat, een
gezin had met vijf kinderen, lieten ze ons toch ook mee
genieten.
IJsje
In de Kwinta op de
Melkmarkt bij Jo Stavenuiter kon je woensdag- en ik meen ook
zaterdagmiddag naar kinderprogramma’s op de televisie komen kijken.
Je moest dan wel iets bij hem bestellen, maar een ijsje van vijf
cent was daarvoor genoeg. Met zijn allen op de grond gezeten keek
je erg omhoog naar het televisietoestel dat op een hoge kast was
geplaatst. Jo stond achter de bar en hield de boel in de gaten
opdat er geen geklooi kwam. Bij onenigheid of gekibbel werd je
direct verwijderd.
Buren
Goed voorbeeld
doet goed volgen en toen er dus bij ons in de kamer een
televisietoestel stond nodigden mijn ouders niet de jongeren van de
buurt, maar af en toe oudere buurtjes uit. Niemand in onze nabije
omgeving had toen nog een televisietoestel. Naast ons woonde de
familie Willem Loots en Opa Loots die bij het gezin van zijn zoon
inwoonde zat bij ons in de kamer in een leunstoel zich te
verwonderen over zoiets onvoorstelbaars. Telkens sloeg hij daarbij
op zijn knieën en riep hij uit: ‘ Hoe is ’t mogelijk, hoe is ’t in
Godsnaam mogelijk’. Helemaal van zijn stuk gebracht ging opa na ‘de
voorstelling’ weer naar huis.
Kleermaker
Ook buurman Herman
Tilder, die met zijn zus Marretje even verderop in de Breedstraat
woonde, zat bij ons in de kamer televisie te kijken. Herman, een
kleine man met een bochel, was kleermaker van beroep dat hij thuis
beoefende. Meestal zat hij óp de tafel in zijn kamer met allerlei
stoffen om hem heen en was zo aan het werk. Lang en veel werken was
het parool en veel vertier hadden de mensen niet. Zo’n televisie
was maar een wonderbaarlijk ding vond Tilder, maar hij genoot
zichtbaar.
Speelfilm
Een jaar later
toen ik al werkte en ’s avonds op de Ambachtschool aan de
Kuipersdijk een avondcursus volgde, spoedde ik me na die studie
naar huis. In die tijd werd er nog maar weinige avonden televisie
uitgezonden en haast helemaal geen speelfilms. Maar die avond zou
er een Deense speelfilm komen en had daar al zoveel over gehoord
dat ik die beslist wilde zien. De ouderen van mijn familie zaten al
klaar in de voorkamer en ook Tiny de verkering van mijn één na
oudste broer Cees (die toen in Militaire Dienst zat) was aanwezig.
In de achterkamer kreeg ik snel een ‘koppie thee’ van moeder en
werd toen naar bed gestuurd want de film was voor boven de achttien
en ik was zestien! Hoe is ’t mogelijk, de verkering van mijn broer
zat meewarig naar me te glimlachen. Er hielp geen lieve moeder aan,
de schuifdeuren gingen dicht en ik kon daar blijven zitten tot ik
een ons woog of naar boven vertrekken.
Later, toen die
verkering van mijn broer uit was bleek dat Tiny op die bewuste
speelfilmavond zelf nog niet eens zestien was en zij zat er wél
bij! Ga je niet lekker…
V.l.n.r.: Tiny Roos, Afra den Drijver, achter haar gedeeltelijk zichtbaar Cor Takes, Piet Molenaar, Alie Bakker-de Haan en Jaap Bakker.
Kleine
wijk
Eigenaren
van de buurtwinkels noemde je ook je buren, er was begin jaren
vijftig weinig of geen afstand tussen de mensen. Zelfs in zo’n
kleine wijk als het Havenkwartier van Enkhuizen vond je alle
winkels die in het levensonderhoud konden voorzien. Aan de Havenweg
had je Sweer de Graaf met zijn kruidenierswinkel. Zijn vrouw
bestierde de winkel en Sweer bracht op een transportfiets met een
rieten mand voorop de boodschappen rond. Ook ventte hij als
broodbezorger voor de broodfabriek. Soms hielpen de dochters Alie
en/of Gerrie in de winkel. Een luid klingelende bel gaf aan dat er
een klant de winkel binnen kwam en uit de woonkamer, grenzend aan
de winkel, kwam er dan iemand om die klant te helpen.
Vrachtauto
Op de hoek
Havenweg/Spoorstraat was de groentewinkel van Dirk Mazereeuw. Zijn
vrouw Dieuw en haar zus Greetje bedienden de klanten in de winkel.
Dirk Mazereeuw had een kleine vrachtwagen waarmee hij de op de
veiling gekochte groente vervoerde. Soms sprongen wij achterop die
vrachtauto, reden een eindje mee en sprongen er dan weer vanaf. Een
keer reed hij tussen de middag al voorbij de Koepoort met ons nog
achterop toen hij de bocht nemend naar de provinciale weg vaart
verminderde. Wij lieten ons daar van de auto zakken en al mee
rennend lieten we de wagen dan los, want we moesten ook nog naar
school. Dirk was een koene rijder en zoveel vaart minderde hij dus
niet in die bocht en daardoor kwam Zussie Franx (Antine) lelijk ten
val toen ze zich van de auto liet zakken, struikelde en haar arm
brak. De provinciale weg kwam in die tijd als een T-splitsing uit
op het Westeinde, de randweg, Drechterlandse weg en de buitenwijken
waren nog in geen velden of wegen te bekennen.
Mandje
Aan de overkant
van de groentezaak van Mazereeuw op de andere hoek van de
Spoorstraat/ Havenweg was in die tijd de sigarenwinkel van Ben
Kuiper. Het echtpaar Kuiper had twee kinderen, dochter Hansje
en zoon Bennie. De familie Kuiper bestierde ook de lunchroom De Spoorklok op die
hoek. Boven de winkel van Kuiper woonde hun tante Lucie. Zij liep
niet voor elk wissewasje naar beneden en liet daarom een mandje
zakken aan een touw buiten het raam waar bijvoorbeeld de melkboer
flessen melk inzette en zij ze dan ophees. Ook stopten
pestkoppen wel eens een dot gras in het mandje, vertelde een
broer van me (hijzelf?). In de sigarenwinkel van Kuiper haalde ik
voor mijn vader af en toe een pakje Twin-shag. Het was daar altijd
behaaglijk warm en rook er lekker naar sigaren en tabak.
Trekbel
Over mandje
gesproken, op het Venedie woonden de dames Gramberg en Vlasveld in
dat grote, grijze huis. Uit de muur naast de voordeur stak zo’n
prachtige, verleidelijke koperen trekbel en we lieten deze
klingelen. Juffrouw Vlasveld opende de deur en we vroegen haar ‘of
ze het mandje nog had’. ‘Welk mandje?’, vroeg de juffrouw. ‘Het
mandje waar Abraham in gesch…ten heeft’, gierden we en renden hard
weg. Stom vanzelf want niet veel later belden mijn broertje en ik
aan en vroegen of ze ook kinderpostzegels van ons wilde kopen. ‘Kom
maar even in de gang’, zei juffrouw Vlasveld, die open deed. We
stapten geïmponeerd de lange, brede marmeren gang in en de juffrouw
deed de deur achter ons dicht en riep juffrouw Gramberg erbij. We
kregen daar een ernstige reprimande over het belletje trekken en
moesten beloven dat we zoiets nooit meer zouden doen. Nadat we dat
beloofd hadden bestelden ze toch kinderpostzegels bij ons. Aardige
dames.
Kouwe
bakker
Naast de
sigarenwinkel van Kuiper in de Spoorstraat, kwam eerst het woonhuis
met daar naast de bakkerswinkel van de familie Schouten (kouwe
bakker). Buurman Schouten ventte ook brood uit voor de Broodfabriek
en buurvrouw Schouten bediende in de winkel de klanten samen met
hun dochter Johanna. Ze hadden nog een dochter, Corrie en ook twee
zoons, Jan en Aart Schouten. In hun winkel stond een grote
broodkist op de vloer waarin het brood werd bewaard en bij hen rook
het altijd lekker naar vers brood.
Huishouden
Naar de kapper
konden we ook in onze buurt want in de Spoorstraat had je de
kapsalon van de familie Jansen. Buurman Jansen (Lowie) knipte en
schoor de mannen en buurvrouw Jansen (Hennie) kapte samen met Meta
Tiesma de dames. Meta woonde met haar zus en ouders in het Snouck
van Loosenpark, zij is later met een politieagent getrouwd en naar
ik meen met hem op Urk beland. Het gezin Jansen had vijf dochters:
Dinie, Corrie, Nellie, Trix en Christel en kreeg later nog een
zoontje Loekie. Opvallend was dat van de winkeliers de echtgenotes
ook allemaal in hun zaak meewerkten terwijl de gewone huisvrouw
alleen het huishouden deed. Niet dat zo’n huishouden toen niet veel
werk was, want alleen de maandag was al een hele wasdag.
Leren
tas
Naar
de slager echter moest je de buurt verlaten en liep je over de
Wilhelminabrug het Venedie af naar bijvoorbeeld slager Botman of
Kroeb in de Torenstraat of Koert Ruiter in de St. Jansstraat. Er
waren meer slagerijen in de stad en neringziek zoals dat werd
genoemd, waren de middenstanders ook wel én de geloofsovertuiging
deed ze hun boodschappen doen bij de een en dan bij de ander. Zo
kregen de kruideniers Veken op de hoek Bocht/Spui en zelfs Van Goor
op de hoek Hemeltje/Molenweg bezoek van Corrie Jansen en mij (hielp
haar vaak de zware leren tas te dragen) als ze daar boodschappen
moest halen omdat die kruideniers ook bij Jansen in de kapperszaak
kwamen én omdat ze allemaal Rooms Katholiek waren.
Café
Voor naar het
café
gaan had je zelfs twee keuzes in de buurt. Aan de Havenweg was het
café van Bauk Planting en in de Spoorstraat, hoek Paktuinen
Hotel-Café-Restaurant Du Passage van de familie Van der Zee. Bauk
Planting en zijn vrouw Dirkje hadden een groot aantal kinderen:
Ruurt, Dieuw, Klazien, Annie, Suze, Kees, Jannie en Greetje. In de
Tweede Wereldoorlog was bij het bombardement op de haven, 15 maart
1945, hun eerste zoontje Kees omgekomen. Zijn portret hing samen
met dat van mijn neefje Gerrie, die ook omgekomen is bij dat
bombardement, bij mijn grootouders in de kamer aan de
Havenweg.
Stoelen
Toch
was er ook wel enige afstand te bespeuren in het Havenkwartier,
want werden de vrouwen van de buurtwinkels gewoon buurvrouw
genoemd, de vrouw van Van der Zee werd geen buurvrouw, geen mevrouw
maar juffrouw Van der Zee genoemd. Het woord mevrouw kwam
waarschijnlijk nog niet voor in het vocabulaire van het
Havenkwartier. Bij de familie Van der Zee waren twee dochters,
Annie en Baukje. Bij v.d. Zee werkte toen de dames Geer den
Drijver, Gré Vellinga en buurvrouw Haantje (de Haan). Met
harddraverij sjouwden zij bijvoorbeeld vele stoelen vanuit de
garage van De Pelikaan (achter de Muziektent) naar Du Passage. De
nette stoelen in het restaurant werden met die stoelen omgewisseld
want met harddraverij was het daar altijd heel erg druk en
sneuvelde er nog wel eens wat.
Feest
Het
Havenkwartier had in die tijd een bloeiende buurtvereniging en
menige feestavond werd in Du Passage gevierd. Zelf herinner ik me
alleen de Sinterklaas feesten. Buurtvereniging Het Havenkwartier
heeft vanaf de Tweede Wereldoorlog net aan vijftig jaar bestaan,
maar het veertig jarige bestaan werd nog heel groots gevierd in Het
Wapen van Enkhuizen. Piet Molenaar was toen de voorzitter en nam de
felicitaties samen met secretaris Jaap Bakker geroerd in ontvangst
die wij, leden van de buurtvereniging het bestuur
aanboden.
|
|