Deze website maakt gebruik van cookies. Klik hier voor meer informatie.      Sluiten
 
0 stemmen

De redding door de EH 10

Volgende Vorige Overzicht
Avatar van op 29/12/09 door Cor Edelenbosch

De redding door de EH 10

De familie Edelenbosch stond bekend als sjouwhaalders. Echter tot mij verbazing kwam ik onderstaand artikel, wat over mijn opa gaat, tegen. Het artikel is geschreven in de trend zoals mijn opa sprak. Tijdens het overtypen heb ik diverse lachbuien gehad want ik hoorde het hem zeggen.

Maar ook vervulde het artikel mij met trots want hij was niet alleen een sjouwhaalder, maar ook een mensenredder. Dus 31 jaar na zijn overlijden is het als kleinzoon toch leuk om nog iets van je opa tegen te komen.

Cor Edelenbosch

De redding door de EH 10

Verteld door Cor Edelenbosch

Het gebeurde in het jaar 1926 toen we op haring en ansjoop visten bij Aaike Broer op de EH 10. ’t Was 1 juni en broeierig weer. We schoten de ansjovisnetten bij de Vuurtoren en omdat de ansjaap wel eens kort bij die stenen kwam en je ze daar dan zo dik vangen kon, schoten we de netten met twee lagen in de dijk. Met het eerste stelletje schoten we uit de dijk, maar bij ’t tweede zo op de dijk toe. Maar dan weet je niet wat in broei zit, want als ’t verkeerd wil zit je meteen op de dijk. Maar we troffen ’t, we wazze d’r net van af en daar kwam die, uut de zuudoosten en waaien voor momenten! We zeilden nog van top maar die bui gaf zo allemachtig veel wind dat de fok d’r af moest. Nu waren er toentertijd ook veel Zeeuwse mosselvissers in de weer daar in de buurt.

Dat waren toen meestal van die hengsten en hoogaarzen. Soms kwamen ze nog op de zeilen maar er waren er ook toen al, vooral de grotere, die er een motor in hadden, dan konden ze gauwer over en weer en konden ook met stilte vissen.

Dat toen we de fok neergehaald hadden stond ik op de plecht en kon een paar van de mosselevissers zien en ik roep. “Dat gaat niet goed daar met die Zeelander deer!”

Ik zag al dat er damp achter uit die motorkast kwam bij em, dat die motor stond al in ’t water. Toen was er al zo veel wind dat wij op em toe met het kale zeil. De vlet daar wij die netten in haalden, daar ging twee man in, want we zagen al dat er zat een op een plank en een zwom. Eerst probeerden ze op de kop te komen, want daar zat nog lucht in, maar ja, die ging vanzelf ook onder. Dat ik bleef met Aaike Broer in de botter en zullie, dat waren m’n broer Jan (Edelenbosch) en Klaas van Kuik, gingen met de vlet. Met de botter gingen we achter die kerel die zwom aan, want er liep eb en hij ging steeds noorduut. Ik tegen Aaike: “Ik zal een end touw klaarmaken, rond geslagen en als je tegen ’m an binne moet je hem direct op de wind gooien dat de vaart er uut is!” Dat tegen dat ie bij hem was zeg ik: “Zie dat je ’m op de wind krijgen, gooi ’m bij.”

Dat hij gooide ’m bij en ik gooide ’m krek dat touw in zijn hand. Het andere end stond op de dol dat al was ie nog zo zwaar, dat zat wel goed vast. Toen de botter bij lag konden we ’m met dat touw naar ons toehalen. Nou hadden we in de regel een gummiband met een end touw er an van achter op de stuit hangen. Dat was als de vlet aan boord most om ’t stoten tegen te gaan. Dat toen die kerel aan boord moest, kon ie z’n poot in die band steken en pakten wij ’m bij de rug en hebben ’m overend gehaald. Hij is toen omlaag verdaagd en was meteen van de kaart, dat we waren net op tijd geweest.

De schipper en nog een zaten op een plank, die zijn door de vlet opgepikt en waren er beter aan toe. Effe daar na, toen we ze zo goed en wel hadden was ’t net zo blak, ja, dat is broei. We zijn toen met die Zeelanders in de haven verdaagt en later hebben ze ’m gelicht die hengst. ’t Was de YE 9 (Yerseke). Aaike Broer het nog op Andijk gelopen voor collecte voor die mensen.

Kees Visser, ze noemden ’m de Ram, die heeft nog geholpen. Dat heeft nog wel een honderd gulden of zeven acht opgeleverd die week. Dat hewwen die mensen toen met z’n drieën gedeeld. In die zelfde bui is er in ’t Wagenpad nog zo’n mosselevisser bleven, die benne allemaal verdronken.

Je hebbe nou gezien wat broei is, zo is ’t blak en zo heb je een brok wind. Denk er om als je op ’t water benne en ’t is broeierig, donderen, zorg dat je je fok zo naar beneden kan. Weet je wat wij nog veur hadden op die botters hier? Wij konden onze nok weghalen, dus dan haalde je al een heel stuk zeil weg. We hadden een binnen en een nokkeval. Als je nu het nokkeval los maakte viel de nok van de gaffel naar beneden en hield je een driehoekig stukje zeil over. Om te voorkomen dat die gaffel ging slaan zat er een riegsel aan. Dat waren twee lijntjes van de nok van de gaffel en die liepen door een oogje op de helft, of iets hoger, van het voorlijk naar beneden. Daarmee trok je dan de gaffel tegen de mast aan. Dat was ook erg gemakkelijk met het schieten van de netten als er te veel wind was. Ik heb dus verteld dat we die teelt bij Aaike Broer visten, nu, dat was ook een mens apart. Hij was niet getrouwd, dat hij woonde op z’n botter. ’t Was een goed visserman, fel en toch sekuur, z’n grootste fout was dat ie ontzettend dronk en dat was feitelijk jammer. Ook was ie mank en ze zeiden wel eens tegen ons, “Ben jullie niet bang als ie jullie op moet pikken met de vlet?”Maar nee hoor, hij was sekuur genog.

Voor de botter heeft ie nog een jol gehad want hij heeft ook nog op Andijk gevist en was toen bij z’n broer in de kost, m’n broer Jan heeft als jongen ook nog bij ‘m gevaren daar. De botter die hij in ’24 of ’25 kreeg, kwam van Huizen af, d’r stond nog een Huizer nummer in ’t zeil maar het laatst had hij voor plezier gevaren. Nu had ie zelf nooit een cent omhanden, alles ging in de drank, maar hij had hele goede familie in Hoogkarspel wonen en die hebben hem toen aan dat bottertje geholpen. Die mensen hadden vroeger ook om ansjoop gevist maar waren in de bouw verdaagd en voor hullie eigen begonnen. Wanneer we averij hadden dan kwamen die lui om te boeten en op te steken, want dat konden ze allemaal en ze lieten ‘m evengoed niet in de steek. Afijn, dat bottertje moest een beetje veranderd worden voor de visserij en toen het klaar was ging Aaike het halen. Toen hij naar Amsterdam, en te drinken! Hij had de centen in z’n zak, maar die raakten ook al gauw op. Dat hij zegt tegen de hellingbaas: “Nou, let ‘m maar zakken. “Ja,” zegt die kerel, “maar ik wil eerst wel eens centen zien,” want die had vanzelf wel deur dat ie almaar een stuk in z’n kraag had. Toen moest ie weer naar z’n familie om centen, maar ze hielpen ‘m altoos. Met de ansjoop was het de gewoonte dat als je ’s morgens binnenkwam, dan moest je bij de afslag opgeven hoeveel je gevangen had. In de regel ging Aaike naar de afslag maar dan kwam ie nooit meer terug, want dan ging ie zitten zuipen. Toen op ’t lest zei m’n broer en Klaas: “Zeg Cor, ga jij in ’t vervol die ansjoop mar opgeven want hem zien we nooit weer terug!” Dat jaar was ’t in ’t begin van ’t haringvissen ook slecht en toen lagen we in Medemblik en hadden een van allen een stuiver in onze zak, de schipper noch wij. Dat Aaike zegt, hij praatte altijd zo boers: “Nou, ik ga wel effe ner Kremmer,” dat was zo’n boertje die dar was met butter en kees, “en dan zal ik tegen ‘m zeggen: Man ik lig in de haven en der hew ik gien cent in m’n zak.”

Dat Aaike naar Kramer en jawel, hij kon wel een briefje van vijf van ‘m krijgen. Toen hij terug kwam was ’t eerste: “We zullen eerst eens een glaasje bier kopen en dan hebben jullie ook een knaak met z’n drieen.” Dat zo deden we, maar toen we weer op zouden stappen en hij zijn portie zou betalen had ie in plaats van een heel, een half briefje in z’n zak, daar zat ie. Ik zeg: “Nou, dat is niks, want dan betalen wij dat wel van die knaak van ons.” Je kon daar dan wel niet van raak zuipen maar een paar glaasjes bier, dat gin nog wel.

De volgende ochtend zegt Aaike: “Ik zal eerst effe naar die kerel toe om te zeggen dat ik een half briefje ‘had hew.” “Jawel” zei Kramer “dat kan kloppen want we hadden een stukkendig briefje van vijf” en toen kreeg ie een heel! En zo was ie altijd met geld. Soms lagen er van die rekenings in de botter en dan zeiden we tegen elkaar: “Potverdomme, wat zit die kerel toch in de schulden,” hij gaf er niks om. Hij heeft ook nog een poos in de Oosterhaven gelegen met dat bottertje. Naderhand is ie bij een neef op Andijk in huis gekomen en daar is ie overleden.
Om op artikelen te kunnen reageren moet je als lid ingelogd zijn.
Als je al lid bent kunt hier inloggen of klik hier om een lidmaatschap aan te vragen.
Commentaar op dit artikel:
1 reactie op dit artikel
  • Re: De redding door de EH 10
    Gepost door Ko de Bruijn, op 5/2/13
    Nou, dit is er eens een mooi, echt verhaal. Ik denk dat de vissers niet zouden zeggen de vuurtoren," maar "het Ven." Ik ben wel es meeweest met Willem de Boer van de EH8, paling kule. En later met kissies. Later ook nog es met Poepies van de EH7 op de Noordzee. Maar dat dag en nacht buffelen, zonder noemenswaardig slaap te krijgen, dat was niks voor mij. Je verdiende twee weeklonen met vissen, maar je werkte vier keer zoveel. Tel uit je winst. Je kwamme zaterdags tuus, en zondagnacht ginge je weer naar Harlinge om te losse. en dan weer een week zonder slaap, uurtje hier en daar, maar na hard werken wil het lichaam niet gelijk slapen, dat moet wennen zekers. Op de kustvaart, wereldwijd, liepen we meest zes op zes af, of ook vier op acht af later op de grotere die een tweede stuurman hadden. Mooie verhalen van vroeger, goed ruig volk, geen yuppies. Ko.

Volg ons via RSS
Volg ons op Twitter
Volg ons op Facebook
Volg ons op Youtube