Deze website maakt gebruik van cookies. Klik hier voor meer informatie.      Sluiten
 
0 stemmen

diverse herinneringen uit de jaren 1940/1945

Volgende Vorige Overzicht
Avatar van op 9/7/11 door Jan de Boer

diverse herinneringen uit de jaren 1940/1945

In Ede gewoond vóór 1940.
 
In 1939 hebben we ongeveer een half jaar in Ede gewoond, omdat het bedrijf van mijn vader en compagnons, destijds Bruinsma & Gebr. De Boer, daar een gebouw voor defensie moesten bouwen. Dit was naar ik weet een opleidingsschool voor reserve officieren.
Wat ik van deze periode weet is, dat we vanuit de Kruislaan in Enkhuizen gingen verhuizen, met een vrachtauto van Gebr. Roosendaal van het Verlaat. Een oplegger met een dubbele cabine. We zaten achterin de dubbele cabine met naar ik me kan herinneren zus Tjitske, broer Piet ikzelf en onze kat in een doosje of kistje, die in het begin onderweg erg miauwde. Dikke Klaas Roosendaal zat aan het stuur. De rest van het gezin ging met mijn vader in de personenauto ( Chevrolet 1935 ). Het was een lange reis, want er waren nog geen snelwegen, maar ik had veel te zien. In Ede aangekomen werd de verhuiswagen leeggehaald en begon ik het huis en de tuin te bekijken. We woonden op een hoek in een niet te grote woning, in mijn herinnering was dit een soort Patromonium woning.
Het adres heb ik altijd onthouden, dit was Brink no. 1. De tuin was voor mij prachtig, want in de Kruislaan hadden we maar een kleine tuin. Hier liep de tuin doordat de woning op een hoek stond met de weg mee, alles was gras met enkele bomen en een zandbak. In deze zandbak heb ik met een vriendinnetje vele uren doorgebracht.
Ik was niet op een school, maar de rest van de kinderen uit het gezin waren op een school met een groot plein  en een hoog stalen hek er omheen. Soms ging ik met mijn moeder de zusters en broer wel eens ophalen. ’s Zondags gingen we met mijn vader wel eens in het bos wandelen en kwamen dan ook langs een kazerne waar de soldaten waren gelegerd. Ik herinner me nog dat deze soldaten vaak op paarden reden en dan riepen ze wel eens tegen mijn vader: ha de Boer! Dit vond ik machtig. Wat ik in Ede als kind zo vreemd vond, was dat er vaak geen trottoirs waren en dat was ik vanuit Enkhuizen niet gewend. Er was een familie de Bruine waar we wel eens kwamen en waar mijn ouders na de oorlog nog regelmatig contact mee hadden. Er was geen man in dit gezin, die was vroeg overleden. Wel was er een dochter en een zoon. De zoon was vlak na de oorlog omgekomen door een granaat waar hij mee in aanraking was gekomen, hier ben ik achtergekomen toen wij na de oorlog daar een dagje waren met mijn ouders zus Corrie en broer Piet. Toen ik met broer Piet even op de heide was vonden we onder een dennenboompje een granaat, gelukkig hebben we hier niet te veel aangezeten, maar toen we het thuis bij de familie vertelden, schrokken ze erg en kregen we het verhaal over de verongelukte zoon te horen en moesten we vertellen waar de granaat lag.
We sliepen als kind op een zolder en weet nog dat ik op een matras op de vloer lag, want alles was tijdelijk en de woning dus eenvoudig ingericht. Waarschijnlijk lag er ook geen vloerbedekking want als ik ’s avonds op bed lag kon ik door een naad in de vloer naar beneden kijken.
Verder kan ik me van die tijd weinig meer herinneren, maar vlak voor het uitbreken van de oorlog waren we weer in Enkhuizen. Ik had lange tijd de gedachte dat we later weer naar Ede zouden gaan en weet nog dat ik vele malen aan mijn ouders vroeg wanneer we weer naar Ede gingen. Natuurlijk was daar geen sprake van, maar ik had lange tijd de gedachte dat we wel terug zouden gaan en vertelde dit dan aan mijn vriendjes.
 
 
 
 
 
 
 
 
Diverse herinneringen, als kind in de oorlog van 1940 – 1945.
 
Vlak voordat de oorlog uitbrak waren er veel militairen in Enkhuizen gelegerd en wel in de betonningsmagazijnen aan de Breedstraat. Kennelijk waren onder deze militairen nogal wat bekenden van mijn ouders want er kwamen regelmatig vele van hen bij ons op bezoek. Mogelijk ook nog bekenden uit Ede.
Het uitbreken van de oorlog kan ik me nog goed herinneren omdat ’s nachts de kerkklokken begonnen te luiden. Ik sliep op de voorkamer in de Kruislaan, mijn ouders kwamen op mijn kamer en mijn moeder vroeg aan mijn vader: wat is er aan de hand, mijn vader antwoordde er is oorlog en ik hoorde mijn moeder meerdere malen uitroepen; oorlog, oorlog, oorlog ….!
Ik weet niet of het de volgende dag al was maar we gingen bij de haven kijken, want er was een armada van schepen in aantocht, dit was een imponerend gezicht. Later bleek dat dit vissersboten e.d. uit Spakenburg en omstreken waren met evacués aan boord. De straten van Enkhuizen waren vol met mensen en ik weet nog dat er veel rommel op de straten lag, van de mensen die op straat liepen te eten. Bij ons werd een oudere man ondergebracht met de naam Muis uit Spakenburg, we noemden hem opa Muis. Zijn zoon en schoondochter Lambert en Peetje waren bij mijn oom Jan en tante Corrie ondergebracht, maar ook deze kwamen regelmatig bij ons eten. Opa muis droeg altijd een zwarte bolhoed en sliep daarmee over zijn ogen. Als hij zijn bord leeg had, maakte hij dit bord heel erg schoon met zijn vork, het leek wel of het bord zo de kast in moest. De evacués zijn zeker enige weken in Enkhuizen gebleven, tot na de capitulatie. Later stuurden we nog regelmatig een kaart naar de familie Muis.
De eerste jaren van de oorlog zijn voor ons redelijk rustig verlopen, alleen de eerste bommen op Enkhuizen vielen op een mooie zondag omstreeks 1 uur in de middag. Ik kwam net uit zondagsschool en daarom is het me zo bijgebleven.( later heb ik vernomen 6 okt.1940). Er waren enige huizen geraakt en een man was omgekomen, verder was er veel schade aan andere huizen. De woning was in de Tuinstraat en dat is weer dicht bij de Snouckstraat waar we in het begin van ons trouwen hebben gewoond. Het was eerst onduidelijk door wie er gebombardeerd was, dus of het Duitsers of Engelsen waren.
Later is gebleken dat het Engelse vliegtuigen waren, en dat hun doel schepen in de haven was.
Korte tijd later ben ik met mijn broer ter plekke geweest, maar kon niet goed begrijpen wat er allemaal was gebeurd en het drong later pas, langzaam tot me door wat een bombardement was.
De eerste dagen van de oorlog mocht ik niet bij de haven komen, hadden mijn ouders gezegd, er waren schepen gezonken, en het was daar te gevaarlijk.
We gingen later veel naar de haven, want daar lagen veel militaire schepen en daarbij was voor ons altijd veel te zien. De daar aanwezige militairen waren vriendelijk en vonden kinderen wel leuk. Alles werd wel schaars, maar dat ging voor ons als kind geleidelijk. Vooral later in de oorlog had je in de gaten dat je ouders eigenlijk altijd bezig waren om aan eten te komen voor een gezin met vijf kinderen. Mijn vader sleepte altijd met grote juten zakken vol met bruine bonen, winterwortels en als het mogelijk was tarwe. Vlees was niet verkrijgbaar en jus werd dan ook gemaakt van een beetje gebrande tarwe in wat schaarse olie en water. Brood werd zelf gebakken als er tarwe was in de door mijn vader gemetselde oven in de keuken of een klein plaatstalen oventje die boven op de kachel stond en door de warmte van de kachel werd verwarmd. De tarwe werd door de molen in Broekerhaven gemalen en later zelfs met een handkoffiemolen, dit vergde heel veel tijd om de hoeveelheid meel voor een brood te malen. Vooral het laatste jaar in de oorlog was er ook haast geen tarwe meer. De olie werd door mijn vader en oom soms clandestien gedraaid van blauwmaanzaad, maar vaak werd men gesnapt.
Mijn moeder ging wel eens op de fiets met tuinslang of houten banden om de wielen, naar Oosterleek, waar ze bij bekenden probeerde wat melk te krijgen, maar dan kwam ze thuis met twee flessen wei. Ook mocht ze op het land wel eens korenaren zoeken na het maaien, zodat we weer een zeer kleine hoeveelheid tarwe hadden.
Later werd suiker en stroop gemaakt van voederbieten. De bieten werden aan stukjes gesneden en in een gehakt molen gemalen. Daarna was het langdurig koken totdat er stroop ontstond of nog langer tot iets wat op bruine suiker leek. Langs de ramen stroomde het water van de vele condens die bij het koken ontstond. Er was voor de kachel veel hout nodig want kolen waren er later ook niet meer. Alles wat van hout was, werd als het kon gesloopt voor
brandhout en aan het einde van de oorlog had Enkhuizen haast geen bomen meer.
Als de kachel niet werd gebruikt kookte mijn moeder op een zogenoemd wonderkacheltje. Dit kacheltje stond op de gewone kachel, kon worden gestookt met houtsnippers en er was plaats voor één pan er op.
De gewone kachel was van plaatstaal gemaakt en was voorzien van drie gaten voor de pannen, zodat men de mogelijkheid had om met meer pannen te koken. Zelfs de pannen waren een probleem, want als er gaatjes ontstonden moesten deze worden gedicht met de zogenoemde lekstoppen. Dit waren twee dunne metalen plaatjes met daar tussen twee plaatjes asbest en een boutje er door, de ene helft kwam aan de buitenkant van de pan en de andere aan de binnenkant. Met het boutje werd het daarna vastgeklemd.
Doordat er de laatste maanden alleen maar bonen en bieten waren, aten we drie maal per dag bonen of bonensoep, soms met zelf gemaakte stroop van de bieten erop. Van de bietenpulp maakten mijn zusters wel koekjes, maar erg lekker waren ze niet.
 
Er kwam regelmatig een schoenmaker bij ons thuis, met schoenen. Maar ik vond dat mijn moeder wel eens iets leek te verstoppen en dat ze later naar de voorkamer liep, daar deed ze de kast open en rommelde tussen de lakens die daar lagen.
Toen mijn moeder een keer weg was keek ik tussen de lakens en vond een illegaal blaadje. Ik zei later wat ik had gezien, ze schrok eerst wel even, maar toen vertelde ze me dat ik daar nooit tegen iemand, daar iets over mocht zeggen, omdat zij en mijn vader, anders door de Duitsers zou worden doodgeschoten.
Deze schoenmaker noemde mijn moeder altijd buurman Kooi, terwijl de man op de Oudegracht woonde, dit begreep ik niet helemaal maar misschien was dat weer uit haar jeugd.
Op een dag kwam de schoenmaker weer, het was erg koud en de man ging zich warmen boven de kachel. Op deze kachel stond een grote pan met soep en van de schoenmaker zijn neus kwam een lange straal snot welke in de pan viel.
Alleen mijn moeder en broer waren aanwezig en die hadden het gezien. Ze hebben ‘s avonds niets tegen de rest van het gezin gezegd, alleen hadden ze geen trek en pas de volgende dag hebben ze verteld wat er was gebeurd.
 
In de laatste Oorlogswinter was er ’s morgens soms helemaal niets te eten, dan ging ik vroeg naar de Duitsers toe, die bij het kerkhof, aan het begin van het boslaantje een wachtpost hadden. Hier kreeg ik soms een hard koekje van de noodrantsoenen die ze soms bij zich hadden. De wachtpost diende om een kraaiennest te bewaken, die boven de bomen kwam als uitzichtpost. Het was een lange stalen mast waar een rond platform, bij omhoog kon gaan.
Ze hadden een onderkomen in het toenmalige Herfstzon. Hier waren ook de officieren die ons soms luid schreeuwend wegjaagden, maar enige tijd later waren we er weer. Er was een wachtlokaal van ronde houten stammen, half in de grond en half boven de grond, aan het begin van het boslaantje.
De wachten vonden het wel leuk en maakten een praatje met ons. Ze demonstreerden ons hoe je een kogel uit de huls trok en als je daarna het kruit op de grond deed, dan kon je het veilig in de brand steken, het slaghoedje in de huls daar moesten we voorzichtiger mee zijn, want als je daar op sloeg kreeg je als de kogel er af was een knal die een beetje gevaarlijk was.
Later hebben we deze kennis gebruikt om kogels die we vonden te demonteren, het kruit in de brand te steken en later de huls in een bankschroef te zetten, waarna we met een hamer een klap op het slaghoedje gaven en er een luide knal volgde. Dit vergde wel enige handigheid want anders sloeg de hamer door de explosie vanwege de terugslag uit de handen. Dit was natuurlijk niet goed maar wel spannend voor ons.
 
In Enkhuizen was een bedrijf van Gebr. de Hart, omdat er geen vrachtauto’s waren, werden veel materialen per paard en wagen vervoerd. Zo ook voor het aannemersbedrijf van mijn vader en mocht ik regelmatig met één van deze gebroeders de Hart, vaak meerijden en helpen.
Ze hadden de bijnaam de Kloon, waarom weet ik niet. De één woonde op de Dijk en was de vader van Jan de Hart, die bij mij op school zat, de ander was Cor de Hart en woonde op het Handvastwater tegenover de brug bij de Bierstal. De stal voor de paarden en wagens was ook op het Handvastwater richting Oude Gouwsboom. Ik ging wel eens mee naar omliggende dorpen, afval wegbrengen naar de Put bij de Noorderdijk, mocht helpen de paarden verzorgen, hooi opladen van het land, enz. Soms at ik wel eens een stuk lijnkoek voor de paarden op tegen de trek.
Een keer bij dit hooiladen en bij elkaar harken, vond ik een grote patroonband van zware mitrailleurkogels, ik denk dat deze wel een lengte van ongeveer anderhalve meter had. Ik riep de Hart en deze zei tegen mij niets zeggen, houd je stil en gooi hem in de sloot. We waren bij de Immerhorn polder bezig aan de Noorderdijk, dus wel erg dicht bij de Duitsers die daar in de bunker waren gelegerd en vanuit hun koepels alles in de gaten hielden.
Mogelijk was deze patroonband van een neergestort vliegtuig geweest.
 
Op een dag zijn we met een van die Duitsers gaan wandelen over de Noorderdijk. Hij vertelde ons dat hij scherpschutter was en dat hij aan het oostfront was geweest. Ik vroeg aan hem schiet die zeemeeuw die daar vliegt dan eens dood. Nee, antwoordde hij, dat doe ik niet want je mag niet onnodig doden. Wacht maar zei hij, hij laadde zijn geweer door en liep hard de dijk af en tijdens het lopen schoot hij op een houten paal van de elektriciteit draden. Daarna liepen we naar de paal toe en we zagen precies in het midden van de paal een gat van de kogel. Dit maakte een grote indruk op ons. ( ons is meestal ikzelf en Japie Zwier).
 
We speelden veel bij het water aan het IJsselmeer, er was toen nog geen opgespoten land waar nu het recreatiegebied is. Het water liep op veel plaatsen bijna tegen de zeemuur. Zo speelden we een keer in het riet ter hoogte van het kerkhof. Plotseling zagen we iets tussen het riet drijven, ik en Klaas Gorter raakten het voorwerp aan. Hierdoor kwam het voor een groot deel boven het water en schrokken we heel erg, want het bleek een hoofd te zijn. De ogen waren wit als het wit van een ei, het haar hing langs het hoofd en was dun en slijmerig.
We renden snel uit het water en gingen weer richting Noorderweg. Waarschijnlijk heeft Klaas Gorter het tegen zijn vader verteld die bij de Politie te Water was. Niet lang daarna reed politie Ubels over de Noorderweg, met een zwart leren zakje bij zich, richting dijk en kwam enige tijd later terug met een gevuld zakje, met de vorm en ter grootte van een hoofd.
 
Ook zijn we een keer over de strekdam van het Krabbergat gelopen, richting misthoorn.
De haven en buitenmuseum bestonden toen nog niet en de dam lag vrij in het water.
We vonden het spannend hier een keer te lopen, na enige tijd stonden we bij de misthoorn en liepen er rond omheen. Even later hoorden we iets van plop plop en zagen we iets in het water komen, wat steeds dichterbij kwam. Toen het uiteindelijk de dam bereikte, hadden we in de gaten dat we werden beschoten en renden weer hard terug richting zeemuur. Danig geschrokken maar niet echt ontdaan gingen we weer verder. Mogelijk hebben Duitsers op ons geschoten, vanuit de bunkers op de Noorderdijk omdat het van die richting kwam. Misschien was het verboden gebied.
 
Begin 1945 zijn we nog een keer voor kogels gevlucht. We stonden aan de zeemuur ter hoogte van de speelweide en keken naar een half gezonken schip, wat in het IJsselmeer lag, richting Krabbersgat.
Plotseling kwamen er twee vliegtuigen welke het schip beschoten. We vonden het spannend en bleven er naar kijken en lachten eigenlijk, omdat het schip al beschoten was geweest.
Plotseling zagen we aan de lichtkogels die laag over ons heen kwamen, dat er in onze richting werd geschoten. We renden naar de richting van het kerkhof en het Boslaantje, maar het vreemde was dat de kogels ons bleven volgen totdat we in het laantje waren en we door de dikke bomen werden beschermd. Even geschrokken, maar daarna waren we met iets anders bezig.
 
We zijn nog een keer geschrokken toen een paar aangeschoten Duitsers op de Noorderweg liepen, richting bunkers aan de Noorderdijk. Plotseling haalden ze de geweren van de schouders en begonnen lukraak in de rondte te schieten, niet gericht maar we vlogen in de portiek van het huis waar Klaas Gorter woonde en doken in elkaar.
Gelukkig gebeurde er verder niets.
 
Vooral in de laatste maanden van de oorlog gingen er ongelooflijk veel bommenwerpers over Enkhuizen, richting Duitsland. Er waren honderden vliegtuigen, de ene golf was onderweg naar Duitsland en de andere kwam al weer terug. Dit ging bijna de gehele dag en nacht door.
Deze vliegtuigen werden door Duitse jagers aangevallen en er waren dus vaak luchtgevechten. Ook werden ze vanaf de bunkers beschoten en zag je witte wolkjes naast de bommenwerpers komen. Regelmatig stortte een vliegtuig neer, maar meestal in het IJsselmeer.
Een keer zal ik nooit vergeten, want dat was zeer dicht bij. De gehele dag was het al onrustig geweest met zeer veel overvliegende bommenwerpers. Soms kon je moeilijk in slaap komen vanwege de overvliegende vliegtuigen, omdat de gehele lucht trilde van de motoren.
Uiteindelijk sliep ik en hoorde een enorm lawaai van een vliegtuig. Ik keek uit mijn achterraam van de slaapkamer en zag dat ter hoogte van het Sybrandsplein een brandend vliegtuig vloog. De vlammen kwamen vanaf de motoren en trokken naar de achterkant van het vliegtuig. Het was één velrode vuurzee van voor naar achter. Hij vloog zo laag dat hij bijna de grote boom raakte die daar op de hoek van het water stond. De boomtakken werden meegezogen in de richting waar het vliegtuig naar toeging. Hij kwam van richting Spaanleger en ging naar het IJsselmeer.
Even later hoorde ik een enorme explosie en toen was het onwezenlijk stil, waarna ik toch in slaap ben gevallen.
De volgende morgen ging ik met mijn broer kijken bij de boom en het water van het plantsoen, terplekke waar het vliegtuig zo laag was overgevlogen en bijna de boom had geraakt. Ik keek in het water, wat op dat moment zeer helder was en zag op korte afstand van de walkant iets liggen, ik pakte het en het bleek een popje te zijn, iets van een aapje met meerdere kleuren, een soort talisman. We kregen sterk de indruk dat dit uit het vliegtuig was gevallen.
Mijn broer trok het uit mijn handen en ik kreeg het niet meer terug. Enige tijd later zag ik hem weer en toen liep hij met een koperen winkelbel. Die heb ik geruild voor het aapje zei hij. De gehele ochtend liep hij met die bel op straat, maar toen kwam hij ineens met een oude pick-up en grammofoonplaten. Ja, zei hij, ik mag van Visser ( winkel hoek Heiligeweg-Noorderweg) dit vandaag gebruiken, als hij die bel voor zijn winkel mocht hebben. De pick-up moest je opwinden, maar de veer was te slap en dus draaide de plaat te langzaam. De muziek klonk niet best en daarom draaide hij met zijn hand de plaat een beetje mee.
Aan het eind van de dag moest alles weer naar de winkelier terug, dus had hij niets meer en ik was dat popje kwijt.
 
Ook was er een periode dat er regelmatig V1 raketten overkwamen, die in Gaasterland waren gelanceerd, met het doel grote plaatsen in Engeland te raken. Deze raketten gaven een vreemd eentonig geluid en hadden een vuurstraal aan de achterzijde. Gelukkig is er bij Enkhuizen zo ver ik weet nooit een neergestort, wat ook wel eens gebeurde.
 
In de laatste maanden van de oorlog was er meestal geen elektriciteit, dus ook geen verlichting en soms een periode geen drinkwater. Drinkwater mochten we bij familie Zwier, op de Heiligeweg halen uit de regenwaterput en ander water haalden we met emmers uit het plantsoen. Gelukkig kon mijn vader nog wel eens iets van eten krijgen bij kennissen. Hij heeft wel eens gezegd dat boer Stavenuiter van de Noordergracht, wanneer mogelijk altijd heeft geholpen en dat hij daar wel dankbaar voor was. Deze familie woonde toen nog op de hoek Kruislaan – Noordergracht en is later naar de hoek van de Noorderweg verhuisd.
Als verlichting gebruikten we voor het huis een olielamp, maar als de olie op was hadden we een klein kommetje, met daarin iets van olie, die je ook voor het eten gebruikte, daarin was een klein drijvertje met een pit er in, welke werd aangestoken. Zo hadden we toch wat verlichting. Het gaf minder licht dan een kaars, maar je kon er iets bij zien. Vaak deden we een spel mens erger je niet, of in een boek te kijken. Ik plaagde de familie wel eens door hard een blad van een boek om te slaan waardoor het lichtje uitging.
Ook lucifers waren schaars, maar mijn vader sneed dunne houtjes en stak deze in de brand, tussen het onderrooster van de kachel.
Een enkele keer hadden we tijdelijk elektriciteit, want dan zorgde mijn vader voor een clandestiene aansluiting. Dit was ten strengste verboden en niet zonder risico.
Ook hebben we het wel gehad dat er hard op de voorramen werd geslagen en dan werd er geschreeuwd: “licht aus”. Dan werd snel het licht uitgedaan en was iedereen doodstil van de schrik.
Mijn vader heeft in de plaats van overgordijn, houten raamwerken met karton voor de ramen gemaakt, omdat gordijnen nooit zo afsloten dat je buiten niets zag.
De gordijnen werden als aanvulling voor de dekens op bed gebruikt, want de winters waren koud en er was alleen een kachel in de kamer die ’s nacht niet brandde. Bovendien waren de huizen niet geïsoleerd.
Vaak heb me er later over verwonderd, dat onze ouders het gezin draaiende konden houden.
Zorgen dat er eten voor vijf kinderen op tafel kwam en bovendien lag mijn oma de Graaff, lange tijd in de achterkamer omdat ze ernstig ziek was en in januari 1945 overleed.
Kleding en schoeisel waren natuurlijk ook een probleem. We hebben dan ook veel op klompen gelopen of op verzoolde klompen. Het maken van klompen en verzolen daarvan, werd ook in de werkplaats van mijn vader gedaan, maar dan was het vinden van hout weer een probleem. In ieder geval zijn een aantal bomen op de Noordergracht hiervoor gesneuveld.
Dit was nog weer een gevecht met de gemeente, maar de bomen stonden op de walkant, waarvan het bedrijf van mijn vader de eigenaar was.
 
Doordat er tamelijk veel Duitsers in de bunkers aan de Noorderdijk waren, liepen ze regelmatig in marstempo over de Noorderweg. Hierbij zongen ze dan meestal de bekende liederen.
Wij gingen ook geweren maken en liepen dan in een rij over de weg. Een Duitser heeft toen wel eens tegen ons gezegd dat dit eigenlijk niet leuk was voor kinderen.
 
We hadden veel vrij van school, want veel scholen waren door de Duitsers gevorderd. De laatste maanden van de oorlog was de school in de Peperstaat weer vrij en mochten we er weer in. Hierdoor hadden we veel tijd om te spelen maar vervelen deden we ons nooit. We bouwden hutten van alles wat we konden vinden, in de herfst van bladeren en in de lange koude winters, maakten we sneeuwhutten en kastelen. Bovendien was er geen verkeer op de wegen. We hielden hoepelwedstrijden en liepen dan gehele stad rond via de vestingwallen en via de haven en de zeemuur terug.
Ook hadden we nog een kano gemaakt van een reserve benzine tank die door vliegtuigen was afgegooid. Later kregen we nog een tweede van mijn neef Maarten Schouw uit de Streek. We gingen in de polder varen en op het IJsselmeer, wat natuurlijk niet zonder gevaar was.
 
Een van de angstige momenten was ook na de inbraak bij de ijsfabriek in Enkhuizen, hierbij was een aanmerkelijke hoeveelheid voedsel weggenomen, wat van de Duitsers was. De Duitsers wilden wraak nemen en gijzelaars pakken. Gijzelaars waren meestal mensen die bij de bevolking bekend waren. Mijn vader was bekend in Enkhuizen en hij was zeer gespannen, omdat hij het niet onmogelijk achtte dat hijzelf gepakt kon worden, als kind voelde ik de spanning heel goed.
Hij vertelde later dat de toenmalige burgemeester met de Duitsers had overlegd en dat er een compromis was gesloten, als er binnen enkele dagen een flink geldbedrag door de bevolking bijeen werd gebracht, als schadevergoeding, dat er dan geen gijzelaars zouden worden genomen.
Kort na de oorlog hoorde ik van iemand uit de omgeving van de inbraakplegers, dat deze groep een heel mooi feest hadden gehouden, van het weggenomen voedsel. Ik vond dat deze mensen, wel een groot risico hadden genomen ten koste van andere inwoners.
 
Regelmatig kwam er vooral s’avonds bij ons iemand thuis, hij heette Jaap Kofman, woonde in de Vijzelstraat en of hij voor een van mijn zusters kwam weet ik niet, maar hij deed spelletjes met ons of hij was bezig een pentekening te maken van de Bocht.
Als ik aan hem vroeg of hij soms een onderduiker was dan antwoordde hij niet. Wel had hij bij onraad een vluchtplan via onze tuin in de Kruislaan, over de schutting en via de tuin van de familie Heijman, zou hij proberen weg te komen.
 
Wat ook veel indruk op me heeft gemaakt, waren de hongertochten. Veel mensen met kinderen gingen over de Noorderweg, richting Andijk en verder. Ook kwamen ze langs de deuren om voedsel, ze vroegen om een aardappel en als dat er niet was de schillen hiervan of iets anders wat eetbaars was.
En dan te bedenken dat bij onze overburen familie Donker, met enige regelmaat een flink feest werd gegeven tot in de kleine uren, waarbij een aanmerkelijk aantal Duitsers aanwezig was en er naar mijn mening flink werd gedronken en gegeten. Bovendien was er verlichting in het gehele huis, die bij ons thuis ontbrak. Als directeur van de Werf waren er kennelijk goede kontakten met de Duitsers.
Mijn slaapkamer raam was toen aan de Kruislaan en ik kon dan ook moeilijk in slaap komen en ook het een en ander waarnemen.
 
In de laatste dagen van de oorlog kwamen er ook veel Duitsers over de Noorderweg, die op de vlucht waren en ook honger hadden.
Op een dag liep ik in de poort naast ons huis in de Kruislaan, toen er plotseling een Duitser met geweer mij opzij duwde en langs mij liep en het huis binnenging waar alleen mijn moeder binnen was. Van schrik bleef ik minuten lang staan totdat de Duitser weer langs kwam en weg liep. Mijn moeder was binnen en vertelde geschrokken dat de Duitser veel kasten had opengemaakt en gekeken of er iets te eten was. Ach, zei mijn moeder, ik begrijp wel dat die man ook honger heeft.
 
Toen de Wieringermeer onder water werd gezet kwamen er weer veel boeren met wagens over de Noorderweg op zoek naar onderdak op een andere plaats.
Dreigend was de situatie nog, toen werd gezegd dat de polders bij Enkhuizen onder water zouden worden gezet. Het bedrijf van mijn vader moest nog dezelfde dag zorgen dat de Oude Gouwsboom zou worden afgesloten Hiervoor werd aan de polderzijde een dam gemaakt van houten damwand en grond. In deze dam werd een spuikoker gemaakt om als de waterstand in de grachten van Enkhuizen te hoog werd toch te kunnen lozen in de polder. Tijdens het inheien van de houten damwanden zongen de werklieden zogenaamde heiers liederen, met een wat gewaagde inhoud en wat ik eigenlijk niet mocht horen. Ook op andere plaatsen zoals de Boerenboom enz. werden deze maatregelen genomen. Ik denk dat alle aannemersbedrijven en anderen waren ingezet, want alles moest in zeer korte tijd gebeuren.
Gelukkig is het onderwater zetten niet doorgegaan en zijn de dammen meteen na de oorlog weer verwijderd.
 
Op een dag dat we weer naar school gingen, omdat deze weer was vrij gegeven door de Duitsers, vlogen plotseling twee grote vliegtuigen zeer laag over de school. De kinderen doken van schrik onder de banken, maar meester Wiersma stelde ons gerust en vertelde dat deze vliegtuigen voedsel naar beneden zouden gooien.
Kort daarna was er weer brood, het zogenoemde Zweedse wittebrood, een belevenis die je nooit vergeet, wat een traktatie. Later dan nog het vlees in blik iets van ,,Porkey Porkey” en de harde koekjes uit de beroemde blikken. Brood met varkensreuzel wat een heerlijkheid.
 
Van de bevrijding kan ik me nog herinneren, dat er veel geruchten waren. De haven was ineens geheel leeg en er was geen Duitser meer te zien. Ik was met Jaap Zwier vroeg in de morgen bij de haven, ter hoogte van het park dreef een blik langs de kant in de haven. We haalden het blik uit het water en kregen het idee dat dit door de Duitsers in het water was gegooid. We maakten het blik open en het bleek gevuld te zijn met 10 lt. petroleum. Trots namen we het mee naar huis en lieten zien wat we hadden gevonden. Jaap zijn moeder wilde er niets van hebben, dus nam ik het zelf mee naar huis, waar we het heel goed konden gebruiken.
Waar ik de petroleum nog meer voor heb gebruikt, heb ik op advies van Trien Bakker gedaan. Deze was een beetje de zelfgenezer van Enkhuizen en zei altijd, petroleum is overal goed voor. Omdat ik op dat moment voor de derde keer schurft had en de stinkende zalf maar niet hielp, heb ik mezelf bij ons achter buiten geheel uitgekleed en mijn lichaam volledig ingesmeerd, met petroleum uit het gevonden blik De rest van de familie heeft smakelijk om de vertoning moeten lachen, maar ik was voor altijd van die zeer vervelende schurft en dus ook die stinkende zwavelzalf verlost!
 
Op de dag dat er Engelse bevrijders zouden komen waren er de gehele dag geruchten. Het was mooi weer en ik heb uren lang met vele andere mensen in de Nieuwe Westerstraat staan wachten, ook in de avond kwam er niets zodat we uiteindelijk via de Westerstraat en Vijzelstrraat naar huis zijn gelopen. In de Westerstraat stond voor de voormalige zeevaartschool nog een Duitser op wacht, terwijl er veel mensen langs liepen in een opgewekte stemming. Pas de volgende dag kwam er een jeep met een chauffeur en een hoge militair en dat was volgens mij alles.
 
De dagen daarna werd alles versierd en werden er buurtverenigingen opgericht. Bij iedere ingang van de straat was wel een erepoort gemaakt. Vaak van aardappelkisten in de kleuren van de Nederlandse vlag geschilderd. Er werden spelen georganiseerd en het leek wel of het weken feest bleef. Het leek wel of iedereen op dansles was en op diverse plaatsen werd gedanst.
 
 
Dit zijn maar ,, kleine” voorvallen geweest, vergeleken wat mensen op andere plaatsen tijdens deze jaren hebben meegemaakt, maar toch hebben ze een behoorlijke indruk achtergelaten.
En dan te bedenken wat daarna is gebeurd, wat er nog steeds gebeurd en dat regeringen zo makkelijk besluiten om aan een zinloze oorlog deel te nemen. Hoeveel mensen worden er onherstelbaar, voor hun hele leven beschadigd.
 
 
 
 De mensen waren er allemaal van overtuigd dat de wereld na deze oorlog definitief zou veranderen, maar daar is jammer genoeg niets van terecht gekomen.
 
 
 
J. de Boer geboren 22-08-1935.
 
 
 
 
 
 
Ps.
 
Het bombardement op Enkhuizen van 15 maart 1945 heb ik al eerder weergegeven.
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Om op artikelen te kunnen reageren moet je als lid ingelogd zijn.
Als je al lid bent kunt hier inloggen of klik hier om een lidmaatschap aan te vragen.
Commentaar op dit artikel:
1 reactie op dit artikel
  • Familie de graaff
    Gepost door ada klanke-de boer, op 6/4/12
    Prachtige verhalen lees ik hier. ik ben hier terecht gekomen omdat ik familie de graaff wil uitzoeken, en volgens mij bent u hele verre familie van mij. Mijn overgrootvader is Jochem de Graaff is gehuwd met Neeltje Bakker, zijn vader is Gerrit de Graaff gehuwd met Jansje Zwaan. Ik hoop dat u nog meer gegevens voor mij hebt. vriendelijke groet, Ada Klanke-de Boer

Volg ons via RSS
Volg ons op Twitter
Volg ons op Facebook
Volg ons op Youtube