Deze website maakt gebruik van cookies. Klik hier voor meer informatie.      Sluiten
 
0 stemmen

De jeugd van Hans Köster

Volgende Vorige Overzicht
Onderwerp: Anekdotes geef reactie! Tell a friend 5686 Clicks Ongepast  
Spelen in de tuin. In vakanties nam Hans wel eens een vriendje van kostschool mee naar huis. Hier in het midden Wim Duin. Links Paul Köster en rechts Hans Köster. +
Spelen in de tuin. In vakanties nam Hans wel eens een vriendje van kostschool mee naar huis. Hier in het midden Wim Duin. Links Paul Köster en rechts Hans Köster.

De jeugd van Hans Köster

Hans Köster (1923) vergelijkt zijn jeugd in Enkhuizen met Pietje Bel. Hij vertelt enthousiast over de kwajongensstreken van de ‘vechtersclub’ zoals de groep jongens zichzelf heel stoer noemden. “We vochten helemaal niet hoor, dat was flauwekul, stoerigheid!” Maar ze vermaakte zich prima op straat, bij de koepoort en zelfs op de begraafplaats. “Een geweldige jeugd hadden we hier! Dat bestaat niet meer tegenwoordig. Zo waren we ook gek van Winnetou en Old Shatterhand. We lazen die boeken en waren zelf ook Winnetou en Old Shatterhand! We hadden indianenpakken en het was dus heel gewoon als je een indiaan op straat tegenkwam.” Hans lacht en heeft nog veel meer mooie herinneringen aan zijn jeugd.

Bijrijder Hansje Köster
“Op mijn tiende stond ik al in de krant. Je had hier Van Gent & Loos. Die zat op de Van Bleiswijkstraat. Wij woonden in de Westerstraat en dan kwam je via een steeg zo daar terecht. Daar stonden de vrachtwagens.”

“Ik was altijd erg bevriend met Foppe Bekema, dat was een chauffeur. Een jonge knul op zo’n autootje van Van Gent & Loos. Van die antieke dingen met massieve banden en nog zo’n klein motorkastje. Als je de hoek om wilde moest je aan een touwtje trekken, dan ging er zo’n richtingaanwijzer uit! Maar dat was mijn grote vriend en ik mocht altijd meerijden met die wagen.”

“Ik had de pest aan school. Ik had een keer geen zin meer en heb toen gefingeerd dat ik ziek werd. Ik weet niet bij wie ik toen in de klas zat, meester Fluitman of jufrouw Woestenburg. Ik kon nogal goed toneelspelen schijnt het. Dus het was ‘ga jij maar gauw naar huis’. Maar niet naar huis natuurlijk, ik ging naar Foppe Bekema. En keurig twaalf uur naar huis. De volgende ochtend ook niet naar school, maar naar Bekema. Ze dachten thuis dat ik op school zat, en op school dat ik ziek was. Ik heb een paar dagen rondgereden met die knaap."

“Op een end rijden we over de Noorderhavendijk, vanaf de kaasmarkt zo naar het plantsoen. Hij zat te zingen, te schreeuwen en te doen. Hij deed altijd heel erg druk.” Hans Köster roept en zwaait met zijn handen om een beeld te geven. “En toen reed hij rechtdoor! Hij volgde niet de weg het plantsoen door, maar hij reed rechtdoor over dat stuk gras, zo het plantsoen én het water in met die kar! En toen stonden we daar, met de voorwielen erin. Enfin, ik weet nog dat ik er droogvoets uitkwam. Er zat zo’n houten loopplankje langs de entree van de wagen. Maar wat is er nu gebeurd, Bekema is opgepakt, want hij werd knettergek! Hij werd meteen getransporteerd naar het gekkenhuis in Medemblik. En daar heeft hij z’n hele leven denk ik verder gezeten, dat weet ik niet meer. Maar de volgende dag stond het natuurlijk in de krant, bijrijder Hansje Köster! En vader die zei: potverdomme wat krijgen we nou?! Sta jij in de krant? Toen kwam het hele verhaal aan het rollen.”

Spelen in het zand
“Er zat een bouwmaterialen firma op de dijk. Daar werd zand aangevoerd met schuiten onder de Wilhelminabrug door. Daar aan het eind had je een grote stellage die ook over de weg heen liep. Over die stellage reed zo’n karretje met een vent erin. Onder dat karretje hing een grote grijper die over de weg heen ging naar de schepen, daar greep hij het zand en ging weer terug. Daar had je dus grote bergen zand liggen en daar kon je prachtig in spelen. Als het zand weer in de vrachtwagens geladen moest, hapten die grote grijper zand uit die berg. Met het karretje ging het door de lucht naar een glijbaan waar de grijper openging en het zand zo in de vrachtauto werd gestort.”

“Aan die grijper hingen kettingen, want ze hadden ook wel eens stenen en die moesten dan aan die kettingen gehaakt worden. Het was natuurlijk prachtig als dat karretje naar beneden kwam om te grijpen, dan grepen wij die kettingen. Dat mocht natuurlijk niet maar die kerel zat daar bovenin en die zag dat niet. Dan gingen we een meter of twee mee omhoog en lieten we weer los. Dan ploften we heerlijk in het zand. Dat was prachtig!”

“Maar ik had een vriendje, Henk Mijknecht, en op een gegeven moment hingen we er weer aan met een stel en wij laten allemaal los, maar Henk durfde niet meer, die hield vast! Het plezier werd zomaar de schrik dat hij helemaal omhoog ging. Gelukkig bleef hij er stevig aanhangen. Hup, helemaal omhoog, over het bouwterrein heen naar die glijbaan. En die kerel die in die auto stond met z’n schop, Frenk Masterling geloof ik, zag dat komen maar kon niks doen. Die wist alleen, als hij bij die glijbaan is moet die klep open. Toen donderde Henk met zand en al in die glijbaan, in die auto. En hij kreeg me daar toch een paar klappen met die schop! Hij gillen, maar het was ook levensgevaarlijk. Een spannend moment, tot en met! Hij had hartstikke dood kunnen vallen.” 

De spookjes van Enkhuizen

“Op de begraafplaats hebben we nog wel eens voor spook gespeeld. Met een stel lakens van moeder, tussen de bosjes. Het was stikdonker, en daar bij de dijk heb je zo de weg naar Andijk. Daar kwam een of andere boer langsgefietst, wij zaten klaar en kwamen opeens tevoorschijn. Die man die had een hartverlamming kunnen krijgen. Hij begon zo ontiegelijk te gillen en te trappen! Ik denk dat hij wel honderd per uur ging. Hij racete weg met z’n fiets en bleef maar gillen en gillen. Wij waren ook een beetje verbaasd, hij was hysterisch. Ik heb er later niets meer over gehoord.”

Vlotten bouwen bij Andijk
“Bij de vuurtoren speelden we ook altijd, helemaal bij Andijk. Op die eilanden, dat is nu allemaal natuurgebied. Je mag er nu niet eens komen, maar toen waren het drooggevallen oude duinen zeg maar. Prachtig zand en glooiingen, daar kon je heel mooi hutten bouwen. We mochten toen het oude hout van de schutting hebben, want er moest een nieuwe gebouwd worden. Met de handkar van Meindert konden we met dat hout daar een vlot bouwen. Dat was fantastisch, zo’n jeugd.” 

Op klompen en rolschaatsen
In het huis aan de Westerstraat waar Hans Köster opgroeit hadden zij achterin een grote kinderkamer. “Zo’n houten vloer, en we hadden rolschaatsen. Op woensdagmiddag kwamen er zo’n stelletje knullen die allemaal bij de club hoorden. En onder andere Piet Stavenuiter, hij is pas overleden. ‘Piet Eerdebei’ noemde ze hem later omdat hij in aardbeien handelde. Maar Piet wilde ook wel op mijn rolschaatsen. Die stonden daar en ze waren allemaal op klompen, dus ik zei probeer het maar. Piet trekt die rolschaatsen aan, doet een paar streken en hij maakt toch een klapper! Hij slaat met zijn pols op z’n eigen klomp, het model van de klomp zat er zowat in. Die was dus keurig gebroken.”

“Toen zijn we naar de dokter op de Breedstraat gegaan. Hij mocht niet lopen, maar we gingen naar Appie Horsman naast ons. Hij trapte met een transportfiets Piet naar de Breedstraat, hij had zo’n ding voorop waar Piet op moest zitten. Wij gingen er met z’n allen achteraan, want we moesten het horen of hij ging gillen als het gezet werd! We stonden allemaal voor het raam van de wachtkamer maar we hoorden niks.” Hans imiteert hoe ze toen als jongetjes ongeduldig voor dat raam stonden te dringen ‘ik hoor niks’, ‘stil nou!’, ‘ik hoor niks hoor’. “Dat was toch wat, hij schreeuwde niet eens. Maar hij is toch echt gezet daar, die pols.”


Carina Jonker

Met dank aan meneer Köster
Om op artikelen te kunnen reageren moet je als lid ingelogd zijn.
Als je al lid bent kunt hier inloggen of klik hier om een lidmaatschap aan te vragen.
Volg ons via RSS
Volg ons op Twitter
Volg ons op Facebook
Volg ons op Youtube