Natuurlijk vertel ik niets nieuws als ik zeg: dat ik de Kroniek
van Enkhuizen heb verslonden. Dit niet alleen omdat er veel familie
in voorkwam al was dit natuurlijk mooi meegenomen. Nee, ook de
andere artikelen hadden mijn belangstelling. Maar toen ik
de Kroniek uit had toen was mijn nieuwsgierigheid nog steeds
niet gestild.
Ik ben me dan ook gaan verdiepen in de personen die zijdelings
werden aangestipt. Ook de echtgenoot, Marie Cornelis van Wijhe, van
de Enkhuizer schrijfster Alie Smeding trok mijn aandacht. Nu in het
Biografisch Woordenboek van het
Socialisme en de Arbeidersbeweging in Nederland kwam ik
onderstaand artikel tegen wat ik jullie niet wil onthouden.
WIJHE, Marie Cornelis van
Rode dominee, is geboren te Maasdam (ZH) op 14 februari 1881 en
overleden te Amersfoort op 22 juni 1953. Hij was de zoon van Gerrit
van Wijhe, Nederlands hervormd predikant, en Christina Maria
Batteké. Op 20 december 1907 trad hij in het huwelijk met Jacoba
Henriëtte Suerhoff, apothekeres, met wie hij twee dochters kreeg.
Na haar overlijden op 3 januari 1928 hertrouwde hij op 18 oktober
1928 met Aaltje Smeding, schrijfster. Dit huwelijk bleef
kinderloos. Na haar overlijden op 5 juli 1938 hertrouwde hij op 21
mei 1940 met Grietje Paulina Ensink. Ook dit huwelijk bleef
kinderloos.
Schuilnaam: Gerrit Vos.
Van Wijhe groeide op in een ruimdenkend vrijzinnig hervormd en
intellectueel milieu. Hier ontstond zijn culturele en sociale
belangstelling. Reeds jong traden zijn sterke godsdienstige
overtuiging en zijn journalistieke interesse naar voren. In 1903
ging hij in Leiden theologie studeren. In datzelfde jaar sloot hij
zich aan bij de SDAP en werd hij actief in de Leidse afdeling met
bekende partijgenoten als D.A. van
Eck en A. Pannekoek. Hij
maakte deel uit van de redactie van het afdelingsblad. In 1905
zette hij zijn studie in Groningen voort, waarna hij begin 1908
predikant werd in het Friese Engelum. Hij verrichtte zijn
predikantschap met zorg, was een goed spreker, deed veel voor
mensen in nood en was daarnaast volop actief buiten zijn gemeente.
Evenals zijn oudere broer H.A.J. van Wijhe (1877-1909), die
predikant was in Drachten, voerde Van Wijhe een actieve propaganda
voor de SDAP en voor het geheelonthouderschap. Ook journalistiek
ontplooide hij zich op die terreinen. Hij werd medewerker van De
Blauwe Vaan (het weekblad van de Nederlandsche Vereeniging tot
Afschaffing van Alcoholhoudende Dranken) en was kort (in 1913)
mederedacteur van het maandblad Onze Gids. Tevens werkte hij
mee aan het Friesch Volksblad. Met de redacteur van dit
blad, ds. A. van der Heide,
kwam hij tijdelijk in conflict wegens diens felle afwijzing van de
Tribunisten.
Eind 1911 volgde hij Van der Heide op, maar vanwege zijn vertrek
naar Barchem begin 1912 door aanvaarding van een predikantenfunctie
oefende hij het redacteurschap slechts korte tijd uit. In Barchem
had hij veertien goede jaren en maakte hij de bewogen periode van
de Eerste Wereldoorlog mee. Ook kon hij er de zich daar
ontwikkelende beweging van de Woodbrookers van dienst zijn.
Aanvankelijk stond Van Wijhe achter de partijleiding in haar steun
aan de mobilisatie. Al snel wijzigde hij echter zijn mening en werd
een vurig pleitbezorger van een revolutionair socialisme dat
imperialisme, militarisme en nationalisme afwees en sloot hij zich
als oppositioneel SDAP-lid aan bij het Revolutionair Socialistisch
Verbond (RSV). Hij werkte op openbare bijeenkomsten en als lid van
het dagelijks bestuur nauw samen met Henriette Roland
Holst. Ook was hij betrokken bij de dienstweigeringsbeweging,
onder meer als lid van het Uitvoerend Comité van de Actie voor
Consciëntievrijheid. Voorts ondertekende hij het
dienstweigeringsmanifest (september 1915), werd niet toegelaten in
de staat van beleg verkerende delen van Overijssel en Gelderland en
onderging in 1916 35 dagen hechtenis wegens ondertekening van het
manifest.
Nadat hij op het partijcongres van 8 januari 1916 vrijwel geen
steun had gevonden voor zijn inzichten, bedankte Van Wijhe als lid
van de SDAP, een voor hem pijnlijke beslissing. Toen het RSV opging
in de Sociaal-Democratische Partij (SDP) sloot ook Van Wijhe zich
hierbij aan. Hij werd nu medewerker van De Tribune en stond
bij de Tweede Kamerverkiezingen van 1917 kandidaat in diverse
districten. Met enthousiame begroette Van Wijhe de Russische
revolutie. Zijn revolutionaire opvattingen blijken ook uit zijn
lidmaatschap van de Bond van Revolutionair-Socialistische
Intellectueelen (BRSI). Hij was (als opvolger van B. de Ligt) voorzitter
van oktober 1920 tot de opheffing in februari 1922. Ook uit
artikelen in De Nieuwe Tijd van zijn hand komt zijn
sympathie met het communisme naar voren, evenals uit zijn
betrokkenheid bij het Comité van Intellectueelen tot steun aan de
Hongerenden in Rusland.
Teleurgesteld in het verloop van de Russische revolutie bedankte
hij later echter als lid van de CPN. Van zijn werkzaamheden op het
terrein van het religieus-socialisme is zijn medewerking aan de
zondagochtend en -avondbijeenkomsten van het
Religieus-Socialistisch Verbond te noemen. Van meet af aan was Van
Wijhe betrokken bij Kerk en Vrede, de in 1924 opgerichte
christen-antimilitaristische vereniging. Zijn felle
antimilitaristische overtuiging – 'Het kan niet. Het mag niet. Het
zal niet' – droeg hij in vele lezingen en debatten uit. Tevens was
hij lid van de Centrale Propaganda-commissie van Kerk en
Vrede.
In 1926 verliet Van Wijhe met pijn in het hart zijn geliefde
Barchem om een benoeming te aanvaarden als hoofdredacteur van
Kerk en Volk, het weekblad van de vrijzinnig hervormden. Hij
ging daartoe in Amersfoort wonen. Dit blad was mede de vrucht van
Van Wijhe's jarenlange streven om de vrijzinnig hervormde pers op
een hoger niveau te brengen door een toegankelijk en cultureel
verantwoord blad uit te brengen. Het redacteurschap, dat een
bekroning van zijn streven had moeten worden, werd echter een
desillusie. De afstemming op andere bladen en de koers van het blad
waren omstreden. Dit leidde tot conflicten, waarop Van Wijhe in
1928 teleurgesteld zijn redacteurschap neerlegde. Bovendien verloor
hij in dezelfde periode zijn vrouw. Hij hertrouwde nog in datzelfde
jaar met de romanschrijfster Alie Smeding. Haar romans deden,
vooral door haar voor die tijd openhartige behandeling van
seksualiteit en het aan de kaak stellen van wat zij zag als
huichelarij in orthodox protestantse kringen (waaruit zij zelf
afkomstig was), veel stof opwaaien. Van Wijhe had het in een
kritiek voor haar opgenomen, waarop verder contact was
gevolgd.
Na haar huwelijk bleef Alie van Wijhe-Smeding zich ten volle wijden
aan het schrijven van romans en trad zij in het kerkelijk
gemeenteleven minder op de voorgrond. Van Wijhe was na zijn
redacteurschap achtereenvolgens predikant in de zeer kleine
vrijzinnig hervormde Zuidhollandse gemeente Nieuwveen (1928) en in
Purmerend (1931). Wegens een conflict met een collega verliet hij
deze laatste gemeente al het jaar daarop, toen hij een beroep naar
Vught aanvaardde. Daar vond Van Wijhe weer een vruchtbaar
werkgebied waar hij zijn energie kwijt kon. Vooral het jeugdwerk
had zijn hart. Hij besteedde veel aandacht aan de godsdienstige en
sociaal-culturele ontwikkeling van jongeren zowel op catechisatie
als in de clubs van de plaatselijke afdeling van de Vrijzinnig
Christelijke Jongeren Bond (VCJB). Van Wijhe nam het initiatief tot
de bouw van het kampeerhuis De Blokhut bij St. Michielsgestel, dat
ook een functie kreeg voor de landelijke Vrijzinnig Christelijke
Jeugd Centrale (VCJC). Hij ontwikkelde tevens goede banden met het
rooms-katholieke volksdeel en met de in Vught woonachtige en op
sociaal en cultureel gebied actieve familie Van Beuningen-Fentener
van Vlissingen, die betrokken was bij de Morele Herbewapening. Ook
Alie van Wijhe-Smeding ontwikkelde een zekere affiniteit met deze
beweging, maar was toch ook weer te kritisch en te
individualistisch om zich er bij aan te sluiten.
Na haar overlijden vond Van Wijhe een nieuwe levensgezellin in de
overtuigde sociaal-democrate Iet Ensink, die hij nog kende vanuit
zijn jeugd. In 1943 kreeg Van Wijhe steun in zijn gemeentewerk van
N. van der Veen, zoon uit het eerste huwelijk van Iet Ensink en
student theologie in Groningen. Hij had daarom verzocht mede
vanwege de toename in het werk door het in januari 1943 in gebruik
genomen concentratiekamp Vught, waar hij onder meer gevangenen
bezocht en correspondentie voor hen verrichtte. Van Wijhe raakte
betrokken bij het verzet. Het kampeerhuis in St. Michielsgestel
stelde hij beschikbaar als onderduikadres voor joodse kinderen. Van
der Veen was actief in het daartoe opgezette hulpnetwerk. Toen de
beheerders verraders bleken en een aanslag op hen op 11 juni 1943
gedeeltelijk mislukte, moest Van Wijhe onderduiken. Onder de
schuilnaam Gerrit Vos bleef hij tot aan het eind van de oorlog
ondergedoken (en werkzaam in het verzet) in onder andere Tilburg,
Utrecht en Zeist.
Direct na de bevrijding van het Zuiden, eind oktober 1944, was Van
Wijhe weer in Vught. Bijzondere vriendschap sloot hij in de eerste
dagen na de bevrijding met pater H. de Greeve, die was vrijgekomen
uit gijzelaarschap in St. Michielsgestel en kamp Vught. Samen
verzorgden zij radiouitzendingen voor bevrijd Nederland vanuit de
Philipsstudio in Eindhoven. Bekendheid verwierf Van Wijhe door zijn
werkzaamheden in het Bewarings- en Verblijfskamp Vught, waar in het
kader van de zuiveringen en bijzondere rechtspleging 5000 van
samenwerking met de Duitsers verdachte gevangenen waren
ondergebracht. Van Wijhe was voor een strenge maar menselijke
aanpak van de geïnterneerden. Nadat hij diverse malen tevergeefs
sadistische excessen aan de orde had gesteld, gaf hij in november
1945 in eigen beheer en zonder rechtstreekse vermelding van de
auteur de brochure Het kamp te Vught uit, waarin hij een
gedocumenteerde beschrijving van de toestanden in het kamp gaf. Hij
was daarmee een van de eersten die openlijk de wantoestanden bij de
behandeling van politieke gevangenen aan de kaak stelde.
Na zijn emeritaat in 1946 was hij nog voorganger van de afdeling
Huizen van de Nederlandse Protestantenbond en vanaf 1949 voorganger
van de afdeling Amersfoort van de Vereniging van
Vrijzinnig-Hervormden. Hij werd er speciaal belast met de
geestelijke verzorging van de leden die in het Soesterkwartier, de
arbeiderswijk van Amersfoort, woonden. Tekenend voor de waardering
die hij daar ondervond was de huldiging die hij aan de vooravond
van zijn zeventigste verjaardag ontving van de arbeiders van de
Hegeraatfabriek. Voorts was Van Wijhe nog voorzitter van de
afdeling Amersfoort van Kerk en Vrede. Hij richtte zijn
christelijk-pacifistische overtuiging nu vooral tegen de
atoombewapening en de Koude Oorlog. Begin 1953 moest hij wegens
verslechterende gezondheidstoestand zijn werkzaamheden neerleggen.
Op zijn uitdrukkelijk verzoek werd hij in Barchem begraven.
PUBLIKATIES: Bezwaren tegen
Geheelonthouding weerlegd (St. Anna Parochie ca. 1908); Niet
naar het slagveld (Drachten 1915); Het 'manifest der
dienstweigeraars afgekeurd' (z.pl. 1915); Waarom
Dienstweigering? Verdedigingsrede voor de Rechtbank te Zutfen
(Amsterdam 1916); Hièr met de levensmiddelen. Wekstem tot de
hongerende vrouwen en mannen van Nederland (Amsterdam 1917);
'Wachter wat is er van den nacht?' Na vier jaren oorlog augustus
1914-augustus 1918 (Barchem 1918).
LITERATUUR: J. Giesen, Nieuwe geschiedenis. Het
antimilitarisme van de daad in Nederland (Rotterdam 1923) 22,
32, 48-55, 73, 124; B. de Ligt, Vrede als daad I (Arnhem
1931) 303-304, 307; H. Roland Holst, Kapitaal en arbeid in
Nederland II (Rotterdam 1932) 200; J. Lindeboom,
Geschiedenis van het Vrijzinnig Protestantisme III (Assen
1935) 76; Vliegen, Kracht III, 149-150; K.F. Proost, Weg
en werk. Een eeuw drankbestrijding (Utrecht 1941) 90; H.C.
Touw, Het verzet der Hervormde Kerk I (Den Haag 1946) 557;
W. van Ravesteyn, De wording van het Communisme in Nederland
(Amsterdam 1948) 150, 152, 159, 173; H.J. Wilzen, A. van Biemen,
Samen op weg. Vijftig jaar ontmoeting tussen Christendom en
socialisme in De blijde wereld en Tijd en taak (Amsterdam 1953)
59; J.B.Th. Hugenholtz, 'In memoriam' in: Militia Christi,
18.7.1953; J. Lindeboom, Geschiedenis van de Barchem-Beweging
MCMVIII-MCMLVIII (z.pl. 1958) 28; A.J. Koejemans, David
Wijnkoop (Amsterdam 1967) 154, 168, 245; A.D. Belinfante, In
plaats van bijltjesdag. De Geschiedenis van de Bijzondere
Rechtspleging na de Tweede Wereldoorlog (Assen 1978) 94, 166,
233; H. Roland Holst-van der Schalk, Het vuur brandde voort
(Amsterdam 1979) 160-161; A. Pannekoek, Herinneringen
(Amsterdam 1982) 112, 185; K. Groen, Landverraad. De
berechtiging van collaborateurs in Nederland (Weesp 1984) 67;
L. de Jong, Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede
Wereldoorlog. Deel 12 (Amsterdam 1988) 508-509; X. Luttik, F.
de Wilde (red.), Op pad langs Rijnlandse dorpskernen (Alphen
aan den Rijn 1990) 140; B. van Dongen, Revolutie of
integratie (Amsterdam 1992) 277, 332-333; H. Noordegraaf,
'Portret van een rode dominee. Ds. M.C. van Wijhe, 1881-1953' in:
Tijd en Taak, 4.12.1993; C. Boer e.a. (red.), Het jonge
hart. Het verhaal van de Vrijzinnig Christelijke Jeugd Centrale
1915-1985 (Zoetermeer 1994) 143; 'Waarom schrijf je nooit
meer?' Briefwisseling Henriette Roland Holst-Henk Sneevliet
(Amsterdam 1995) 93-94; H. Noordegraaf, 'M.C. van Wijhe. Een rode
dominee in Vught' in: J. van den Eijnde (red.), Vught
vanouds (Vught 1995) 153-171; B.J. Flim, Omdat hun hart
sprak. Geschiedenis van de georganiseerde hulp aan Joodse kinderen
in Nederland 1942-1945 (Kampen 1996) 178, 188.
PORTRET: Marie Cornelis van Wijhe, particuliere
collectie.
Als je al lid bent kunt hier inloggen of klik hier om een lidmaatschap aan te vragen.