Deze website maakt gebruik van cookies. Klik hier voor meer informatie.      Sluiten
 
0 stemmen

Koolhaas, dé groenteboer van Enkhuizen

Volgende Vorige Overzicht
Onderwerp: Middenstand geef reactie! Tell a friend 7563 Clicks Ongepast  
Arie Koolhaas met een kar vol groente en fruit voor Urk (rond 1935) +
Arie Koolhaas met een kar vol groente en fruit voor Urk (rond 1935)

Koolhaas, dé groenteboer van Enkhuizen

Al vanaf 1800 staat de naam Koolhaas gelijk aan tuinen met groente en fruit in Enkhuizen. Vele generaties hebben de tuinen en verkoop van de verbouwde waren voortgezet.

Arie Koolhaas vertelt over zijn voorouders en over zijn eigen ervaringen als kind en als eigenaar van de groentewinkel op Westerstraat 9. Met meer dan tweehonderd jaar geschiedenis werd de groentezaak nu bijna twee jaar geleden gesloten en is de heer Koolhaas inmiddels verhuisd naar Herfstzon.

Waar nu de Albert Heijn, het parkeerterrein en gymzaal de Sprong te vinden zijn, stond je vroeger tussen de tuinen van Koolhaas. De ‘overtuin’ lag waar nu de Rabobank staat en het postkantoor. En op het terrein waar nu het bedrijf Pipelife staat heeft de familie ook een stuk grond gehad, aan de kant van het spoor.

Gebr. Koolhaas
“De winkel met het woonhuis op de Westerstraat is door mijn grootvader en zijn broer Bernard gekocht. Rond 1910 is Bernard daar met zijn vrouw begonnen. Daarna hebben mijn ouders het omstreeks 1926 overgenomen. De groente werd ’s morgens met een handkar vanaf de Molenweg naar de Westerstraat gebracht. Op de Molenweg, bij de tuinen, was ook een winkel. Daar woonde de broer van mijn vader in, vandaar de Gebroeders Koolhaas toen. Ze grossierden toen ook naar Urk, dat ging toen allemaal nog met de boot. Vooral vrijdags hadden ze daar een hoop werk aan. Het is wel eens gebeurd dat die schipper zei ‘ik wacht niet langer, ik ga weg’ en dan zaten ze met al die groente! Dan gingen ze naar de haven om een Urker te zoeken met een boot, die het nog wilde meenemen, had die weer een extraatje.”

Echt familiebedrijf
Vroeger hielp de hele familie mee in het bedrijf. “Als je om vier uur uit school kwam kreeg je een kopje thee en dan kon je naar de tuin toe. Bosjes ui maken, rabarber opbinden, schrapen of wat dan ook. Toen was ik een jaar of 12, daar weten ze nu niet meer van! Om een uur of zes mochten we weer naar huis. Mijn vader ging dan na het brood of warm eten weer naar de tuinen toe, dan waren er wel kratjes te timmeren of wat er dan ook gerepareerd moest worden. Want toen was er eigenlijk nog geen veilingfust zoals nu alles in die blauwe kratjes komt. Als het zomers erg druk was hielpen zelfs twee oude tantes mee. Dan moesten we snijbonen en slabonen afhalen. Snijden met zo’n molentje en dat ging het vat in met zout voor de winter. Datzelfde deden we met andijvie. Maar dat raakte er het eerste uit, na de oorlog hebben we dat niet meer gedaan.”

In de tuin werkte ook Klaas Schuit, die woonde aan het einde van de Molenweg. En voor de oorlog hadden ze twee loopjongens. Tijdens de optocht voor de Zuiderzee Visscherij Tentoonstelling liepen deze twee, Bas Huizinga en Jan Jeltes beide met een versierd paard en wagen.

Mee naar de veiling
In de zomer ging oom Bernard drie dagen in de week naar de veiling, Op Hoop van Zegen in Blokker. “Dan mocht ik mee om de boel te stapelen op de auto. Als beloning kreeg ik een dubbeltje en dan kon ik een reep chocolade halen in een kruidenierswinkeltje daar.”

Grof geld
“Ik weet nog dat we in de oorlog de bloemkool aan het snijden waren. Ik pakte de bloemkolen en gaf ze door aan mijn oom. Toen kwam er een man bij hem die zei ‘Bernard, hier heb je 25 gulden, maar dan wil ik morgen 25 bloemkolen van je hebben, want mijn dochter trouwt’. Als een bloemkool een kwartje opbracht was het al een heleboel, dus dat was grof geld. Het was ergens een vreemde, het was niet een klant van ons of zo. Maar ja, er was nergens wat te koop.”

Bloemkolenvloer
Om die bloemkolen gekoeld te houden werden deze op de vloer van de pakhuizen gelegd. De deuren en ramen werden dichtgehouden en er werd voor gezorgd dat er zo min mogelijk licht binnen kwam. Zo lagen de pakhuizen dus bezaait met bloemkolen. De familie Koolhaas had twee pakhuizen. Eentje op de hoek van de Molenweg en de Boerenvaart, de ander verderop de Boerenvaart bij de ingang van de Sprong. Die laatste was een oude koeienstal. En in die tijd, lang voordat de koelhuizen hun intreden deden, gingen de bieten en de witlof in een kuil in de grond. Afgedekt met stro en modder. In de winter bleven ze dan net even langer goed.

Venten met paard en wagen
“Met paard en wagen gingen mijn grootvader en mijn vader venten in de stad. In de winter is het nog een keer gebeurd dat opa een beetje vlug de bocht om ging. Nou en daar ging de hele boel! Alles op zijn kant. Die paarden moesten in de winter ook beslagen worden met ijsnagels. Dat is een pennetje, de grove kant werd in de hoef geslagen daarvoor zat een gaatje in de hoef. Dan stak er een punt uit, net als met voetbalschoenen. Dan stonden ze vast op de straat. En dan gebeurde het wel dat die dingen afgesleten waren, want de ene plek is wel glad en de ander plek niet. Moest je onderweg die oude eruit draaien en er weer nieuwe in slaan, anders gingen die paarden tegen de vlakte. Zo gingen er ook spijkers in de klompen, zodat we niet uitgleden tijdens het rondbrengen van de fruitmanden.”

“Tijdens de strenge winters na de oorlog konden we niet venten, omdat anders alle spullen bevroren. Dus dan gingen we eerst langs de mensen om te vragen wat ze wilden. Dan pakte we het goed in met kranten om het vriezen tegen te gaan en brachten we het rond. De klanten waren allang blij dat ze zelf de deur niet uit hoefden!”

Automatisering
De winkel op de Westerstraat kreeg kort na de oorlog, begin 1950, een schraapmachine en een snijmachine. Op de molenweg niet, want daar hadden ze alleen gas en geen elektriciteit. “Toen was ik net terug uit Nederlands-Indië. In 1960 heb ik de winkel van mijn ouders overgenomen. Een eigen bedrijf hebben is altijd werken. Omstreeks 1970 kwam de diepvries en even later ook de koelvitrines. Doordat mensen meer gingen reizen kwamen andere soorten groenten zoals paprika’s deze kant op. En velen, net als ik, waren naar Nederlands-Indië geweest en hadden daar nasi en bami leren eten.  

Het vak
“Het mooiste van het vak was toch wel de tuin en het opkweken van de planten.” Hij wrijft wijsvinger en duim over elkaar en lacht. “En er moest brood op de plank komen natuurlijk!”


Carina Jonker

Met dank aan meneer Koolhaas
Om op artikelen te kunnen reageren moet je als lid ingelogd zijn.
Als je al lid bent kunt hier inloggen of klik hier om een lidmaatschap aan te vragen.
Volg ons via RSS
Volg ons op Twitter
Volg ons op Facebook
Volg ons op Youtube