Deze website maakt gebruik van cookies. Klik hier voor meer informatie.      Sluiten
 
0 stemmen

Heldendaad Jan Duijn Jzn.

Volgende Vorige Overzicht
Een portret van Jan en Petronella Duijn met daaronder hun trouwboekje met de namen van hun kinderen. Links de oproep van de Enkhuizer Courant om geld te doneren voor de heldendaad. +
Een portret van Jan en Petronella Duijn met daaronder hun trouwboekje met de namen van hun kinderen. Links de oproep van de Enkhuizer Courant om geld te doneren voor de heldendaad.

Heldendaad Jan Duijn Jzn.

Op 13 februari in 1912 stond er in de Enkhuizer Courant een heldendaad beschreven. Jan Duijn Jzn. redde op zondag 11 februari een jongeman uit het ijs. Hij riskeerde hierbij zijn eigen leven, hij ging namelijk ook meerdere malen te water maar weet ook zichzelf te redden.

Van de jongens die te water waren geraakt is een jongen van Lub, die Jan Duijn Jzn. heeft gered, er het slechtst aan toe. Maar hij komt er wel weer bovenop. De ander, een jongen van Last, houdt er gelukkig ook niets aan over. Twee dagen later verschijnt een kleine toevoeging op het verhaal in de krant. Jan Duijn Jzn. had hulp gekregen van jongelui K. Bijvoet en C. Rinkema. Waarschijnlijk de tweede helft van het groepje waaghalzen waartoe de drenkelingen ook behoorden.

Waardige beloning

Om de heldendaad niet zomaar voorbij te laten gaan als een alledaagse gebeurtenis, organiseert de Enkhuizer Courant een inschrijving voor Jan Duyn Jzn. Er wordt hier juist niet gevraagd om een lintje of een medaille, maar om ‘stoffelijke bewijzen’. Ieder klein bedrag net zo welkom als een grote, wordt er gevraagd te doneren zodat de held een waardige beloning overhandigd kan worden. Dit komt uiteindelijk neer op f16,60. Tussen de donaties, die allemaal in de krant worden vermeld, zit een voor die tijd groot bedrag. Van ‘Een Familie’ is er f7,- afkomstig. Waarschijnlijk van de geredde drenkeling.

Menschlievend en hulpbetoon

Eind maart hetzelfde jaar ontvangt Jan Duijn Jzn. een Koninklijke bronzen erepenning voor ‘menschlievend en hulpbetoon’. Zijn kleinzoon, die dezelfde naam draagt, Jan Duijn Kzn. (1939) is verteld dat hij deze penning altijd heeft gedragen. Aan de penning te zien zal dit zeker waar zijn. De bovenkant van het lint, waar meestal een speldje zit, is met een dik zwart draad gerepareerd. De penning zelf is ook vuil. Dit alles duidt op een eigenaar die hem met trots veel heeft gedragen. Het getuigschrift dat bij de penning uitgereikt is, is helaas onvindbaar. Jan Duijn Kzn. heeft alles gedaan wat binnen zijn mogelijkheden lag, en dat was veel, om het terug te vinden of zelfs maar een kopie van het origineel te bemachtigen via de overheid. Maar het was tevergeefs. De penning zelf is in ieder geval in goede handen bij de kleinzoon van de held.  

Het gezin Duijn

In de berichten wordt de naam Duijn steeds gespeld als Duin. Maar aan het trouwboekje van de man is te zien dat dit niet correct is. “Ik begrijp niet hoe dat is gekomen, ik ben het ook nog wel eens tegengekomen met een y.” Vertelt Jan Duijn Kzn. terwijl hij het trouwboekje laat zien. In dit boekje staat ook de lijst met tien kinderen die het echtpaar kreeg. Als zevende in het rijtje is Klaas te vinden, de vader van Jan, die is vernoemd naar een oudere broer die zeer vroeg overleed. “Die is uit de boom gevallen, hoe dat verder is gegaan weet ik niet.”

Jan Duijn Jzn. (1875) werd in Grootebroek geboren maar woont later met zijn vrouw Petronella Visher (1876) in Enkhuizen. Het gezin woonde op Brugstraat 1, in het witte huis op de hoek Paktuinen.


Carina Jonker

Met dank aan de heer Duijn Kzn.

--------------------------------------------------------------------------------------------------------


Originele artikelen uit de Enkhuizer Courant

13 februari 1912
WAAGHALZERIJ

Mooi weer, ijs in zee en de Zondagmiddag wandelgelegenheid, bracht Zondag heel wat volk aan den buitenkant. Is het er altijd afwisselend, nu was dat nog meer dan anders het geval, temeer omdat een aantal opgeschoten jongens in zee op het ijs liepen. Zij waren over den Noordelijken leidam naar het vuur geloopen en stapten daar dan op het ijs om dwars over aan den Wierdijk terecht te komen. Jammer dat ze zoo’n gevaarlijk spelletje speelden, want op een gegeven ogenblik zag men ver in zee vier jongens kort bij elkaar, waarvan er twee door ’t ijs zakten. Nu was de pret er in eens af, groote ontsteltenis onder alle toeschouwers aan den wal, maar lust en  moed om er op af te gaan om ze te helpen, weinig, zelfs niet bij de jongens die in hun nabijheid op het ijs waren. Die hadden in eens de schrik beet en zochten zelf een goed heenkomen.

Maar onder de toekijkers is toch één man, tegelijk vader van zeven kinderen, die bij zich zelf denkt (en zoo dacht zijn vrouw die bij hem stond zeker ook) er moet geholpen worden, we mogen zoo maar niet kalm toezien dat een paar menschenlevens met den dood kampen.

Het was Jan Duin Jnz. die met die gedachte, onvervaard van den dijk over de glooiing liep en zoo goed en zoo kwaad het ging, met alle spoed de drenkelingen te hulp snelde. Nog eer hij bij hen was en dat duurde eenige minuten, zag hij dat een der jongens (geholpen door den ander) op het ijs terecht was gekomen, terwijl de ander nog altijd aan het spartelen was, en omdat het ijs steeds afbrokkelde, zich niet kon redden. Inmiddels was Duin bij ’t gat; trok zijn jas uit – stak die den drenkeling toe en plats, daar geraakte hij er ook bij te water, wat hem driemaal achtereen overkwam, inmiddels waren een paar jongens hulp komen verleenen en wist men beiden met heel veel moeite er uit te krijgen. De geredde had geruimen tijd te water gelegen en was door kou en angst bijna niet in staat den terugtocht te maken.

Duin had behalve zijn eigen natte jas ook die van de geredde te pakken en zoo ging men voorzichtig op weg, - elk zijn eigen padje zoekend. Op een gegeven oogenblik zakte Duin kort bij den wal, nogmaals door het ijs, maar hij behield zijn kalmte en wist zich zelf te redden.

Dat de behouden aankomst op den Dijk warme toejuichingen ontlokte laat zich denken. Met groote moeite wist men Lub, die het langst in gevaar verkeerd had, thuis te brengen, waar men dadelijk geneeskundige hulp inriep, omdat hij erg van streek was. Sedert is zijn toestand verbeterd en zal hij evenmin als zijn lotgenoot Last waarschijnlijk wel geen ernstige gevolgen van deze onbezonnenheid ondergaan.

Ook hopen wij dat de kloeke redder Duin van zijn menschlievende daad geen nadeelige gevolgen zal ondervinden, want dat heeft hij geenzins verdiend.

NOG MEER ONTSTELTENIS

Het bovenstaande speelde zich af tusschen vier en vijf uur. Wat later werd het vermoeden uitgesproken dat er  nog eenige jongens op zee konden zijn, die dan naar het heette, op een ijsschots zouden zijn afgedreven en dus geen gelegenheid hadden terug te komen. Als een loopend vuurtje ging dit verhaal van mond tot mond, zoodat honderden aan den buitenkant kwamen en over deze ontzettende geschiedenis, allerlei boomen op zetten.

Al spoedig waren er visschers, die een vlet gereed hadden en het Krabbersgat in roeiden, om ter opsporing uit te gaan. Gelukkig bleek dit loos alarm te wezen.

15 februari 1912
ENKHUIZEN – Het verhaal in ons vorig nummer over de drenkelingen, die op zee door het ijs geraakten, was niet compleet. Wij ontvingen daarover een schrijven waaruit blijkt dat Jan Duin niet alleen hulp verleende, maar daarin bijgestaan is door de jongelui K. Bijvoet en C. Rinkema. Van hunne menschlievendheid maken wij dan ook nog gaarne melding.
Om op artikelen te kunnen reageren moet je als lid ingelogd zijn.
Als je al lid bent kunt hier inloggen of klik hier om een lidmaatschap aan te vragen.
Commentaar op dit artikel:
1 reactie op dit artikel
  • Re: Heldendaad Jan Duijn Jzn.
    Gepost door peter duijn, op 2/2/10
    erg leuk om zo een mooi verhaal overmijn overgroot vader telezen en een foto te zien met mijn overgrootvader en overgrootmoeder. ook dat de naam van mijn opa in het trouwboekje staat.

Volg ons via RSS
Volg ons op Twitter
Volg ons op Facebook
Volg ons op Youtube